De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

13 minuten leestijd

„Gij Geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedooden, opdat zij levend worden".

EZECHIëL 37 : 9b.
Laat ons letten :
Ie. op de volstrekte onmacht des menschen
2e. op de almacht Gods.
Het was wel een merkwaardig gezicht dat eenmaal de Godsman Ezechiël van den Heere te zien kreeg in de dagen der ballingschap. Ja, het waren de dagen waarin de dichter de harp gestemd heeft tot het klaaglied : Aan de rivieren van Babel daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion. Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen, die daarin zijn. Als zij die ons aldaar gevangen hielden de woorden eens lieds van ons begeerden, en zij die ons overhoop geworpen hadden, vreugd, zeggende : Zingt ons een van de liederen van Sion, zoo zeiden wij : Hoe zouden wij een lied des Heeren zingen in een vreemd land ? Indien ik u vergeet, o Jeruzalem, zoo vergete mijne rechterhand zichzelve.
Naar dat Babel was Israël verdreven om der zonden wil, doch in dat Babel mochten zij ondervinden dat de Heere des ontfermens gedachtig was. Wel had dat volk twee boosheden begaan, door Jehova, den springader des levenden waters te verlaten, en zich bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water hielden.
Zoo zag God dat volk voor zich, zooals Hij het Ezechiël toonde in het hoofdstuK beschreven, waaruit ons tekstwoord genomen is : Een vallei vol dorre beenderen.
En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan, en ziet er waren zeer vele op den grond der vallei, en ziet, zij waren zéér dor.
Zoo zag God Zijn Israël; zoo zou Israël zich zelf zien bij ontdekkend genadelicht, wanneer wij dat volk hoor en belijden : Onze beenderen zijn verdord, onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden.
Lezer, verstaat gij iets van deze belijdenis voor uzelf ?
O, daar ligt wat in opgesloten ! Onze zoo hoogmoedige natuur kan daar niet aan, en wil daar niet aan ! Zeker, wij willen dat nog wel bijvallen en toestemmen uit kracht van opvoeding in de waarheid, doch als 't persoonlijk op ons aankomt is het : Gij zijt die man ? Neen, dan huivert alles in ons terug, voor zulk een belijden.
Is dat dan het beeld van dien mensch, de kroon der schepping, die mensch, die zoovéél meent te zijn en te hebben en te kunnen voor God ?
En toch, het is en blijft een waarheid, geteekend in Gods Woord, bevestigd door Gods ontdekte volk. Zij moeten het den apostel zoo bijvallen : Dood in de zonden en de misdaden.
Dood voor God en dood voor den hemel. Het bedenken des vleesches is de dood. Dat geestelijk leven dat eenmaal uitstraalde en uitschitterde uit het beeld Gods, gansch verduisterd in den val in ons Bondhoofd Adam. En nu, niemand meer die naar God zoekt, niemand die waarlijk naar Hem vraagt, niemand die goed doet. Allen tezamen afgeweken en dervende de heerlijkheid Gods.
Voor God geen waarlijk geestelijk goed, maar die mensch-geworden als de vallei van Ezechiël : er waren er zéér velen op den grond der vallei; en ziet zij waren zéér dor. Alle leven lag er aan ontzonken !
De zon moge hare koesterende stralen uitzenden in de vallei, de onweerswolken mogen er boven de waterstroomen ontlasten, de winden mogen waaien, het moge bladstil zijn, 't bleef daar alles hetzelfde: ziet, zij waren zéér dor !!
Verstaat gij dat voor uzelf, lezer ?
De zon van den voorspoed moge u beschijnen, en hare vriendelijke stralen hebben doen schijnen op uw levenspad, de donkere wolken van tegenspoed deden wellicht de rampen en de tegenheên komen. Een storm van beproeving teisterde het leven, of een stilte was er, die den loop van het leven niet beroerde ; ach, waar zijt gij met alles gebleven, wie en wat zijt gij er mede geworden voor God ?
