KERKELIJKE RONDSCHOUW
GEEST TEGEN GEEST.
Als de Heilige Geest wordt uitgestort is ook de onheilige geest, de geest der zonde en der ongerechtigheid, de geest der wereld en des satans present. Zooals de duivel zich bizonder roert en inspant als de Heiland Zelf op aarde komt, om arme zondaren met God te verzoenen en een zondig volk uit een booze wereld uit te rukken — zoo is de onheilige geest, de geest uit de hel aanstonds werkzaam wanneer de Gods-Geest uit den hemel nederdaalt, om hier op aarde uit te rukken uit de duisternis en over te zetten in Gods wonderbaar licht; om hier een volk te verwekken, dat des Heeren deugden zal gaan verkondigen.
Geest tegenover Geest. Hoort maar hoe de zonde geest den Heiligen Geest aanstonds bespot en hoont en lastert, zeggende : deze die daar spreken zijn dronken van wijn.
De taal des Heiligen Geestes, om de werken Gods te roemen en Christus te prediken, wordt lasterlijk en spottend genoemd: dronkenmanstaal.
Wie heeft het ooit gehoord, dat dronken menschen Godlovers zijn en predikers van het Evangelie des kruises ? Natuurlijk niemand, 't Is dan ook pure dwaasheid zooiets te zeggen.
Maar 't wapen van den spot wordt gehanteerd om God en Christus te hoonen en den loop van het Evangelie tegen te staan.
Ook in onze dagen zien we weer : Geest tegenover Geest. De Heilige Geest en de on-heilige geest. De Geest Gods en de geest uit de hel, de geest des satans.
Of gaat het in Rusland niet geest tegenover Geest ?
En gaat het in Spanje niet geest tegenover Geest ?
Voor ons liggen een paar „plaatjes uit de courant". Het zijn kerken en kloosters die door de communisten in Spanje in brand gestoken zijn.
En zeker, daar zou over die kerken en over die kloosters, over de Roomsche Kerk en godsdienst, over priesters en monniken, bizonder over de Jezuïeten in Spanje te praten zijn, of er wellicht niet allerlei oorzaak gevonden kan worden, dat 't volk, nu 't los komt, tegen de Kerk en de kloosters te hoop loopt. Maar dat neemt niet weg, dat het weer openbaar wordt dat geest tegenover Geest staat. En als de Communisten in Spanje kerken en kloosters in brand steken, telegrafeeren de Communisten in Rusland en wenschen hun partijgenooten in Spanje geluk.
De geest uit den afgrond is internationaal en gaat door alle landen.
naal en gaat door alle landen. Gelukkig, dat de Heilige Geest is uitgestort en over de grenzen der volken gaat, van werelddeel tot werelddeel, om ook de wildste volkeren te bezoeken met heil.
Wat is het kleine groepje Godsgetuigen uitgebreid !
Wat is de werking van den Heiligen Geest geducht en heerlijk !
En gelukkig, wanneer de Kerk des Vaderlands een draagster van het heilig Evangelie mag zijn en een gezant van Christus' wege, om te spreken van verzoening en zaligheid, van verlossing en heil.
Laat onze bede moge zijn en meer en meer worden : „Zend, Heere, Uw licht en Uw waarheid neder" !
DE AANSTAANDE CLASSICALE VERGADERINGEN.
Wij zijn niet zóó geestelijk, dat we de natuurlijke dingen verachten. Wegen en middelen hebben we te gebruiken in den Heere. Ook voor ons kerkelijk leven, dat gelukkig nog niet dood is. Van alle, kanten is er beweging en belangstelling voor het kerkelijk leven. Wie 't niet hoort, is doof, wie het niet ziet is blind. Maar de hoorenden en de zienden zullen nu moeten acht geven, want het is alles geen goud wat er blinkt, en alles wat zich roert is nog geen bewijs van waarachtig leven en van gezegende belangstelling.
Heel veel zullen we niet kunnen beginnen op onze a.s. Class.Vergaderingen, want achter die kerkelijke vergaderingen, die ons nog het meest sympathiek zijn, staat de Synode, die gedurende een paar jaar wel op het allerongelukkigst is samengesteld. De modernen voelen zich, doordat de afvaardiging in sommige provincies hun gunstig is. En die het wél met onze Hervormde Kerk meent verwacht niets van de vrijzinnigen. Niets dan kwaads voor onze Kerk. En daarom moeten we dubbel opletten nu en dubbel waakzaam zijn en dubbel voorsichtig ons gedragen, allen die één zijn in de Christus-belijdenis en allen die saam begeeren, dat de Kerk onzer Vaderen weer als een Christus-belijdende Kerk zal komen staan in het midden des volks.
