STAAT EN MAATSCHAPPIJ
VLOEKEN EN GODSLASTERING. (Slot).
Wij hebben de vorige week enkele opmerkingen gemaakt over het misbruiken van Gods naam, welk misbruiken in het vloeken en in de Godslastering tot uiting komt. Wij stonden toen in het bijzonder stil bij het eerste kwaad : het vloeken ; thans moeten wij nog iets zeggen over dat andere groote kwaad : de Godslastering.
Zooals wij bij die gelegenheid reeds terloops opmerkten, heeft de Rijkswetgever zich met het misbruiken van Gods naam bezig te houden, wanneer dit misbruiken als Godslastering naar voren treedt.
De Overheid heeft dan, als dienaresse Gods, de taak om de Godslastering, d.i. om met de woorden van Minister Donner te spreken : „het hoonen en smaden van en het smalen op God", tegen te gaan en strafbaar te stellen.
Deze taak heeft de Overheid op grond van het feit, dat zij bij de gratie Gods regeert en alzoo Gods Wet, zoowel wat de eerste als de tweede tafel betreft, heeft te handhaven.
Echter niet in dien zin, dat de Overheid iemand zou kunnen of mogen dwingen tot het geloof of tot het eeren van Gods heiligen naam, maar wel zoo, dat zij het als hare roeping heeft te beschouwen dat in het Christelijk Nederland naar de Christelijke volkszeden, die een afspiegeling zijn van de Wet, worde geleefd. Uit dien hoofde heeft de Overheid strafbaar te stellen, wat met de Christelijke volkszeden in strijd komt.
Vanuit dit standpunt, dat overeenkomstig de Heilige Schrift is, heeft de Overheid niet alleen b.v. de openbare dronkenschap en het verspreiden van zedekwetsende geschriften, maar ook de Godslastering te bestraffen.
Zou de Overheid dit niet doen en liet zij de lasteraars van Gods naam ongemoeid hun gang gaan, dan zou dit leiden tot ondermijning en tenslotte tot vernieitiging van de Christelijke volkszeden.
Na de reformatie in de 16de eeuw tot op ongeveer het jaar 1812 was op de Godslastering straf gesteld.
Ook de Antirevolutionaire Partij heeft het altijd zoó begrepen, dat de Overheid tegenover het groote kwaad der Godslastering niet onverschillig mag staan.
Dit blijkt nader uit de conclusies, die de commissie, ingesteld door deze partij in 't jaar 1923, voor het onderzoeken der vraag of, en zoo ja, in welken geest van Overheidswege strafbepalingen tegen Godslastering en vloeken moeten worden gemaakt, in haar advies, getiteld : „Strafbepalingen tegen Godslastering en vloeken", uitbracht en waarvan het ongetwijfeld gewenscht is dat in deze dagen, waarin het vraagstuk van het misbruiken van Gods naam door de indiening van het ontwerp van wet van Minister Donner opnieuw aan de orde is gesteld, ons volk nog eens kennis neemt.
De algemeene conclusie der Commissie, welke in dit verband van groot gewicht is, luidt:
„De openlijke Godslastering, voor zoover zij het karakter draagt van een hoonen of smaden van God, behoort in de Nederlandsche Strafwet strafbaar te worden gesteld, omdat een dergelijke ontheiliging van Gods Naam een zoo krachtige inbreuk is op de goede zeden, die ten opzichte der gedraging jegens den hoogsten Souverein onder eene Christelijke natie behooren te gelden, dat de Overheid, als zijnde voor haar deel en op hare wijze handhaaf ster van Gods Wet, haar niet straffeloos mag gedoogen".
Van niet minder belang is ook de vierde conclusie van het advies :
„Het behoort tot de roeping der Overheid, op die tereinen, waar zij bijzondere zeggenschap heeft en haar dienten gevolge andere middelen tot wering van Godslastering en vloeken ten dienste staan dan algemeene strafbepalingen, van deze middelen een gepast gebruik te maken".
