STAAT EN MAATSCHAPPY
DE LEGENDE
Het is een algemeen bekend feit, dat ten aanzien van het lager onderwijs de sympathieën van ons volk meer uitgaan naar de bijzondere dan naar de openbare school.
Dit Feit wordt in het laatst verschenen verslag, dat is van 1927—'28, van den staat van het onderwijs opnieuw bevestigd.
Werden de openbare scholen op 31 December 1927 bezocht door 473206 leerlingen, bij de bijzondere scholen stond dit cijfer op denzelfden datum op 644820 leerlingen.
Daarbij is het verschijnsel opmerkelijk, dat, terwijl bij het bezoek van de bijzondere school een toenemenden groei valt waar te nemen, bij dat van de openbare school juist het tegenovergestelde is te constateeren. Zelfs loopt het aantal leerlingen, dat de laatstgenoemde school bezocht, op beduidende wijze terug.
Zoo vinden wij in hetzelfde onderwijsverslag vermeld, dat in den loop van het jaar 1927 't aantal scholieren bij het openbaar onderwijs met 6885 jongens en meisjes verminderde, en daartegenover de schoolbevolking bij het bijzonder onderwijs met 26873 leerlingen klom.
Intusschen komt het cijfer der leerlingen van de openbare school in nog ongunstiger verhouding te staan, wanneer daarbij de jaarlijksche toename der bevolking in aanmerking wordt gebracht.
Dat de voorstanders der openbare school dit proces met leede oogen gadeslaan, is te begrijpen. En ook is het alleszins verklaarbaar, dat deze menschen alle pogingen in het werk stellen om den evenaar in het schoolhuisje in hunne richting te doen overslaan. Doch wat niet goed is te keuren, is dit, dat deze voorstanders, om hun doel te bereiken, het bijzonder onderwijs door allerlei onware voorstellingen in de oogen van het volk verdacht maken.
Een der onwaarheden betreft de voorstelling, alsof 't bijzonder onderwijs duur der zou zijn dan het openbaar onderwijs.
Nu heeft de Bond van Christel. Schoolvereenigingen te Amsterdam een goed werk verricht door over 't onderwijs in de hoofdstad, met betrekking tot dit onderwerp eens allerlei gegevens te verzamelen en inj overzichtelijken vorm te publiceeren, waaruit blijkt, dat de voorstelling niet anders dan een legende is.
De gegevens, welke de Bond heeft bij eengebracht, betreffen: de bezetting der verschillende klassen; de uitgaven, gedaan voor het onderwijs, benevens voor het boventallig personeel; de bouwkosten der verschillende scholen ; de snelheid waarmede ze worden bevolkt; de exploitatiekosten, enz.
De conclusies, welke het bestuur der Amsterdamsche Vereeniging uit den schat van gegevens, welke werd verzameld, trekt, luiden ten aanzien van de aantallen leerlingen :
1e dat de openbare school in Amsterdam het eerste jaar na invoering der wet 1920 een gemiddelde bezetting had van 147 leerlingen, de bijzondere school van 188 leerlingen ;
2e. dat deze cijfers in de eerste 5 jaren klimmen tot respectievelijk 215 leerlingen bij het openbaar en 272 leerlingen bij het bijzonder onderwijs ;
(Hieruit blijkt dus duidelijk, dat bij het bijzonder onderwijs de gemiddelde bezetting per school sterker is dan bij het openbaar onderwijs) ;
3e. dat het gemiddeld aantal leerlingen in nieuwgebouwde scholen sedert 1920, in het eerste leerjaar bedroeg : bij de openbare scholen 38 1/2 en bij de bijzondere scholen 44 1/8. In het tweede jaar na opening der betreffende scholen waren deze cijfers respectievelijk 38% en 47%.
