De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

20 minuten leestijd

BEROEPEN BIJ EEN GRATIE-JAAR.
Omdat we bij ervaring weten, dat men dikwijls niet goed weet, hoe het nu eigenlijk zit met een gratie-jaar en het beroepingswerk in de ontstane vacature (door overlijden), nemen we hier zakelijk over, wat in het „Maandblad voor de Vereeniging van Kerkvoogdijen in de Ned. Hervormde Kerk" (no. 7, Mei 1931) over deze kwestie gezegd wordt.
In artikel 44 Reglement Vacaturen staat: „uiterlijk drie maanden vóór het einde van een jaar van gratie wordt het beroep uitgebracht".
Wat beteekent nu „uiterlijk drie maanden vóór het einde" enz. ?
Natuurlijk moet het deze beteekenis hebben, dat het beroep uiterlijk, op het laatst, op het allerlaatst dus moet uitgebracht worden drie maanden vóór 't einde van een jaar van gratie.
Dus : het beroepingswerk moet zóó tijdig worden aangevangen, dat het beroep op 't allerlaatst drie maanden vóór het einde van het gratie-jaar moet zijn uitgebracht.
Eindigt het gratie-jaar dus 1 April, dan moet in December van 't voorgaande jaar — uiterlijk — een beroep worden uitgebracht.
Als het dus in Januari geschiedt, is het te laat.
Er zijn menschen die zeggen : die uitdrukking in artikel 44 Reglement Vacaturen beteekent, dat men niet eerder dan drie maanden vóór het einde van het gratie-jaar mag beginnen.
Maar dat staat er absoluut niet.
Als in een huurcontract de uitdrukking voorkomt: „uiterlijk drie maanden vóór het einde van het jaar wordt de huur opgezegd" — dan beteekent dat toch zeker niét, dat men niet vroeger dan drie maanden voor het einde des jaars over deze kwestie mag beginnen ? Maar het beteekent natuurlijk, dat, wanneer men een dag nadat October in het land is, opzegt, te laat komt! Men kan beter in Augustus komen, dan één dag in October !
Dus : op 't alleruiterst, op 't allerlaatst moet het beroep uitgebracht zijn drie maanden vóór 't einde van 't gratie-jaar !

