DE KLEINE LUIJDEN
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
„'t Viel er zoo maar uit, dominé, en toen ik het gezegd had, speet het mij, maar 't lag er al. Opeens echter werd Sander stil. 't Was alsof ik een pijnlijke plek had aangeraakt, die nu opnieuw begon te bloeden. Ik was verlegen, wat verder te moeten zeggen en bedacht een ander onderwerp, maar 't wilde niet meer vlotten".
Eindelijk zei hij : „om te trouwen, moet je ook iemand hebben met wie je trouwen kunt".
„Dat is nog al duidelijk" — zei ik — „maar daar zijn toch vrouwen genoeg in de wereld".
„Ook voor mij, Jasper ? " — vroeg hij met een ernstig gelaat.
Toen voelde ik, dat dit onderwerp meer door hem overdacht was geworden, dan ik vermoed had, al hadden wij in geen tijden hierover gesproken. Maar óók, dat het waar was wat hij bedoelde. Want Sander is een eigenaardige man, dien men eerst kennen moet vóór men hem begrijpt, maar die toch zulk een edel karakter heeft, met zulk een diep geloofsleven, dominé, waarbij hij zijn eigen persoon geheel wegrekent. Zoodat wie hem kreeg tot man, ongetwijfeld met hem gelukkig werd, zoo namelijk die andere ook iets van de vernieuwende kracht des Geestes aan haar hart ondervonden had.
Weer zwegen wij. Hij blijkbaar in diep nadenken hoe het in zijn leven worden zou als hij die vinden mocht, die het ontbrekende kon aanvullen; ik, over de vraag : wie dit wezen kon. Want, dominé, ik heb wel eens gelezen dat er tweelingzielen zijn, die op elkander zijn aangelegd, en in ons huwelijksformulier staat, dat God als met eigen hand iemands huisvrouw aanbrengt, maar om dat alles ook werkelijk in de practijk van het leven te ervaren is iets anders. Er zijn zoovele huwelijken, die in den aanvang goed lijken, maar naderhand voor beide partijen een ondragelijk kruis blijken te zijn dat slechts met moeite tot aan het graf gedragen wordt, of ook wel eerder wordt afgelegd, als een knellend juk, dat de zielen gevangen houdt. Als ik mij niet vergis, dominé, heeft dit zoowel bij de belijders plaats als bij de kinderen der wereld, en dat is Iets vreeselijks !
Eindelijk waagde ik het hem te vragen, of hij dan nooit iemand ontmoet had die hij de liefde van zijn hart zou kunnen geven, omdat er overeenstemming tusschen hen was.
Nóg zweeg hij. Tot ik hem aankeek, en toen merkte welk een strijd hij streed. Hij leek dezelfde Sander niet meer.
„Laten wij hier niet meer over spreken" — zei ik.
Maar toen was zijn antwoord: „Daarvoor zijn wij reeds te ver gegaan, Jasper. 'Je hebt mtj een vraag gedaan ; ik wil die óók beantwoorden, omdat ik weet dat het niet enkel nieuwsgierigheid is, die je zoo spreken doet. Ja, daar is zoo één".
„En mag ik weten wie zij is ? ", vroeg ik.
„Sien" — was het antwoord.
„Sien !" — riep ik uit — „tante Sien ? "
„Want ziet u, dominé, waar ik nu nooit van mijn leven aan gedacht zou hebben, dat is dat zoo iemand als tante Sien in de mogelijkheid van trouwen zou komen. Waarom, dat weet ik zelf niet, maar ik denk, omdat zij zooiets van een engel over zich heeft, en engelen trouwen ook niet. Tenminste zoo voel ik het".
„Heb je daar nooit eens bij stilgestaan, Jasper, dat mijn aandacht op haar gevestigd zou kunnen worden ? " vroeg Sander. Toen zei ik : „eerlijk gezegd neen".
En toen zei Sander : „dat is het juist wat het mij zoo moeilijk maakt. Want ik verwacht dat allen er zoo over denken, en Sien zélf in de eerste plaats".
„Dus zij heeft nooit iets aan je gemerkt, waardoor zij den indruk krygen kan, dat vroeg of laat een aanzoek van jouw kant te wachten is ? "
„O neen, daar heeft zij geen flauw vermoeden van. Zij komt bij mij aan huis en doet het werk, en wy zijn heele beste vrinden, die het in de stoffelijke, maar bovenal in de geestelijke dingen wonder goed met elkander kunnen vinden, maar verder is onze omgang heel gewoon; 'k zou haast zeggen als een broer met een zuster. Ik heb dus ook geen enkel bewijs of Sien zelf wel ooit iets anders begeeren zou dan zij nu heeft, namelijk een leven van dienende liefde in volkomen overgave aan elk die haar hulp vraagt".
„Maar hoe zal je dat dan gewaar worden ? "
„'k Weet het niet of ik daar wel eens moeite voor doen zal. Of het niet beter is mijn gevoelens voor haar diep in mijn hart te begraven, zoodat niemand ze gewaar wordt dan jou alleen. Tot hiertoe heb ik dat gedaan, en dat mij zulks gelukt is, blijkt wel uit de verwondering waarmee je dit alles vanavond aanhoort. Misschien is het voor alles beter, dat ik hare rust die zij op „de Viersprong" zocht en vond, niet verstoren ga, en alle dingen blijven gelijk zij zijn ? "
„Maar als het nu eens was dat Sien precies zoo dacht ten opzichte van jou, en dus door een misverstand twee menschen gescheiden bleven, die vereenigd zoo gelukkig zouden kunnen zijn" — vroeg ik.
„Die mogelijkheid bestaat. Sien is een en al de bescheidenheid zelf, die zich nooit op den voorgrond plaatst, maar allerminst in zulke hoog-heilige aangelegenheden iets zou zeggen of doen wat met de eer of waar digheid eener vrouw in strijd is. Maar daarom juist word ik wel eens in slingering gebracht, niet wetende wat te zullen doen. Bovendien is er nog iets. Over haar verleden ligt een sluier, dien zij blijkbaar niet wil hebben weggenomen, maar dat maakt de zaak nog moeilijker, omdat dit dan onwillekeurig noodig werd. En dan is haar zoon er ook nog. Wat zou Henk zeggen, die haar één en al is".
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 mei 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's