De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

11 minuten leestijd

In breeden kring der samenleving gelooft men tegenwoordig, dat alles eigenlijk een zonderling spel is, een wonderlijk gebeuren van den eeuwigen kringloop der atomen. De werkelijkheid toch bestaat uit een hoeveelheid atomen, die, ieder voor zich, maar ook allen tezamen, geen zin of doel kunnen hebben. Zij zijn niets meer dan een kwantum stof met een kwantum beweging. Toevallig ontstaan er allerlei samenvoegingen van de zich bewegende elementen ; er worden lichamen gevormd, die een zekere regelmaat van beweging aannemen, wonderlijke en zonderlinge en grillige lichamen ; ook zijn er combinaties tot stand gekomen bij de atomen, waardoor levende wezens tot stand zijn gekomen; en zoo zijn ook ten laatste de menschen uit het wonderlijk beweeg der dingen voortgekomen.
Natuurlijk is dan geen sprake van God, noch van schepping.
Door allerlei bewegingen der oerstof is alles ontstaan, klein en groot, levenloos en levend, zon en maan, steen en plant, visch en vogel, óók de mensch ! De eigenaardige voortgaande bewegingen der atomen geven het wezen en den vorm aan de dingen en daardoor heeft ook de mensch z'n persoonlijkheid en z'n bewustzijn ontvangen. Dat is door een draaibeweging der stof. En zoo komt het een en gaat het ander, achterlatend wat er momenteel is. Alle gevoelens van aangenaam en onaangenaam, alle meeningen van goed en kwaad zijn eigenlijk niets anders dan draaibewegingen, die komen en gaan; ze worden door het verloop der natuur vanzelf weer weggespoeld en opgelost en door andere vervangen, waardoor de geschiedenis met de vele momenten, beschavingen, godsdiensten, zedelijkheidsbegrippen, enz., is ontstaan en nog maar altijd met steeds wisselende begrippen van fatsoen, goed en kwaad enz., voortgaat.
't Is alles een spel der natuur, een speling der atomengolven, een grillig, voorbijgaand spel in den eeuwigen kringloop der stof.
Dat gelooft men in breeden kring der samenleving tegenwoordig. Alles wordt materialistisch, evolutionistisch aangevoeld en verklaard: geschiedenis, cultuur, godsdienst, zedelijkheid enz. 't Zijn wisselende momenten in den kringloop der materie.
Men ziet de wereld aan voor een machine, die haar werk doet, dat geen doel heeft en geen zin ; er zit geen wezen in dat alles ; en niemand draagt dan ook de verantwoordelijkheid voor wat de atomenzee in haar oneindige, golvende beweging doet ontstaan en weer vernietigt, opwerpt en weer meesleept, waarbij veel altijd weer terug komt en veel voor altijd verdwijnt.
Er gebeurt wat er noodwendig gebeuren moet, of men het aangenaam vindt of niet, of men het goed-of afkeurt. Het is alles een soort „stofwisseling".
Dan gaat alles in het leven werktuigelij k, natuurnoodwendig, instinctmatig. De steen valt, als de hand hem loslaat; natuurnoodwendig. De hond lekt z'n baas en bijt een ander, loopt het eene beest na en vliegt het andere beest aan; natuurnoodwendig en instinctmatig. De visch zwemt en de vogel vliegt, natuurnoodwendig, instinctmatig. De trekvogel komt en gaat, natuurnoodwendig, instinctmatig, zoo als de molenwieken stilstaan of draalen, werktuigelijk. En zoo is ook de mensch — zegt men, al is hij dan misschien een verbeterde editie van visch of aap.
Dan is er in heel het leven, in al het doen en laten, nergens en bij niemand en nooit: zedelijkheid, verantwoordelijkheid. Dan ontbreken aan al het leven, zoo goed bij den steen die ligt of valt, als bij den molen, die draait of stilstaat, als bij den hond die blaft of bijt, als bij den mensch die zit of gaat — dan ontbreken overal de zedelijke motieven. Nergens is een zedelijke, ethische inhoud in het leven. De mensch is niets anders dan de hond en de hond is niets anders dan de steen; er is alleen een andere draaibeweging. Alles loopt en leeft en beweegt, zooals het nu eenmaal is. En de mensch, die van het gebeuren een weinig besef heeft, misschien anders en méér dan een trekvogel of zeevisch, moet zich in dit „doorgangshuis" maar op z'n best inrichten en doen en laten wat hem 't meest zint. Maar zin des­ levens is er niet. Er is hoogstens natuurdrift en instinctbeweging, met lust en onlust; zinnelijkheid, maar geen zedelijkheid.
