De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

12 minuten leestijd

IN EEN NIEUW KLEED.
Natuurlijk is het ieder lezer aanstonds opgevallen, dat „De Waarheidsvriend" in een nieuw kleed gestoken is. En wij twijfelen er geen oogenblik aan, of ieder zal hebben uitgeroepen : „Wat ziet hij er netjes uit" !! En dat is ook zoo. Onze oude Vriend heeft een verjongingskuur ondergaan en vriendelijk, hupsch, keurig in den vorm, komt hij zich nu presenteeren.
Wij zijn er den heer Fortuin zeer dankbaar voor. Het is voor ons een nieuw bewijs, dat hij niets spaart, wat dienen kan om ons Bondsblad zoo goed mogelijk te verzorgen.
Wij hopen, dat onze goede Vriend in zijn nieuwe pakje met nieuwen zegen mag rond gaan door heel ons Vaderland en onze Bond er de aangename vruchten van zal plukken, onze Kerk ten zegen !

PROFESSOR AF.
De couranten, de nieuwsbladen, hebben ons het bericht thuis gebracht dat prof. dr. H. Visscher ontslag gevraagd heeft als hoogleeraar in de theologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. En men heeft niet nagelaten — het Handelsblad, de N. Rott. Crt. enz. — er nadruk op te leggen, dat prof. Visscher vóór zijn 70ste jaar heengaat, wat maar zelden met een hoogleeraar het geval is, die nog gezond is en de eindstreep van den 70-jarigen leeftijd nog niet bereikt heeft. Nagenoeg komt zooiets nooit voor.
In hoeverre de tranen, die vooral een „medewerker" van de N. Rott. Crt., geschreid heeft en misschien nog bezig is te schreien — want zulke dingen zijn soms hardnekkig van duur, vooral bij liberale menschen, die een zoo teer gemoed en een lichtbewogen hart hebben — oprecht zijn, weten we niet. In elk geval hebben we diep medelijden met den zoo zeer bedroefden „mede-werker" van de N. Rott. Crt., want wij gelooven niet, dat zulke droeve ervaringen en smartelijke emoties iemands gezondheid ten goede komen. En daarom wenschen we onzen collega van harte toe, dat er spoedig een pleister op de wonde mag worden gelegd.
De zeer-bewogen liberale „medewerker" uit de Maasstad is zoo vriendelijk, om informeerend te vragen, of dit ontslag ook misschien in verband staat met het incident dat op de Herdenkingssamenkomst van den Gereformeerden Bond is voorgevallen ?
Onze boeren zouden zeggen : hij heit den kolder in z'n kop.
Maar laten we het liever anders benaderen, meer deftig en meer psychologisch. Dat is tegelijk ook wat geleerder, dan te spreken van den kolder in den kop. De Vrijzinnig Hervormden verkeeren in veelszins benarde omstandigheden, 't Is ruzie op ruzie, herrie en kabaal overal. De boel ligt verscheurd en de een scheldt den ander uit op de meest sprekende manier. Heel de pers ligt kapot, heel de organisatie wordt gebroken, 't Is allemaal ellende. En ziet, als het nu in eigen huis en in eigen familie allemaal narigheid is, dan is het een gewoon verschijnsel (en dat is dat geleerde woord „psychologisch"), dat men o ! zoo ingenomen is met iets dat bij een ander gebeurt; als dat in de verste verte maar iets gelijkt op oneenigheid, dan grijpt men dat aan en zet er een boom over op, om zoo ontspanning te geven aan eigen narigheid, om zoo eigen verdriet even te vergeten en te kunnen zeggen, dat er bij anderen toch gelukkig ook „iets los" is.