Uit deze beide conclusies ziet men, dat de Antirevolutionaire Partij zich rechtstreeks richt tegen de Godslastering en voorts het beginsel voorstaat, van de directe bestraffing van het kwaad.
De Minister van Justitie gaat in zijn ontwerp van wet echter een anderen weg op.
Hij is van meening, dat het Wetboek van Strafrecht dient te worden aangevuld met voorzieningen betreffende bepaalde voor godsdienstige gevoelens krenkende uitingen.
Het verschil van beide gevoelens is duidelijk.
Wij voor ons geven verre de voorkeur aan wat de Commissie uit de Antirevolutionaire Partij adviseerde, namelijk dit, dat de Strafwet zich uitsluitend heeft te richten tegen het delict van de Godslastering, dat wil zeggen : van het aanraNden van de Majesteit Gods.
Bovendien zal het tot heel wat moeilijkheden kunnen leiden om een objectieven maatstaf te vinden, of Godslasterlijke woorden, die geuit worden, wel krenkend zijn voor de godsdienstige gevoelens.
De moeilijkheden waren, dunkt ons, te ondervangen, wanneer het wetsartikel, dat thans wordt voorgesteld, vervangen werd door een ander, dat overeenkomt met de woorden, zooals het misdrijf in de toelichting op het wetsontwerp wordt omschreven. Het artikel zou dan, instede van het voorgestelde :
„hij, die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende Godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat", kunnen luiden :
„hij, die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding ter bestrijding van 't Godsgeloof den vorm kiest van een hoonen en smaden van of smalen op God".
Wij hopen, dat de Minister in dezen geest zijn ontwerp van wet alsnog zal willen herzien, opdat het duidelijk aan den dag kome dat het in de allereerste plaats te doen is om de strafbaarstelling van de Godslastering als zoodanig, d.w.z. de directe bestraffing van het kwaad.
Daarmede zal de Minister velen aan zich verplichten.
AAN DE KAAK GESTELD.
De Zuid-Hollander, het Christelijk Historisch weekblad, stelt in zijn nummer van 23 Mei de politiek der Staatkundig Gereformeerden, zooals deze bij de laatste Statenverkiezing gevoerd werd, en die meer geleek op een succèspolitiek dan op een beginselpolitiek, op niet maïsche wijze aan de kaak.
Na herinnerd te hebben aan de passus uit De Banier van 17 April 1931 :
„Alles diene dan ook ingespannen te worden om ook in de Staten mannen te verkiezen, die de beginselen van Gods Woord uitdragen. Helaas, met de waarachtige beginselen werd al te zeer gespeeld. Welk een verwaterde politiek is jaren lang door de rechterzijde gevoerd! ; De christelijke vlag moest daarbij de lading dekken. Met Rome in den arm verzaakte men al meer en meer het standpunt der gezegende Reformatie. Onder de leuze van „gelijk recht voor allen", ging het zelfs zoo ver, dat met de stemmen der Anti-Revolutionairen en Christelijk Historischen subsidies verleend werden aan Roomsche instellingen enz.",schrijft De Zuid-Hollander:
Er ligt een climax in dit betoog. „Zoover is het gekomen, zoo groot was de dwaling, dat ook aan Roomsche instellingen subsidies werden verleend".
Dit betoog, men lette er wel op, heeft betrekking op de Statenverkiezing.
Nu hebben wij eens aan de hand van de officieele stukken nagegaan, in hoeverre deze beschuldigingen correctie of aanvulling behoeven.
En het is inderdaad interessant, de resultaten daarvan mede te deelen.
Laten wij voorop mogen stellen, dat de Christelijk Historischen en Antirevolutionairen bij herhaling medegewerkt hebben aan besluiten op grond waarvan aan Roomsch - Katholieke instellingen gelden uit de provinciale kas worden uitbetaald. Zoo werd bij besluit van 27 November 1928 vastgesteld, dat aan de St. Nicolaas-Vereeniging te Rotterdam, die zich bezig houdt met de huisvesting van Roomsch-Katholieke school gaande schipperskinderen, ƒ0.75 subsidie per verpleegweek uit de provinciale fondsen zal worden verstrekt.