Door deze beschouwing van het al, zijn de menschen dezer eeuw zedeloos geworden. Ze hebben geen zeden, ze kennen geen zedelijke beginselen, geen zedelijke motieven. Geen hooge, heilige, goddelijke levensprincipiën. Het leven heeft een toevallig begin en een toevallig einde en de afstand van het ongeluksuur der geboorte, waarbij de stof eigenaardig vereenigd wordt, naar het verlossingsuur van het „dood-gaan", waarbij de stof eigenaardig ontbonden wordt, moet zoo behagelijk mogelijk worden afgelegd. En als de een den ander dat behagelijke niet gunt, dan moet de mensch net doen als de beesten, dan moet de mensch vechten om te overwinnen, om uit den weg te ruimen wat hindert, om als een hongerig beest zich te verzadigen met hetgeen het andere beest hem wilde onthouden. Dat vechten staalt bovendien de spieren, dat oefent de handigheid, dat doet met sprongen vooruit komen. Daarbij danst de mensch, liefst als de zwarte, onbeschaafde negers, de negerdansen, terugkeerend tot Moeder-Natuur, desnoods moeder-naakt. En de bokspartij en 't voetbalspel geeft het hoogst vertier. Daarbij de oorlog, de revolutie, moord en brand, om in den eeuwigen kringloop der dingen te halen wat er te halen is en te genieten wat er zinnelijk te genieten is. En zijn er nu eenmaal menschen van tweeerlei kunne en onderscheiden geslacht, dan is de natuurdrift om samen te brengen, die elkander toevallig ontmoeten, om ook weer elkander los te laten, wanneer de natuurdrift en het beweeg der lusten uitgewerkt is. Waarbij de vrucht, wanneer die zich openbaart in de geboorte van een kind — maar daarvoor zijn ook allerlei middelen vervaardigd om het leven te voorkomen of desnoods te vermoorden — aan de gemeenschap valt. want de kinderen zijn Staatsbezit, om door den Staat te worden grootgebracht en door den Staat weer uitgestooten te worden in den maalstroom des levens, als 't daarvoor naar Staatsoordeel de tijd is. De grootgeworden kinderen kunnen dan mee beginnen het gemeenschapsleven dat nooit stilstaat en altijd voortstroomt.
Zoo heeft ieder diertje z'n pleziertje. En zoolang het levenslampje brandt, treurt men nog niet. Of  wordt 't te benauwd, dan maakt men er een einde aan.
Zoo is de samenleving dezer eeuw zedeloos geworden. Er zijn geen zeden. Wat recht zou iemand ook. hebben, om 't eene zedelijk en het andere zedeloos te noemen ? Zooals het leven valt, zoo is het; en zooals het den mensch bevalt, zoo doet hij. Wie zou het recht hebben hier wetten te stellen of een oordeel van goed en kwaad, van zedelijk en onzedelijk te vellen ? Immers niemand ! En zoo hebben egoïstische en zinnelijke overwegingen de overhand gekregen in kleine en in grooten kring, in het persoonliik leven zoogoed als in gezin en maatschappij. Alles wordt beheerscht door de vraag: wat is voor mij de beste plaats en de aangenaamste ervaring ; waarbij men natuurlijk allerlei ellende op den koop toe moet nemen, maar dan toch met de hoop om door de ellende te komen tot het genot en tot het geluk. Want zooveel weet de mensch wel, ook al heeft hij nooit aan psychologie gedaan, dat er rondom luilekkerland 'n  rijstenbrijberg is, die men eerst doorworstelen moet om in het zonnig geluksland te komen, waar de gebraden vogels den mensch in den mond vliegen. Men krijgt nu eenmaal niets zonder moeite. Als het dan maar komt!
Zoo is het leven der menschheid, zij 't dan niet zonder emoties en zonder plezier en zonder inspanning — zedeloos geworden. Zeden zijn er niet. ; Diepere, ethische, zedelijke motieven bestaan er niet. Grof zinnelijk is alles. Ruw natuurdriftig en dierlijk instinctmatig wil men 't leven maken voor de individuen en voor groepen van personen. Fel, vurig tegenover elkaar. of fel, vurig naast elkaar. Maar de zin van het leven, de geest van het leven, de strekking van het leven is : zedeloos, d.i. zonder zeden, zonder ethische, heilige, goddelijke levensbeginselen, 't Is zinnelijk, maar niet zedelijk.
En zoo verschrompelt de ziel van de menschheid; zoo verschrompelen religie — godsdienst en eeredienst — en zedelijkheid. Alles is in den grond der zaak dor en liefdeloos, zinnelijk en slecht. Alles wordt te midden van het eeuwig beweeg der dingen door mensch en beest door zelfzucht instinctmatig, natuurnoodwendig bepaald en n i e t door zedelijke motieven gedragen en beheerscht en geleid.