Die gewone methode volgt de „medewerker" van de N. Rott. Crt. ook. Want hij weet natuurlijk heel goed, dat prof. Visscher nu al sinds jaren z'n professoraat heeft neergelegd, toen hij lid van de Tweede Kamer werd. En hij weet opperbest, dat, nu prof.Visscher, non-actief hoogleeraar zijnde, ontslag vraagt van de twee uur college welke hij als non-actief Rijks-hoogleeraar, volgens „bizondere leer-opdracht" van de Regeering, nog gaf, deze ontslagaanvrage van prof Visscher niets te maken heeft met den Gereformeerden Bond. Waarbij natuurlijk een klein kind kan begrijpen, dat deze ontslagaanvrage, die nu gepubliceerd wordt, reeds bestond vóór de Herdenkingssamenkomst op 16 April in Utrecht plaats had. Deze dingen doet niemand ondoordacht; en zeker prof. Visscher niet.
De leepe „mede-werker" van de N. Rott. Crt. weet dus heel goed, dat deze ontslagaanvrage van die twee uur college, welke 's Maandags — een dag, dat de Tweede Kamer niet vergadert — gegeven worden niets te maken heeft met den Gereformeerden Bond. Maar het was den liberalen, vrijzinnigen en dus verdraagzamen, ruimen, vredelievenden, anti-strijdlustigen „mede-werker" van de N. Rott. Crt. natuurlijk er alleen om te doen, om het podium te werpen op den Gereformeerden Bond. Anti-militairisten houden nog wel eens van een heibeltje ! Maar de toeleg loopt tè zeer in de gaten. Het is al te doorzichtig !
Intusschen blijft het feit, dat prof. Visscher, die als non-actief Rijks-hoogleeraar nog twee uur college gaf volgens bijzondere leeropdracht van de Regeering, — waarvoor natuurlijk de Regeering altijd haar regelingen treft en die prof. Visscher nog deel deden uitmaken van de theologische faculteit (zij 't met adviseerende stem), — voor deze functie heeft bedankt tegen 1 October, wanneer het nieuwe Academiejaar begint.
Bij het 25-jarig jubileum als hoogleeraar zei prof. Obbink op de receptie en bij de huldiging : „Gij moest terugkeeren tot ons en weer heelemaal hoogleeraar worden, dan zullen wij daar dankbaar voor zijn". En velen stemden daarmee in.
Wij zelf hebben meer dan eens gezegd : waar het professoraat van God is afgebeden en door den Heere is gegeven als een kostelijk goed, vooral in onze dagen voor de opleiding van onze aanstaande predikanten van zoo buitengewone beteekenis zijnde, daar ware het te wenschen, dat de politiek er nooit tusschen gekomen was en het ambt van hoogleeraar, zoolang God er den tijd en de gelegenheid en de gaven voor geeft, de volle belangstelling mocht hebben en de wijding van alle krachten mocht genieten. Maar sinds 1922 is het werk als theologisch hoogleeraar gebroken. De colleges van prof. Visscher zijn toen verdeeld over andere professoren en wat er nu nog van over was, door, bijzondere leeropdracht van de Regeering, wordt nu ook losgelaten en zoo komt prof. Visscher dus nu officieel geheel buiten de theologische faculteit, buiten de examens, buiten de Hoogeschool te staan en zal zijn plaats, tot nu toe nog officieel door hem bezet, ledig zijn. Vanaf 1922 waren zijn colleges voor 't grootste gedeelte weg en nu gaat alles, wat officieel is, weg.
Wy betreuren dat. Wij zijn de dagen van 1904, de dagen van de „wondere" benoeming van prof. Visscher (onder het ministerie-Kuyper), nog niet vergeten ! Wij weten van zijn machtigen greep, weiken hij had op de studenten, jaren achtereen. Maar toen is die groote verandering gekomen in het professoraat, door de aanvaarding van het lidmaatschap van de Tweede Kamer. En waar we eerst prof. Visscher hadden, toen prof. Van Leeuwen kregen, daarna prof. Noordtzij, — een edel drietal —, daar is door allerlei omstandigheid achter elkaar de eene groote verandering na de andere gekomen en we zijn eerst in 1922 prof. Visscher kwijt geraakt door de politiek, toen is in 1930 prof. Van Leeuwen ons ontnomen door den dood, en waar de plaats van prof. Van Leeuwen is vervuld door een man, die zeker wetenschappelijk hoog staat, maar als Gereformeerd man onder ons niet bekend, staat nu prof. Noordtzij maar alléén.