De Vrijzinnigen en sommige Ethischen willen weer komen met een Voorstel van een Modus-Vivendi, om de Kerk maar onderling tusschen de partijen te verdeelen. Een vrijzinnige Kerk — een ethische Kerk — een confessioneele Kerk — een gereformeerde bonders Kerk — en dan maar ieder op eigen risico. Waarom die tegenstrijdige bestanddeelen dan bij elkaar moeten blijven in één „naamlooze-vennootschap tot bevordering van godsdienstige en zedelijke belangen", zegt men niet.
En hoe men in de gemeente precies uit elkaar zal halen die vrijzinnig, ethisch, confessioneel, gereformeerd zijn, heeft men ook nog niet kunnen aangeven. Wat gelukkig ook onmogelijk is. Zijn er niet honderden, ja, duizenden, door héél de Hervormde Kerk gerekend, die onmogelijk in een loket je kunnen worden gezet ? En voor al wanneer men de families en de gezinnen dan in verschillende „Kerken" wil brengen, zal men kwaad werk gaan doen. We moeten geen dominees-kerken hebben, die zich groepeeren rondom een voorganger. De Heere geeft ons aanschouwelijk onderwijs, dat de ellende dan met den dag grooter wordt. Het vleesch zit dan op den troon en de mensch deelt de lakens uit. En het gaat van kwaad tot erger ; zoowel onder de vrijzinnigen — als onder de ethischen, alsook onder de confessioneelen en de gereformeerde bonders.
In de Kerk des Heeren moet het anders toegaan.
En daarom hebben we wel acht te geven ! Men wil een soort evenredige vertegenwoordiging. Elke groep, elke richting, elke partij evenveel „rechten" en dan „zelfstandig". De Kaïnsleuze : „ben ik mijns broeders hoeder ? " — doet weer opgeld.
En zoo wil men de Kerk verdeelen door partijschap.
Gelukkig dat de groote meerderheid van de belangstellende leden der Kerk, zoowel onder de ethischen, de confessioneelen en de gereformeerde bonders er niets van weten wil. Men verlangt naar een Kerk, die den Christus belijdt en die weer in 't midden van het volk komt staan om te belijden, om te prediken, om te leeren wat voor de ongelukkige wereld tot zegen kan zijn. En dan niet in eindelooze reeks van partijtjes, maar als Kerk, die een opdracht heeft ontvangen; en wel de op dracht : predikt het Evangelie, hier en overal, tot aan de uiterste einden der aarde.
Vooral de vrijzinnigen zijn de laatste jaren, door de onevenredig sterke vertegenwoordiging die zij in de hoogere besturen, met name in de Synode hebben, overmoedig geworden. En zij stelden zich aan, als of zij de machthebbers der Kerk waren.
Dat begint nu gelukkig weer iets anders te worden. Hun buitengewoon armelijk kerkelijk leven en hun onderlinge verdeeld heid gaat hun parten spelen en het blijkt daadwerkelijk, dat zij niets vermogen.
Ja — hun zetels in de besturen, hun buitensporig sterke vertegenwoordiging in de Synode, daarmee moeten we rekening houden. Maar hun macht en invloed in de Kerk zelve is buitengewoon gering. En als er een tijd geweest is dat het nog wat scheen, dan is het nu een tijd, dat hun onmacht van alle kanten uitkomt.
Dat is niet om onze tegenstanders te onderschatten — wat altijd dwaas is.
Maar dat is eenvoudig, het constateeren van een feit.
Dat roept ons te meer, om acht te geven en te doen wat onze hand vindt om te doen in het belang — niet van het partijwezen, maar in het belang van de Hervormde Kerk, als belijdende Kerk, hebbende haar positief Christelijke belijdenis, de belijdenis van 't Gereformeerd Protestantisme.
