Bond van Ned. Hervormde Meisjesvereenigingen op Gereform. grondslag.
De Vijfde Bondsdag.
Het eerste Lustrum.
Op Hemelvaartsdag werd te Utrecht in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen de jaarvergadering gehouden van bovengenoemden Bond. Ongeveer 600 leden waren bijeen, toen ruim half elf de vergadering werd geopend door de presidente, mevr. Van der Wal—Van Walsum te Wageningen. Na het zingen van Psalm 47 vers 1 en 3 en het lezen van Handelingen 1 vers 1—12, ging de Presidente voor in gebed. Na een welkomstwoord tot de leden en enkele afgevaardigden van andere bondsorganisaties gericht te hebben, werd een kort woord van deelneming gewijd aan het bestuurslid A. Hakkert, dat door ongesteldheid nu reeds voor de tweede maal verhinderd was den Bondsdag te bezoeken.
Waar deze periode van vijf jaren doet terugzien, werd in het kort gememoreerd hetgeen was voorbijgegaan. Daarna stond spreekster stil bij het feit van Hemelvaart en bracht deze gedachte naar voren : „deze Jezus zal alzóó komen gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien henenvaren".
Na dit inleidend woord werden enkele felicitaties voorgelezen, namelijk van den Ned. Hervormden Knapenbond op Gereformeerden grondslag en het Ned. Verbond van Meisjesvereenigingen, benevens van enkele belangstellenden, waaronder de vorige Presidente, mevr. Luteijn, van Vlaardingen.
De verschillende jaarverslagen gaven gunstige berichten te hooren. Het aantal afdeelingen was in dit verloopen bonds jaar geklommen van 60 op 67 met ± 1800 leden, terwijl verschillende vereenigingen gereed staan om toe te treden. Het Bondsorgaan „De Kandelaar", dat eens per maand verschijnt, heeft ruim 1000 abonnementen.
Alvorens het Bondslied te zingen, werd mededeeling gedaan van een telegram, dat gezonden zal worden aan het afwezige bestuurslid, tevens dichteres van 't Bondslied.
Na de bestuursverkiezing werden de vereenigingen te Zeist, Renkum, Sprang en Gouda bij acclamatie toegelaten tot den Bond. Na het zingen van enkele liederen door een koortje, gevormd uit de Utrechtsche afdeelingen, ontving mej. van Willigen, van Rotterdam, 2de Presidente, het woord tot het houden van haar referaat : „Verantwoordelijkheid". Zij verdeelde haar onderwerp in drie deelen : verantwoordelijkheid als opgelegde plicht; toegestane gunst en verleende genade.
Aan de hand van de Scheppingsorde werden deze gedachten nader ontvouwd. Met het zingen van Psalm 103 vers 1 werd de morgenvergadering gesloten.
Na de pauze was de geachte spreker van de middagvergadering, ds. Meijers, van Utrecht, ter vergadering gekomen. De afgevaardigden van den Bond van Gereformeerde Meisjesvereenigingen in Nederland en van den Ned. Hervormden Bond van Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden grondslag, brachten allereerst hun gelukwenschen over. Vervolgens kreeg ds. A. Meijers het woord tot behandelen van het onderwerp : „Opdat wij niet te eeniger tijd doorvloeien". Uitgangspunt was Hebr. 2 vers 1 : „Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eeniger tijd doorvloeien".
Het wordt een gevaar genoemd dat we onder de oogen hebben te zien en een middel wordt aangewezen om dit gevaar te ontgaan.
't Gevaar waarvoor gewaarschuwd wordt bestaat hierin, dat we te eeniger tijd doorvloeien. Hierin ligt wel het beeld besloten van een schip, dat door de stuwing der golven wordt meegesleurd, aan een vaste ankerplaats of aan een veilige reede voorbij, om in de diepte onder te gaan. Zoo loopen èn de eerste lezers van den brief, èn wij, gevaar om door den tijdstroom te worden meegevoerd en aan de rots des heils en aan de haven des behouds voorbij te stroomen. De stroom des tijds, die door deze wereld heengolft, staat immers in het teeken der Godvervreemding. Maar naast dit algemeene heeft ieder tijdvak zijn eigen karakter, waardoor dit op een bijzondere wijze uitkomt. Daar hebben we ons rekenschap van te geven, waaraan echter groote moeilijkheden verbonden zijn, omdat we dan voor een complex van verschijnselen komen te staan. Er is dikwijls een bovenen onderstrooming, stroom en tegenstroom. Maar ook de stroom van onzen tijd gaat aan de rots des heils voorbij en er is gevaar van doorvloeien op allerlei terrein.
Dit wordt verduidelijkt door verschillende voorbeelden van maatschappelijken, zedelijken, religieuzen en zelfs kerkdijken aard. Dit alles oefent nu invloed op ons uit, als kinderen van dezen tijd. Verschillende factoren maken 't gevaar van doorvloeien des te grooter, als b.v. de publieke opinie, omgang met anderen, en vooral de geweldige bekoring die de wereld op ons uitoefent, inzonderheid voor de jeugd met haar drang tot vooruitgang, idealisme en overmoed.
Daartegenover wijst de schrijver van den brief een middel aan om dit gevaar te ontloopen. We hebben ons te houden aan hetgeen van ons gehoord is. Dit komt neer op wat het Woord Gods aan ons verkondigt.
Daaraan hebben we ons te houden, door het Woord te onderzoeken, er acht op te geven, eraan te hangen en het te betrachten. Dit moet geschieden tot ons behoud en om een zeker verderf te ontgaan. We vloeien zoo ongemerkt te eeniger tijd door. En we moeten ons des te meer daaraan houden, omdat de doorluchtige Majesteit van Christus ons in Zijn Woord tegenkomt. Dat voorrecht maakt onze verantwoordelijkheid des te grooter, maar als we door genade ons mogen houden aan hetgeen van ons gehoord is, zullen we niet doorvloeien, maar ons eigen behoud vinden, invloed ten goede op onze omgeving oefenen en bovenal de eere van onzen Koning bevorderen.
Na dit ernstig woord, hetgeen met aandacht werd aangehoord, werd na het zingen van enkele liederen, het slotwoord door de Presidente uitgesproken. Zij sprak den wensch uit, dat bij alle leden veel gebed moge zijn voor het welzijn van den Bond. Een woord van afscheid werd gericht tot de aftredende Secretaresse mej. Van Dijk, van Kampen, en tevens een woord van welkom gericht tot het nieuw gekozen bestuurslid mevrouw Mulder—Rupke, van Voorthuizen.
Met moed en vertrouwen worde 't nieuwe bonds jaar aangevangen, aldus de Presidente. De verantwoordelijkheid van allen is weer grooter geworden. Zij het eveneens 't geval met de liefde tot onze organisatie. Tenslotte eindigde ds. Meijers den Bondsdag met dankgebed. Zeer zeker mag met dank aan den Heere voor genoten zegen op deze vergadering worden teruggezien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's