De lieflijke noodigingen, de rijke vertroostingen en beloften Gods die tot u kwamen ? Het onweder Zijner verbolgenheid, in voorstellen van oordeelen Gods over den onbekeerde, en zware slagen, de ernstige roepstemmen. Waar hebben ze ons gebracht ?
Is het in het einde : Ziet, zij zéér dor waren?
De volstrekte onmacht des menschen alzoo ten goede.
Waar bloeide, op dat waarachtig geestelijk leven, dat leven uit het gelóóf, naar Gods wet en tot Gods eer ? Of is het u : Deze rede is hard, wie kan dezelve hooren ? Zingt ons aangenamer liederen ? Immers de mensch wil wel opgebouwd, geprezen en verheerlijkt worden, doch hoe vernederend en afsnijdend, als hem alles voor God ontnomen wordt en zijn beeld geteekend in de vallei, die Ezechiël zag, een vallei vol dorre beenderen.
Menschenkind, zullen deze beenderen levend worden ?
O, als het van die beenderen zelf afhing, als het van Ezechiël moest komen, als 't moest verwacht worden van 't liefste kind van God, dan zou het een onmogelijkheid blijven.
Neen, dat is geen menschenwerk, doch het werk van een almachtig God, die heeft te spreken en het is er, te gebieden en het staat er.
Bij Wien mogelijk is, wat bij den mensch onmogelijk wordt bevonden.
Het is de prediking, de profetie, de bekendmaking van Gods Woord en bevel; zeker, in zichzelve dood, doch gedragen door Gods Geest enkel kracht en macljt en leven : Gij Geest, kom aan van de vier winden en blaas in deze gedooden, dat zij levend worden.
Geen werk des menschen, zelfs niet van Ezechiël, en daarom :
't Is beter als w' om redding wenschen te vluchten tot des Heeren macht. Dan dat men ooit vertrouw' op menschen Of zelfs van prinsen hulp verwacht!
Toch was het wel een wonderlijke opdracht, die de profeet ontving. Gij zegt: was het niet overbodig en nutteloos om te profeteeren over wat zoo verstorven lag voor Gods aangezicht ?
Zij kunnen niet zien, niet hooren en niet opmerken !
Gij past dit misschien wel stilzwijgend toe op u zelf ter verontschuldiging en denkt : als een mensch nu in die volstrekte onmacht ten goede ligt en zijn toestand voor God als het dor gebeente wordt bevonden, dan kan die roepstem wel uitgaan met kracht, maar de mensch kan zich niet bekeeren, hij kan zich zelf het ware leven niet schenken !
Maar weet gij wel dat de Heere spreekt : Zie, Ik zal den geest in u geven én gij zult levend worden ?
't Is dus Gods werk, en daarbij komt de ernstige vraag tot u, lezer : Wie heeft u toch met dat niet kunnen bekend gemaakt ?
Is het misschien de Satan, die u deze waarheid voorhoudt en gij die aangrijpt tot een oorkussen van vleeschelijke gerustheid ?
Het is juist zoo groot, indien gij recht uw onmacht ten goede moogt belijden, en dat alles tegen den Heere uitspreken. Daar geeft Hij de verzekering dat gij als een onmachtige zulk een gepast voorwerp zijt voor Zijn almacht, ja voor 't woord Zijner kracht, 't welk Hij doet uitgaan : Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden.
En, zoo bericht ons Ezechiël, er werd een geluid als ik profeteerde, en ziet een beroering.
Een geluid, een beroering.
Is het niet de Pinksterprofetie : Een geluid als van een geweldigen gedreven wind, vervullende 't geheele huis waar zij zaten.
Is het nog niet alzoo, als Gods levendmakende Geest werkzaam wordt in de dorheid en doodigheid van 's menschen hart ?