OFFERVAARDIGHEID VAN DE GEMEENTE.
Te Rijssen is een tweede kerk gebouwd. Dat heeft de Ned. Hervormde Gemeente aldaar zóó voorbeeldig gedaan, dat 't waarlijk hier wel eens mag worden verteld. Wij ontleenen een en ander aan het Maandblad van de Vereeniging van Kerkvoogdijen (Mei 1931).
In het jaar 1926 werd de oude kerk verbouwd, waardoor men de beschikking kreeg over ruim 1300 plaatsen. Spoedig na de komst van ds. Van Voorthuizen bleek, dat er weer een groot gebrek aan plaatsen bestond. Bij huisbezoek en doopaangifte bleek hoe dringend het plaatsenvraagstuk afdoening eischte. Op initiatief van ds. Van Voorthuizen werd voor dat doel een Gemeenteavond belegd, waarin Z.Eerw. de noodzakelijkheid van den bouw eener tweede kerk bepleitte. Het resultaat van deze samenspreking was, dat dienzelfden avond in principe tot den bouw besloten werd. Na dezen Gemeenteavond zijn nog drie vergaderingen met de gemeenteleden gehouden, waarvan ongetwijfeld de vruchten zijn geweest, dat zich de leden der gemeente bijna als één man achter den predikant schaarden, die in korten tijd jong en oud voor den kerkbouw wist mobiel te maken.
Voor alle wijken der stad en voor alle buurtschappen gaven zich personen op, die bij de leden der Kerk aanklopten om gedurende een jaar eene maandelijksche bijdrage toe te zeggen. Een 60-tal meisjes haalden de bijdragen op en mevr. Van Voorthuizen wist de avonden, dat de gelden binnenkwamen, altijd gezellig in te richten. Binnen één jaar was uit deze inkomsten, verhoogd met de extra-collecten voor dat doel in de kerk gehouden, een bedrag van ruim ƒ 19000.— bijeengebracht. Prachtig ! Door Kerkeraad en Kerkvoogdij werd toen een bouwcommissie benoemd en in het najaar van 1929 konden de bouwplannen aan de gemeenteleden ter beoordeeling worden voorgelegd.
26 April 1930 werd door ds. Van Voorthuizen de eerste steen gelegd. 30 Januari 1931 is de nieuwe Westerkerk in gebruik genomen.
De toren, welke een hoogte heeft van 33 M., is voorzien van een luidbel en een uurwerk, waarvoor de Gemeenteraad een electrische verlichting heeft aangeboden.
Het kerkgebouw heeft beneden 750 zitplaatsen en 200 op de frontgalerij. Door een aantal uittrekplaatsen is het totaal op te voeren tot rond 1000.
De prachtige kansel met bekleeding, werd door ds. Van Voorthuizen geschonken uit de netto-opbrengst van de in het licht gegeven afscheidspredikatie !
Achter het kerkruim zijn de vergaderlokalen gebouwd, met harmonicadeuren gescheiden, terwijl de kerkeraadskamer daarboven is.
De kerk wordt centraal verwarmd en is van een moderne plafond-verlichting voorzien.
Het aangekochte terrein kostte ƒ 15000 ; de kerk met meubilair, orgel, uurwerk en de geheele aankleeding van het gebouw zal ca. ƒ 85000.— gekost hebben ; rond saam ƒ 100.000.—.
Hoe er algemeene samenwerking was in de gemeente, blijkt uit het volgende : door de kinderen der zondagsschool werd het bedrag voor de luidbel geschonken. De Hervormde Meisjes vereeniging gaf het doopvont en de Hervormde Jongelingsvereeniging de lampen op den kansel en op de voorlezersbank. Door de Meisjesvereeniging zal in het begin van den zomer een bazar gehouden worden, waarvan de opbrengst zal zijn ten bate dezer nieuwe kerk.
Een hypothecaire leening van ƒ50.000.— werd bij een bankinstelling aangegaan tegen 41/2%. Van de Diaconie werd ƒ 14000.— geleend. De kosten van terrein-aankoop heeft de Kerkvoogdij uit eigen middelen kunnen bestrijden.
Door den bouw der tweede kerk is de stichting van een tweede predikantsplaats dringende eisch geworden. Een tweede pastorie is reeds gekocht en de koopsom kon betaald worden uit het voordeelig saldo over 1930 !
De verpachting van zitplaatsen voor het jaar 1931 in beide kerken heeft opgebracht een bedrag van ca. ƒ31.500.—.
Indien de gemeente twee predikanten en twee godsdienst-onderwijzers heeft, dan moet de jaarlijksche zitplaatsenhuur in beide kerken minstens ƒ22.000.— opbrengen, zal tenminste ook nog een behoorlijk bedrag der schuld afgelost kunnen worden.
Door den verbouw en de restauratie der oude kerk in 1926 en den bouw der Westerkerk, zit de gemeente thans nog op een financieel bezwaar, dat de ton nadert. Maar het kerkbezoek en de offervaardigheid der gemeente is groot, zoodat er voor het beheerscollege geen redenen tot bezorgdheid zijn.
Heerlijk, dat deze dingen getuigd mogen worden. De zegeningen des Heeren zijn zeer zeker velen in het midden van de gemeente Rijssen. En gelukkig krijgen ze spoedig weer een predikant in ds. Van Willigen, die zeker met grooten werklust en werkkracht gaarne den arbeid van ds. Van Voorthuizen zal voortzetten.
Neen — laat men toch niet smalend en smadend telkens zeggen: de Hervormde Kerk is dood ! Want men tast Gods eer aan en men doet tekort aan den arbeid, die daar verricht wordt.
Als er maar goede samenwerking is, behoeven we niet te wanhopen. Dan behoeven we niet te zeggen : laten we den boel maar deelen en laten we dan maar een goed heenkomen zoeken.
De Hervormde Kerk is nog niet dood. Bij alle woorden van lof aan het adres van anderen, mogen we gerust ook zoo nu en dan nog wel eens wijzen op wat in de Hervormde Kerk geschiedt.
De Heere houdt nog bemoeienissen met haar. En gelukkig staat zij veelszins nog midden in het volk. In den weg des verbonds nog met vele banden met het volk verbonden.
Als zij nu maar een verkondigster van een blijde boodschap mag zijn !