Ware prof. Visscher ons door den dood ontnomen, zoo zouden we Gode moeten zwijgen.
Nu het zóó gaat kunnen we niet anders zeggen, gelijk we telkens gezegd hebben : 't spijt ons bitter. Een zoo mooi, kostelijk werk als hoogleeraar in de theologie is nu sinds 9 jaren ingeruild voor de politiek. En hoewel volstrekt geen verachter van de politiek zijnde, achten we het hoogleeraarschap in de theologie honderdmaal hooger en gewichtiger dan het lidmaatschap van de Tweede Kamer.
Dat hebben wij 10 jaar geleden eerlijk gezegd en geschreven en wij zijn nog niet van gevoelen veranderd.

GOD WIL UWE HEILIGMAKING.
Wat we hierboven schreven, hebben we overgeschreven uit onzen Bijbel, en wel uit I Thess. 4 vers 3. „God heeft ons geroepen tot heiligmaking" staat er dan nog eens in het 7de vers. Heiligmaking voor en heiligmaking na dus. En dat schrijft Paulus aan de Gemeente van Thessalonica, waar vele kinderen Gods zijn, maar waar velen „ongeregeld" wandelen. Er zit geen regel, geen stuur, geen vastigheid genoeg bij de geloovigen. Ze laten zich veel te gemakkelijk afvoeren door allerlei leeringen en dan wordt aan den levenswandel te weinig aandacht geschonken, dan raakt de teugel los en dat gaat men dan. vergoelijken, wat niet tot eere Gods is en niet tot zegen voor den naaste en ook niet tot zegen voor ons zelf. We krijgen dan een. ongestadigen, ongedurigen, wispelturigen, , onvasten weg en onze invloed ten goede wordt dan gebroken en de vrede onzer ziele verstoord. We krijgen dan een ongelukkig leven — terwijl het zoo anders kon zijn.
We oefenen dan zoo geen invloed ten goede uit op anderen — wat zoo anders kon en zoo anders moest zijn !
Aan de heiligmaking mocht wel méér aandacht geschonken worden ook in de prediking. Want we moéten niet denken, dat de bediening des Woords alleen maar is om ons te „troost en". Natuurlijk is de troost voor een zondaar in Christus heerlijk. Maar het is voor de gemeente niet alles. De heiligmaking, de nieuwigheid des levens, de wandel des geloofs is zoo noodig bij Gods kinderen, zoolang ze hier op aarde zijn, tot eere Gods en, tot zegen voor hen zelf en nuttigheid voor den naaste. De Evangelieverkondiging mag dit stuk des nieuwen levens en der goede werken niet verwaarloozen ; de bediening des Woords mag hier niet in gebreke blijven. God heeft immers zijn kinderen geroepen tot heiligmaking. God wil onze heiligmaking. En die heiligmaking welke voor de geloovigen in Christus is, moet in den hieuwen wandel worden nagejaagd. Zoo zegt Gods onfeilbaar Woord.
Veélszins is dat stuk van den levenswandel der geloovigen verkeerd behandeld, 't Is zoo dikwijls eenvoudig een zedeles geweest, een opbouwen uit het vleesch tot vleeschelijke betrachting, een aankleeden van den mensch. Dan kunnen Gods ware kinderen er nooit smaak in vinden (wel 't vrome vleesch, maar niet Gods ware, levende kinderen), 't Is dan ook geenszins naar de meening des Geestes geweest noch naar uitwijzen van Gods Woord. Vleeschelijke gerechtigheid, vleeschelijke vroomheid brengt ons niet verder ! Integendeel, dat alles is gansch en al bedriegelijk en gevaarlijk.
Dat neemt echter niet weg, dat de bediening des Woords, de uitstalling van de schatten van Gods dierbaar getuigenis, óók meebrengt, om de noodzakelijkheid en de heerlijkheid van een nieuwen wandel te bepleiten voor Gods kinderen, niet naar 't vleesch, maar door den Geest, opdat zij als geestelijke kinderen, als kinderen des lichts, Gode leven.