En velen, die nu buiten de Hervormde Kerk leven, zien uit, verlangen naar het oogenblik dat zij als belijders van den Christus der Schriften, staande op den bodem van de belijdenis der Vaderen, tot de Vaderlandsche Kerk kunnen en mogen terugkeeren, om daar te wonen, waar de Heere Zelf Zijn zegen wil gebieden.
De verscheurdheid der Kerk in het midden van ons Vaderland moet ons tot droefheid zijn. En daarover moet gesproken worden.
Ook op de komende Classicale Vergaderingen.
De natuurlijke en noodzakelijke scheiding tusschen Kerk en niet-Kerk moet aanvaard. Wat gescheiden is kan en mag niet vereenigd worden. Tenzij men zich leert wenden tot den Christus Gods in den weg der bekeering en des geloofs zal tegenover elkaar staan, wat niet bij elkaar hoort.
Maar als gescheiden ligt en verscheurd is, wat één behoort te zijn, dat moet ons tot droefheid wezen, omdat het zonde voor God en voor de menschen is.
En uit den weg geruimd moet worden, wat de éénheid der Kerk van Christus in den weg staat.
Gods eer is er mee gemoeid en de zegen voor de wereld, voor land en volk hangt er ten nauwste mee samen.
(Wordt voortgezet).
GEESTELIJK-VLEESCHELIJK.
Misverstand ligt altijd voor de deur. En als men in den weg van het misverstand dan voortholt weet men waarlijk niet waar men belandt. Dê ergste dingen zijn dan te vreezen. Daarom is het noodig telkens een halt te laten hooren in den naam van Christus en op gezag van Gods Woord.
Wanneer Paulus in geestelijke „hoogspanning" is, geestelijk volgeladen aangaande de ontfermende genade Gods in Christus en Zijn allesomvattende liefde tot verlossing van een afgevallen en zondige wereld, dan roept de geestelijke Paulus uit: God onze Zaligmaker wil dat alle menschen zalig worden en tot kennis der waarheid komen" 1 Tim. 2 : 4.
Iets wat Petrus in zijn 2den brief aldus uitdrukt: „De Heere vertraagt de belofte niet, maar is langmoedig over ons, niet willende dat eenigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekeering komen." 2 Petr. 3 vers 9.
Dat is hoog-geestelijk! Dan zien de Evangelieverkondigers, dat de Heere langmoedig is en den dag des oordeels nog uitstelt (Petrus' brief), om al Zijn kinderen, van alle tijden en van alle eeuwen, toe te vergaderen tot de kennis der verzoening en zaligheid, opdat het huis vol worde met allen, die de Heere van eeuwigheid kent. Dan zien de Evangelieverkondigers, dat er voor den Heere geen aanneming des persoons is, en dat alle menschen voor den Heere gelijk zijn ; dat geen Jood recht heeft om te zeggen, dat de heiden niet kan zalig worden; dat geen arme recht heeft om te zeggen, dat de rijke niet kan zalig worden enz. God wil dat er gepredikt en gebeden zal worden (1 Tim. 2) voor alle menschen, want God wil dat van allerlei soort menschen, zonder uitzondering, zullen zalig worden; Hij sluit ggen enkel soort van menschen uit. Het trotsche vleesch dat altijd met berekeningen komt wordt hier beschaamd ; heiden en jood, man en vrouw, arme en rijke, koning en onderdaan — ze zijn allen voor den Heere gelijk en in Jezus Christus is voor allen een genoegzame Borg geschonken. „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven", zegt de Heiland, Die Zijn arpien uitbreidt en zegt: „wendt u tot Mij, gij einden der aarde, want waarom zoudt gij sterven ? "
Maar het geestelijke wordt zoo gemakkelijk vleeschelijk gemaakt en dan holt men vleeschelijk met de geestelijke dingen voort in een vleeschelijken weg, waarbij dan alles wat zoo mooi is, weer bedorven wordt.
De vleeschelijke mensch benadert de geestelijke dingen aangaande de liefde Gods en de zaligheid in Christus voor allerlei soort menschen zoo vleeschelijk — en zoo verkeerd — als hij vleeschelijk gaat leeren: de algemeene verzoening. Dan wordt het vleesch op den troon gezet en dan worden alle menschen zalig gesproken. Wat niet anders dan op een groote mislukking en eeuwige teleurstelling kan uitloopen voor velen, die roemen in het vleesch en weigeren zondaar voor God te worderi en weigeren zich te bekeeren en te komen tot het geloof. Den Zoon ongehoorzaam zijnde spreekt men dan toch van den weg der zaligheid. En dat is het onderstboven storten van de heerlijkste geestelijke dingen, die in Christus, voor een arm zondaarsvolk tot barmhartigheid, vrede en zaligheid zijn.