En waar men nu ziet, dat het niet goed gaat in de samenleving der menschheid — want wij hebben het niet over de visschenwereld, noch over de vogels, noch over leeuwen en tijgers, maar over de menschen — nu wil men gaan verbeteren. Ook spreekt men van zedelijke verbetering, omdat men voelt dat het niet goed gaat in den weg van egoïsme, natuurdrift en geweld. Maar men wil verbeteren zonder godsdienst, men wil zedelijk verbeteren zonder diepe, heilige, goddelijke, zedelijke beginselen. Men wil zedelijk verbeteren, maar het zedelijk leven losmaken — of los laten — van den godsdienst. Men wil het in den weg van de cultuur — het modewoord van jong en oud — doen ; maar dan het cultuurleven los van het godsdienstig leven. De menschen zijn best in staat hun eigen huishouding in te richten, zonder dat daarvoor gebod en leiding behoeft te komen. Uit een andere, „hoogere" wereld — uit een „vreemde" wereld zegt men liefst —; zonder dat het initiatief, het bevel, de leiding behoeft uit te gaan van „hoogere" machten (dat men „vreemde" machten noemt). We moeten, als menschen, zelf zoo rijk, zoo verstandig, zoo sterk zijn, dat we dat „andere" niet noodig hebben. We moeten verbeteren, maar dan hebben we geen „boven-wereldlijke" richting en leiding noodig. Integendeel, daarvoor moet nu juist gewaakt worden, dat, nu we aan het verbeteren willen gaan, zedelijk ook verbeteren en daarvoor betere, edeler, hoogere, fijnere opvoeding zoeken, die meer aansluit aan de goede, edele, fijne natuur van den mensch — dat nu de godsdienst er niet tusschen komt om alles weer in de war te sturen ! Tot alle christelijke en maatschappelijke deugden willen we opvoeden — maar nu moet de godsdienst de harmonie van het leven niet komen verstoren. We willen vooral de jongeren zedelijk opvoeden — maar nu moet de religie geen splijtzwam worden.
Vroeger stond het onlosmakelijk verband tusschen godsdienst en zedelijk leven vast. Wanneer men vroeger zou hebben voorgesteld niet meer godsdienstig en dan toch zedelijk te zijn, zou hij voor een krankzinnige (die krank-van-zinnen is) zijn aangezien. Maar de nieuwere tijd heeft ook dit een schok gegeven en deze oude, gefungeerde overtuiging is aan 't wankelen gebracht. Zedelijkheid en godsdienst, ethiek en religie zijn volgens den nieuweren tijd totaal verschillende dingen. Men moet nu eindelijk eens zóó verstandig worden dat men voelt, dat het zedelijke een eigen terrein is en een eigen grond heeft. En voor de vervulling van de zedelijke taak des levens is de godsdienst geenszins noodig. Men is dan ook in den grond der zaak niet weinig afkeerig van den godsdienst in den kring van de zedelijkheids-opvoeders der menschheid. En men stelt het gaarne voor, dat men in den weg van een „onafhankelijke moraal" best een goed mensch kan zijn en een goede maatschappij kan opbouwen en best vrede kan smaken — waarvoor godsdienst absoluut niet noodig is. Zijn er dan misschien weeke, slappe menschen, vooral vrouwen, die behoefte hebben aan religie — welnu, men is niet tegen den godsdienst! Men wil ook tegenover den godsdienst verdraagzaam zijn. Maar — de godsdienst moet iets zijn, dat voor eigen rekening van de liefhebbers blijft. Laat het een particuliere liefhebberij zijn voor degenen, die het noodig hebben. Voor de vervulling van de zedelijke taak des levens is echter de godsdienst geenszins noodig. We zullen ons zelf door innerlijke aandrift wel opwerken uit den chaos, waarin de mensch verward raakte. En de weg van broederschap is de weg naar de gouden eeuw, het pad dat voert naar het geluksland, naar het toekomstig paradijs op aarde, waar de koningsmensch, de veredelde mensch, de ideaal-mensch strals wonen zal in vree, met een behoorlijk kwantum van zinnelijk genot en zinnelijk geluk.
De weg van zedelijke verbetering der menschheid bestaat bij velen in één woord: de liefde. Ouderliefde, naastenliefde, broederzin — dat is alles. Levend naar die natuurwetten — de dieren geven ons in dezen onderwijs — gaat de menschheid een ideaal-toestand tegemoet. En die spreekt van een boos hart en van zondedoen, werkt met wanbegrippen. Dat is godsdienstige wartaal. De mensch moet verstandig zijn en lief doen. En als alle menschen zoo doen, zijn we er. Als alle menschen tot dit inzicht gebracht kunnen worden, dan zal er een rechtvaardige, royale, gelukkige samenleving mogelijk zijn.
Waarom kan dat niet ?|Geeft het Pinksterfeest ons misschien een anderen en een beteren weg ?
Een nieuw hart, een nieuw leven, dat uit God is !

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's