De nieuwigheid des levens, waarin wij hebben te wandelen, is wel niet de grond van onze aanneming bij God. Zelfs komt zij ganschelijk niet in aanmerking in onze rechtvaardigmaking, bij onze rechtvaardigstelling voor God, waarbij immers alleen de gerechtigheid en heiligheid van Christus in aanmerking komt, ons uit loutere genade dan toegerekend, om ons eigendom te worden in den weg des geloofs. Maar onafscheidelijk heeft God, Die zondaren opzoekt om ze uit de duisternis over te zetten in Zijn wonderbaar licht en uit den dood over te brengen tot het leven, louter uit genade en om de verdiensten van Christus — onafscheidelijk heeft God daaraan voor Zijn kinderen verbonden de nieuwigheid des levens in een heiligen wandel, om te verkondigen Zijne deugden en in het midden der wereld te zijn tot leesbare brieven van Christus.
De verwaarloozing van dit stuk werkt de losheid des levens in de hand. Het bevordert ook, dat we naar 't vleesch wandelen. Dat doet ons weer rijk en sterk worden in ons zelf en het berooft ons van de gezonde ontdekking aan zonde en schuld, 't Doet ons eigenzinnig voortwandelen in eigen gekozen wegen en 't doet ons boos worden, indien we ons stooten en vermaand worden aan onze zonden, 't Verdonkert ook ons leven, waarbij de rechtvaardigmaking in Christus niet dien troost geeft, dien wij er uit mogen putten, indien we dicht bij den Heere leven en ijverig mogen zijn in het aanbevolen werk. 't Beneemt ons veel van den vrede en de blijdschap, die anders in Christus ons deel mag zijn en 't neemt onze vrijmoedigheid weg tegenover anderen, of doet de geestelijke vrijmoedigheid overslaan in vleeschelijke brutaalheid, waarbij de uitwerking juist verkeerd is.
In de bediening des Woords moet het uitkomen, dat God onze heiligmaking wil. Dat God ons geroepen heeft tot heiligmaking — en niet tot zonde en tot losheid des levens (1 Thess. 4). We moeten juist daarom in de bediening des Woords gewezen worden op onze eigengerechtigheid, op het bederf van eigen hart, op karakteren boezemzonden. En we mogen ons niet boos afwenden wanneer wij gewaarschuwd worden voor onszelf, met vermaning onszelf te verloochenen en door den Geest te wandelen met matigheid, liefde en met kracht. Het volle Woord Gods moet in de prediking tot z'n recht komen, ook door de prediking van het stuk van de heiligmaking, tot opwekking in nieuwigheid des levens en tot dooding van de zonden, opdat ^e hoe langer hoe meer leeren leven uit Christus en de heiligmaking, welke in Hem is, najagen, zonder welke wij Gode niet kunnen behagen en anderen niet tot zegen zijn, onszelf beroovende van vrede en vreugd.
Als wij dan den vrede en de vreugd missen en anderen niet tot zegen kunnen zijn en ons werk wispelturig en zwak is — laten we dan onszelf onderzoeken of bij ons wel de gebondenheid des Geestes is en niet de losheid en wispelturigheid des vleesches ; de nederigheid des Geestes en niet de hoogheid des vleesches ; den vrede des Geestes en niet de verstoordheid des vleesches.
En als het ons tot groote smart is dat we maar zoo weinig hebben van de nieuwe gehoorzaamheid, maar in oprechtheid begeeren de zonden te haten en te vlieden en den Heere aan te hangen, dan trooste ons de volle gerechtigheid en heerlijke heiligheid, welke is in Jezus Christus, en opziende naar den Oversten Leidsman en Voleinder des geloofs hebben we gemoedigd voort te gaan, volhardende ten einde, opdat we straks mogen worden opgenomen in heerlijkheid.
God wil onze heiligmaking. God heeft ons geroepen tot heiligmaking (1 Thess. 4)
En Hij, Die eischt, wil ook geven. Hij Die roept is ook de Getrouwe, Die geven zal wat Hij beloofd heeft.
Geest des Heeren, doorwaai dan Uw hof !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's