Zoo kan men — om iets anders te noemen — in de Heilige Schrift telkens lezen, dat allen die in Christus Jezus hun Borg en Middelaar mogen kennen gelijk zijn ; dat ze allen één zijn; dat er geen onderscheid is. Zoo schrijft Paulus : „Gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Jezus Christus - daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije ; daarin is geen man en vrouw ; want gij allen zijt één in Christus Jezus" (Galaten 3).
Weer datzelfde, dat, geestelijk opgevat en geestelijk gehouden, zoo heerlijk getuigt van de algemeenheid, van den rijkdom van Gods ontfermende genade en liefde in Jezus Christus gaande over allerlei soort van menschen. Van alle natiën, uit alle rangen en standen der maatschappij wil Jezus Christus brengen tot kennis der zaligheid. Geen enkel mensch behoeft te zeggen, dat hij of zij niet kan zalig worden. Want bij den Heere is geen aanneming des persoons. Geen vrouw staat achter bij den man, geen onderdaan bij den koning. „Want gij allen zijt één in Christus Jezus" (Gal. 3).
Aan die heerlijkheid denken we weer op het Pinksterfeest. De Heilige Geest is uitgestort om te komen over alle vleesch. Geen neger, geen kaffer staat ten slotte achter bij een blanke. Geen vrouw bij den man. Jongelingen en maagden — in Christus geen onderscheid !
Maar nu zou het toch weinig geestelijk zijn, om vleeschelijk dóór te redeneer en en te gaan zeggen, dat b.v. nu een christendienstbare geen dienstbare meer behoefde te zijn in het huis van een christen-heer of in de huishouding van de christenvrouw. Want in Christus worden de standen en rangen in de maatschappij niet opgeheven; de natuurlijke verhoudingen blijven en moeten blijven ; alleen zullen ze geheiligd moeten worden „in den Héere". Maar de patroon blijft patroon, de vrouw des huizes blijft meesteres en de dienstknecht en de dienstmaagd zullen om des Heeren wil hun plaats moeten weten als ondergeschikten, terwijl de heer en de vrouw om 's Heeren wil hun plaats moeten weten, om te besturen en te bevelen en te regeeren.
De natuur wordt niet opgeheven.
Zoo mag men ook niet zeggen : de vrouw en de man zijn twee zelfde wezens geworden, nu er in Christus noch man noch vrouw is. Want door het geestelijke mogen we toch de natuur geen geweld aandoen ? De vrouw is vrouw en moet vrouw blijven, de man is man en moet man blijven, al zijn ze geestelijk voor God gelijk en is er geestelijk voor den Heere geen onderscheid des persoons. Maar de Heere doet Zijn schepping, doet de natuur en de natuurlijke orde geen geweld aan !
De vraag hoe wij als geestelijke menschen tegenover de natuur moeten staan, tegenover het gewone leven en de levensverhoudingen, is altijd door de Dooperschen anders aangevoeld dan door de Gereformeerden.
Maar het is een vraagstuk, dat van de eerste dagen der Christelijke Kerk af bestaat. Leest de brieven van Paulus maar ! Hoe moesten de kinderen Gods in 't midden van de gemeente des Heeren staan tegenover de natuurlijke dingen, tegenover hun beroep, hun arbeid, hun gezin, de maatschappij, de wereld met al haar eischen ?
Moesten zij als „geestelijke" menschen zóó gaan staan tegenover de gewone, aardsche, wereldsche dingen, dat zij zich geen van deze dingen aantrokken en zich van al deze dingen losmaakten ?
Mocht een „geestelijk" mensch zeggen : ik bemoei mij niet met mijn werk, met mijn land, met mijn zaak, met mijn vrouw, met mijn kinderen — want ik ben een „geestelijk" mensch, die moet zoeken de dingen die boven zijn en niet de dingen die op aarde zijn ? Moest hij onverschillig zijn voor eten en drinken en kleeding ? Moest hij, met het oog op de wederkomst van Christus b.v. zich losmaken van alles en maar niet werken, afwachtende de ure, dat Jezus zou komen op de wolken ten oordeel ?