Die ontroering, die onrust bij de gedachten aan dood en eeuwigheid ? Wat het zal te zeggen zijn met een onverzoende schuld voor een heilig God te moeten verschijnen. Als gerusten te Sion verontrust worden als degenen, die zoo vredig daarheen leefden, een onvrede leeren kennen.
Als met een David de klacht gekend wordt: Daar is geen vrede in mijne beenderen. Als de belijdenis met Israël gehoord wordt: Onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden.
Die zelfaanklacht over een algeheele verlorenheid en verdorvenheid ! Als alles tegen ons getuigt en wij op al het onze den dood moeten schrijven.
Dat roepen om genade en geen recht.
En ik zag, en zie, daar werden zenuwen op hen.
Is het niet alzoo geestelijk verstaan ?
Gij weet, lezer, de zenuwen zijn dat fijne netwerk met haarfijne vertakking door het gansche menschelijk lichaam. Alle prikkels van buiten worden daar langs voortgeplant. Het doet ons gevoelig zijn voor allerlei indrukken, hoop en vrees, angst en smart, blijdschap en droefheid, lust en onlust, ontroering en, ja welke aandoeningen al niet ?
Zou het ontbreken als Gods werk zich verheerlijkt aan en in het zondaarshart ?
Dat opmerken van al wat ons wedervaart, het groote, maar ook het kleine.
Het gevoelen en bekennen van die wonderlijke en verrassende leidingen Gods in het leven ?
Ja, zegt gij, maar dat is geen grond voor de eeuwigheid ; dat is niet genoeg, dan wordt nog de vastheid en de zekerheid gemist.
En Ezechiël valt u bij : daar was nog geen geest in hen !
Maar is Gods werk niet een geleidelijk werk ?
Langzaam gaat de nacht over in den dag.
Langzaam groeien en rijpen de edelste gewassen op den akker !
Gods levendgemaakten zijn geen hof van Jona's wonderboomen, die in èèn nacht opschieten, doch om in één dag te verdorren.
Zoo willen het wel velen in onze dagen. Het moet alles maar gauw gaan, op elk gebied. Het is een vliegen over den weg en door de lucht; onze tijd is vol van wedstrijden wie maar de eerste en grootste en voornaamste en voorste zal wezen !
Helaas, vindt dit ook zijn neerslag en weerslag op geestelijk gebied.
Wat een loopen en draven her-en derwaarts. Zoo deugt de eene Kerk weer niet of een andere moet gezocht of gebouwd, die, naar men denkt, de volmaaktheid nabij is. Zoo is men niet tevreden met den gang van zaken in een of andere vereeniging of partij, of een nieuwe moet opgericht, die naar men meent, véél beter is.
Dikwerf naar 't woord van den profeet: Een rooken aan zijn eigen net, en een spinnen aan zijn eigen garen, omdat er niet God, doch het vrome eigen ik in gezocht wordt.
Een opbieden in ervaringen en ondervindingen, en de een al verder dan de ander, om in het eind te verstaan : Man Gods, de dood is in den pot!
Gelukkig, lezer, als ge eens achteraan moogt komen en het met Ezechiël moogt overgeven en overlaten in de hand des Heeren, als gij het bij u zelf eens laat over zomer en en overwinteren.
Anders zoudt ge als een Démas openbaar komen, die de tegenwoordige wereld we er lief kreeg, omdat er bij allen schijn nog nooit één zuchtje van Gods Geest en Almacht, nog nooit één enkele ademtocht van de liefde en genade door het dor gebeente heeft geritseld !
Vreeselijk, als dat te laat wordt ingezien. Als men meende bekeerd te zijn, zonder zich ooit als onbekeerd te hebben gekend.
Als men meende te leven, zonder nog ooit aan den doodsstaat voor God ontdekt te zijn.
Als men meende gered te zijn, zonder ooit verloren te zijn geweest voor God door zonde en schuld.
Hier in de vallei was het Gods werk door Gods Geest: Gij Geest, kom aan van de vier winden en blaas in deze gedooden, opdat zij levend worden.
