SCHRIFT VERKLARING
ROMEINEN 9 vers 6—13. Doch ik zeg dit niet, alsof het Woord Gods ware uitgevallen. Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn; noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen, maar: In Isaak zal u het zaad genoemd worden : dat is, niet de kinderen des vleesches, die zijn kinderen Gods ; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend. Want dit is het woord der beloftenis : Omtrent dezen tijd zal Ik komen, en Sara zal een zoon hebben. En niet alleen deze, maar ook Rebecca is daarvan een bewijs, als zij uit eenen bevrucht was, namelijk Isaak onzen vader. Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de" werken maar uit de roepende, zoo werd tot haar gezegd : De meerdere zal den mindere dienen ; gelijk geschreven is : Jacob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat.
Neen, 't feit, dat zoo velen van het zaad van Jacob van den Messias niet wilden weten, mag in geen geval worden aangehaald als een bewijs, dat het Woord Gods zou zijn uitgevallen. Wel had de Heere beloofd aan Abraham, dat Hij een God van zijn zaad zou wezen. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen, dat dit moest gelden van al de nakomelingen van Abraham, hoofd voor hoofd.
Al de Israëlieten hebben stellig genoten van de zegeningen, die God aan Abraham in zijn nakomelingen beloofd had. Althans voor het uitwendige. Maar dat beteekent niet, dat al die Israëlieten nu ook deel hebben gehad aan de geestelijke, eeuwige zegeningen in Christus Jezus.
Zoo is het toch eigenlijk ook bij ons in dezen tijd. We kunnen toch maar niet meer alle gedoopten en al degenen, die belijdenis des geloofs aflegden, houden voor ware kinderen Gods. Wat valt er veel weg voor het snoeimes van den wijngaardenier, wat geen vruchthout bleek te wezen. In de geschiedenis van Abraham zelf bleek dit reeds duidelijk. Ismaël en Isaak waren beiden kinderen Abrahams. En toch, alleen in Isaak werd hem het zaad genoemd. Ismaël moge vele uitwendige zegeningen hebben genoten, in Abrahams tent, ook zelfs later moge de Heere hem in het aardsche gezegend hebben om Abrahams wil, de geestelijke zegeningen blijven echter nederdalen op Isaak en diens nakomelingen. Isaak toch was het kind der belofte, hem op hoogen ouderdom naar des Heeren woord uit de verstorvene moeder Sara geboren. Ismaël was slechts het kind, in den weg van vleesch en bloed geboren.
Maar nu zou iemand kunnen zeggen, dat er voor de uitdrijving van Ismaël bij Abraham gegronde motieven bestonden. We lezen toch, dat Ismaël op den dag, waarop Isaak werd gespeend, dit kind der belofte heeft bespot. Hij haatte Isaak; hij was er zich goed van bewust, dat hij sedert de geboorte van Isaak van de eerste plaats naar den achtergrond was verdrongen. Hagar en Ismaël hebben het kind der belofte gehaat. Men zou dus met eenigen schijn van recht hebben kunnen meenen, dat de verwerping van Ismaël niet in de vrijmacht Gods, maar in diens goddeloos karakter was gelegen.
Daarom neemt Paulus een ander voorbeeld. Hij denkt aan Jacob en Ezau, beiden zonen van éénzelfde moeder, Rebecca. En nog wel tweelingen !
En wat lezen we nu van deze beide broeders ? Toen deze kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, zoo werd door God tot Rebecca gezegd : de meerdere zal den mindere dienen.
Er was vóór de geboorte bij deze beide zonen geen sprake van meerdere verdienste van den een boven den ander.
Geen sprake van een vooruitzien op de werken, die door hen in de toekomst zouden worden bedreven. Het was alleen, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den roepende.
Met de aanhaling uit Maleachi 1 vers 2 en 3 : Jacob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat, wil Paulus de waarheid bewijzen van het woord, dat eens tot Rebecca gesproken is. Juist in de dagen van Maleachi bleek zoo duidelijk de liefde Gods jegens het Israël van de ballingschap. Israël mocht wederkeeren en Jeruzalem werd herbouwd, maar Ezau's landpalen bleven eene verwoesting.
Het is te begrijpen, dat men van Remonstrantsche zijde altijd velerlei poging heeft gewaagd om aan de consequenties van deze uitspraak te ontglippen. Men gaf dan wel toe, dat hier sprake was van Gods vrijmacht in Zijne beschikking over het welzijn der volkeren, maar men wilde dit losgedacht hebben van hunne eeuwige bestemming.
Wij voor ons kunnen het niet anders bezien of dit Schriftgedeelte laat ons ook duidelijk zien, dat God ook in de redding van zondaren handelt naar den raad Zijner verkiezende genade.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juni 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's