Een subsidie, als hierboven door de Staatkundig Gereformeerden verfoeid.
Maar wat blijkt nu nog meer ? Dat alle Staatkundig Gereformeerde Statenleden, te weten de heeren Kersten, Van Houdt, Bergshoef en Mast, in de Statenvergadering aanwezig waren èn zich nóch tegen het besluit hebben verzet, nóch daartegen hebben gestemd ! Ja, zonder uitzondering, zonder verzet — zelfs vóór dit subsidie waren.
En dit geval staat niet op zich zelf.
Men zou zich er dan misschien nog uit kunnen redden door te zeggen geslapen te hebben.
Wij noemen een ander geval. 5 Juni 1929. Aan de afdeeling Lisse van de Hanze, de Roomsch-Katholieke Vereeniging van den handeldrij venden en industriëelen middenstand in het Bisdom Haarlem, wordt door de Staten ten behoeve van haren handelsavondcursus te Lisse een subsidie uit de provinciale middelen verleend.
Wie werkten o.m. aan het verleenen van dit subsidie mee ? Alle vier de Statenleden, behoorende tot de Staatkundig Gereformeerde Partij !
Al weer zonder één woord over de zaak te zeggen, zonder eenig verzet; van harte dus !
11 December 1929. De Staten besluiten aan de afdeeling 's-Gravenhage der Nederl. Roomsch - Katholieke Centrale Vereeniging ter bescherming van meisjes, een subsidie te verleenen in de kosten van de verzorging van gevallen meisjes en de bestrijding der zedeloosheid.
De Sociaal Deinocraten verzetten zich op practische gronden tegen dit voorstel en vroegen stemming.
Wie steunden o.m. Gedeputeerde Staten en verklaarden zich vóór de steunverleening aan deze Roomsch Katholieke Vereeniging ? Het waren de heeren Bergshoef, Van Houdt en Kersten, de aanwezige Staatkundig Gereformeerde leden.
Wij nemen nog een voorbeeld uit de vele. In de vergadering van 27 Juni 1927 wordt gedebatteerd over de vraag of er wel aanleiding bestaat om aan den Roomsch Katholieken Bond, die zich bezig houdt met de geitenfokkerij, afzonderlijk een subsidie te verleenen.
Wie zwegen in dit debat ? Natuurlijk de Staatkundig Gereformeerden. En zij stemden alweer niet tegen dit subsidie ! Genoeg.' Het zal na deze voorbeelden nu toch wel duidelijk zijn wat de hierboven geciteerde woorden uit De Banier te beteekenen hebben. Uit een en ander blijkt zonneklaar, dat als gewaarschuwd moet worden tegen 't verleenen van subsidies aan Roomsche instellingen, zulk een waarschuwing in den mond van den heer Kersten en de zijnen volmaakt misplaatst is. Zijn volgelingen in de Staten van Zuid-Holland hebben zonder uitzondering de gruweldaden bedreven, waartegen hij zoo te keer ging.
En de eerlijkheid gebiedt, dat hij zulks den kiezers óf ronduit had medegedeeld öf de erkentenis had gedaan, dat wat ten aanzien van dit punt steeds verkondigd is, larie is en niet anders.
Maar instede van zulks te doen, wordt met vrome woorden de waarheid verdoezeld.
Wij lieten het geheele artikel van De Zuid-Hollander hierboven afdrukken omdat in de feiten, die het blad noemt, duidelijk uitkomt op welk een onware wijze de Staatkundig Gereformeerde leiders het volk voorlichten.
Het kan haast niet erger.
*) Het vet gedrukte van het Christelijk Historisch weekblad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's