Tóén kwam de geest in hen, d.i. het leven door den Heiligen Geest als de groote verwekker van het leven en zij stonden op hunne voeten, een gansch zéér groot heir. Hiervan mogen wij wel zeggen :
Dit werk is door Gods alvermogen, Door 's Heeren hand alleen geschied, Het is een wonder in onz' oogen. Wij zien het, maar doorgronden 't niet.
Het is al de bevestiging van die waarheid : Niet door kracht of geweld, maar door Mijnen Geest zal het geschieden.
Gods werk in den aanvang, Gods werk in den voortgang, Gods werk in het einde.
En dan is er niets meer van den mensch bij, ook niet van Ezechiël.
Is dit niet de ervaring van allen, die in het Babel hunner zonden door den Heere zijn opgezocht, voor wie Babel inderdaad Babel geworden is, met de onmogelijkheid zich zelf te verlossen en te bevrijden ? Dan wordt het gekend als het werk Gods, Zijn opzoekende en gedenkende liefde.
Enkel Zijn vrije, ongehoudene en souvereine genade, als Ik u, zegt de Heere, uit uwe graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk !
O Mijn volk ! Daar ligt de verbondstrouw van Jehovah. Daar spreekt Zijn verkiezende liefde en het eeuwig welbehagen, dat zich komt te verheerlijken aan het dorre gebeente.
Daarin mogen zij 't weten : Bergen mogen wijken en heuvelen mogen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, spreekt de Heere, uw Ontfermer.
Zij komen op uit het graf hunner zonde en schuld door die vrije gunst en genade, die den Heere eeuwig heeft bewogen !
Maar, hoe is dat mogelijk, zegt gij !
Alleen in Hem en door Hem, die in dat graf van de zonde en schuld van Zijn volk is ingedaald, doch ten derden dage verrees en Zijn stem doet uitgaan : Ik leef en gij zult leven !
Mogelijk, neen zeker in dien Heere Jezus, die uit Zijn volbracht werk schenkt genade voor genade.
Dat verzekert en verzegelt God door dien Heiligen Geest, dien Hij zendt, waarmede Hij inwoning komt te maken door Zijn onwederstandelijke kracht; die Geest der genade en der gebeden, die Geest der herschepping, die Geest die alle dingen nieuw maakt.
Levenwekkend gaat Hij over het dorre gebeente op des Heeren bevel : Gij Geest, kom aan van de vier winden en blaas in deze gedooden, opdat zij levend worden.
Dat wijst ons heen naar het Pinksterwonder.
Kent gij daarvan iets, 't zij in aanvang of voortgang, lezer ?
Ja, wel ons beeld geteekend in die dorre vallei, wel voor Gods aangezicht gelijk dat dorre gebeente, en toch niet te verontschuldigen. O, zoek het dan niet bij uzelven of bij het schepsel. Steun dan niet op uw onmacht, waaraan gij nog nooit zijt ontdekt, maar zij of worde het uw bede : Heere, leer mij ; Heere, bekeer mij ; Heere, ontdek mij en trek mij ; geef mij een levende en levendige behoefte aan uw almachtig genadewerk. En klimme daar de bede uit uw hart ook in deze dagen : O Geest, kom aan van de vier winden, en blaas ook in mij gedoode, opdat ik levend worde.
Ja, dat ook die Heilige Geest blaze met Zijn levenwekkende kracht in de dorre vallei van mijn hart, opdat dat nieuwe leven uit God moge zijn, tot Zijn verheerlijking.
Dan wordt het: uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, waar gemaakt.
Dan wordt ervaren en doorleefd : Gij zult weten, dat Ik, de Heere, dit gesproken en gedaan heb.
Dan wordt 't hart gestemd tot den jubel:
God zij altoos op 't hoogst geprezen. Lof zij Gods goedertierenheid. Die nimmer mij heeft afgewezen. Noch mijn gebed verhoor ontzeid.
Amen.
Dinteloord.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's