Voorts blijkt, dat van 1925 tot en met 16 September 1930, het aantal leerlingen van het openbaar onderwijs is toegenomen met rond 1700, het bijzonder onderwijs met rond 6700 ! In diezelfde periode nu heelt de Raad beschikbaar gesteld voor den bouw van openbare scholen een bedrag van ca. 7 millioen en voor den bouw van bijzondere scholen, een bedrag van ca. 3.2 millioen gulden. Deze cijfers wijzen uit, dat er verhoudingsgewijs bij het openbaar onderwijs belangrijk meer wordt gebouwd dan bij het bijzonder onderwijs, en er is geen twijfel aan, dat de openbare scholen veel dichter over de stad zijn verbreid dan de bijzondere scholen.
Dit, wat het aantal leerlingen betreft.
Wat nu de uitgaven van het „boventallig" personeel aangaat, komt het bestuur van den Bond van Chr. Schoolvereenigingen tot deze cijfers, gemiddeld per leerling voor de lagere scholen :
Openb. Onderwijs : Bijz. Onderwijs :
in 1922 ƒ 10.85 ƒ 2.24
in 1923 „ 9.80 2.04
in 1924 „10.31 „ 2.35
in 1925 „ 9.99 „ 3.87
in 1926 „13.17 „ 7.14
in 1927 „13.67 „ 9.—
in 1928 „ 14.81 „ 10.39
Voor vakonderwijs, op de lagere scholen werd uitgegeven door het
Openb. Onderwijs : Bijz. Onderwijs :
in 1923 ƒ 9.85 p. leerl. ƒ 2.18 p. leerl.
in 1924 „ 9.43 „3.29
in 1925 „ 9.09 „4.03
in 1926. „ 8.85 „4.35
in 1927 „ 9.57 „4.49
in 1928 „ 10.16 nog niet bekend
Ook wat de exploitatiekosten der scholen betreft, Worden verrassende mededeelingen gedaan. Daarvan wordt gezegd :
Zoo juist is verschenen de tweede driejaarlijksche afrekening der Gemeente Amsterdam met de besturen der Bijzondere Scholen betreffende de exploitatiekosten, welke afrekening loopt over de jaren 1925, 1926 en 1927. Uit die afrekening blijkt, dat 122 bijzondere scholen in Amsterdam in die jaren aan exploitatie-kosten ƒ 202.610.70 minder hebben uitgegeven dan zij hadden mogen uitgeven naar den maatstaf van de exploitatie-kosten van het openbaar onderwijs. Over de jaren 1922, 1923 en 1924 bedroeg (zooals destijds door ons gepubliceerd) het verschil het enorme bedrag van ƒ786.698.— voor 113 bijzondere scholen, waarin toen begrepen was de besparing op het vakonderwijs in 1922 ! Echter het verschil van ƒ202.610.70 over de jaren 1925, 1926 en 1927 betreft zuivere exploitatiekosten.
Als men tezamen telt het verschil van hetgeen door het openbaar onderwijs en door het bijzonder onderwijs volgens de laatst bekende cijfers per jaar en per leerling wordt uitgegeven voor exploitatie plus boventallige onderwijzers plus vakonderwijs, dan blijkt dat.het bijzonder gewoon lager onderwijs per leerling en per jaar ƒ 12.96 goedkóoper is aan het openbaar gewoon lager onderwijs en dat het bijzonder U.L.O. (waaronder begrepen het oude M.U. L.O.) ƒ23.49 per jaar en per leerling minder heeft gekost dan ditzelfde onderwijs op de openbare school!
Voor hen, die de legende colporteeren, dat het bijzonder onderwijs duurder zou zijn dan het openbare onderwijs, zijn de feiten en cijfers, die hierboven werden medegedeeld, in één woord vernietigend.
Het is dan ook te begrijpen, dat zoowel de liberale pers als de socialistische pers ze stilzwijgend laat voorbijgaan, want tegen deze cijfers en feiten valt niet te redeneeren. Zij bevatten de nuchtere waarheid.
Of het nu voortaan met de colportage der legende uit zal zijn, betwijfelen wij. Bij de verdediging der openbare school en het afbreken der bijzondere school gaat 't bij de voorstanders van het openbaar onderwijs vaak tegen beter weten in.
Intusschen, wij herhalen het, de Bond van Chr. Schoolvereenigingen te Amsterdam deed met zijn publicatie goed werk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's