Er waren wel „geestelijke" menschen — naar 't oordeel der liefde voor echte kinderen Gods te houden ! — die zoo oordeelden en zoo deden. Maar dan doet Paulus — denkt maar aan de brieven aan de Thessalonicensen — veel moeite om die „ongeregelden" in het .midden van de gemeente van Christus te vermanen. En de opzieners moesten zich met deze menschen inlaten en hen waarschuwen. En ze moesten tot andere gedachten en andere levens practijken gebracht worden ; want anders moesten ze — broeders en zusters zijnde _-„geteekend" worden. Men moest met deze menschen „voorzichtig" zijn ! Geestelijke menschen zijnde, dwaalden ze toch door vleeschelijke en zondige overleggingen. Het over-geestelijke werd vleeschelijk en gevaarlijk !
Een moeilijk vraagstuk is het: hoe de verhouding van het geestelijke en van het natuurlijke moet zijn.
Als geestelijke menschen de natuur en de natuurlijke dingen en het natuurlijke leven verachten, is het niet goed. Als een geestelijk mensch niets zou geven om z'n werk, om z'n eten en drinken, om z'n kleeding, om z'n huis, om z'n vrouw en kinderen, om hetgeen het leven biedt — dan zou dat geheel en al verkeerd zijn. Dat moet dan berispt en bestraft worden, want het is onnatuurlijk. .Het loopt dan ook verkeerd met zulke menschen En daarom moeten we waken en bidden, dat we niet in deze verkeerde, zondige verhouding komen in ons leven. De natuurlijke dingen worden voor geestelijke menschen niet opgeheven. Ze moeten wel degelijk hun houding tegenover de natuurlijke dingen bepalen als geestelijke menschen. En ze moeten trouw zijn ook in het natuurlijke, om dankbaar te gebruiken wat het leven ons naar Gods bestel biedt. De Heere maakt Zijn kinderen niet los van de natuur. De natuur blijft. En als geestelijke menschen moeten we de natuurlijke dingen niet verachten, maar gebruiken „in den Heere", Naar twee kanten dreigt hier altijd gevaar.
Het gevaar, dat geestelijke menschen de natuur verachten. Dat is zonde. Maar anderzijds, dat geestelijke menschen de natuurlijke dingen zóó gebruiken, dat ze in de natuurlijke dingen opgaan. En dat is verachteren in de genade. Dat is verarmen naar den geest. Dat is zonde.
De weg des Heeren ligt dus hier in het midden : niet de natuurlijke dingen verachten, niet de natuurlijke dingen overschatten, maar als geestelijke menschen de natuurlijke dingen gebruiken „in den Heere", Hem, den goeden Gever, met een dankbaar hart eerend bij al de goede gaven en volmaakte giften.
De Dooperschen stonden zóó tegenover het wereldleven, dat zij als geestelijke menschen zich met de wereld niet bemoeiden. De wereld was de wereld en ze zagen er niet naar om. Ze vormden een afzonderlijk volkje in het midden van een wereld, die toch verworpen en verloren was. Als een oliedrop op het water, zoo waren de geloovigen in verhouding tot de wereld. Dat is nooit de beschouwing van de Gereformeerden geweest. Die hebben natuur en genade nooit zóó tegenover elkaar gezet, dat zij door genade de natuur verachtten en links lieten liggen, om zich van de wereld af te scheiden en een apart volkje te vormen.
De Gereformeerden gebruikten niet het beeld van den oliedrop op 't water ; maar een geheel ander beeld en wel het beeld van het zout der wereld !
Genade en natuur staan niet zóó tegenover elkaar, dat de genade de natuur veracht, maar dat de genade de natuur komt heiligen.
Alles in den dienst des Heeren te stellen is het geestelijk ideaal der geloovigen.
Als geestelijke menschen de natuur niet verachten, als geestelijke menschen niet in de natuur opgaan, maar als geestelijke menschen alles gebruiken naar de orde des Heeren, om alles te stellen in Zijn dienst en alles te gebruiken tot eere Zijns Naams.
Daartoe is ook de uitstorting van den Heiligen Geest om Gods gemeente daartoe te heiligen en te bekwamen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's