DAT ZIJN HELAAS ! ANDERE CIJFERS.
Ieder klaagt tegenwoordig. Overal malaise.
Kijk eens naar de bioscopen ! Geef eens acht op de cafe's. Let eens op de sportvelden, de wedstrijden enz.
Wat is er overal vertier en weelde en vreugd.
Wat doet de wereld om de weelde tegen te gaan en de armoede te bestrijden?
We zullen maar geen antwoord geven. Maar als men z'n mond open doet tegen de Kerk, om over haar te klagen, mocht men eerst de hand wel eens in eigen boezem steken.
De Standaard geeft ons een overzicht van hetgeen aan één weelde-uitgave wordt besteed. Aan één weelde-uitgave. En hoeveel zijn er wel niet ?
De bedoelde weelde-uitgave is niet de drank. Het is nu het rooken. En dan staat vast, dat Nederland in één jaar ongeveer 200 miljoen gulden uitgeeft voor sigaren, cigaretten en tabak.
't Is haast niet te gelooven 200 miljoen gulden in één jaar.
Of precies gezegd : in 1930 gaf men 183 miljoen gulden uit voor rooken.
Of anders gezegd : voor 94 miljoen gul­den sigaren, voor 61/2 miljoen gulden cigaretten en voor ruim 27 miljoen gulden tabak is er in 1930 verrookt in Nederland.
Is het niet vreeselijk ? Vooral de stijging van het gebruik van cigaretten door mannen — en vrouwen is enorm-; van 35 miljoen gulden in 1923 — toch ook al verschrikkelijk — steeg dit tot 61 miljoen in 1930.
Zou het geen gebiedende eisch zijn dat deze rook-zonde in Nederland door ons allen saam ernstig worde bestreden ?
183 miljoen gulden in één jaar aan rooken neen, dat mag niet.
61 miljoen gulden alleen aan cigaretten neen, dat mag niet.
Die zichzelf overwint is sterker dan die een stad inneemt
't Zal dus wel moeite kosten. Maar 't moet.

WAT BETEEKENT DAT ?
In onzen Bond van Hervormde Jongelingsvereenigingen op Gereform. grondslag — wij zeggen nog maar trouw „onze" Bond, omdat ds. Jongebreur en schrijver dezes met anderen de oprichters van dezen Bond zijn geweest en deze Bond immers nog altijd de trouwe zoon van onzen Gereformeerden Bond is — hebben we door de goede zorgen van den heer Smit, in leven burgemeester van Herwijnen, en lid van 't Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond, ons Bondslied gekregen: „De Vaan ontplooid".
Door bemiddeling van den heer J. C. de Graaf, organist de Ned. Hervormde Noorderkerk te Rotterdam, hebben we voor dat Bondslied een nieuwe — mooie — melodie gekregen (waarvoor een kleine vergoeding waarlijk billijk was). En nu lezen we in „De Vaandrager", dat er een voorstel kwam van den Ring om dat Bondslied maar af te schaffen, want er zijn Psalmen tot onzen dienst — schreef men.
Men heeft het eerst klaar weten te spelen, dat de politiek uit den Bond geweerd werd door bemiddeling van menschen, die de scheidende politieke partijen góéd gezind zijn.
En nu wil men het Bondslied afschaffen, met de bewering, dat er alleen maar Psalmen gezongen mogen worden door onze jongens en meisjes op hun Bondsdagen en op hun Jaarvergaderingen ?
Wij herinneren ons nog, dat op een school, die wij mee hebben mogen stichten in Delft, op een gegeven oogenblik vlak voor den Ouderavond een van de bestuursleden namens ds. Zandt kwam zeggen, dat er door de kinderen niet driestemmig mocht worden gezongen. Dat er alleen maar Psalmen mochten gezongen worden en dan „zooals Gods volk de Psalmen zingt".
Heel het zangonderwijs wilde men kapot maken.
Wat beteekenen deze dingen toch ? Wat geest vaart er in zekere kringen rond ?
Moeten we deze richting uit met onze Scholen, met onze Jongelingsvereenigingen en met onze Meisjesvereenigingen ?
Mogen we niet meer christelijke liederen zingen met onze kinderen ?
Laat men het dan maar royaal zeggen. Het lied van onzen Koning en van den sterken Held, het lied van een vasten Burcht, het lied van de Vaan ontplooid, weg ?
We kunnen het niet gelooven.
Om den geest van onze „christelijke liederen" te laten proeven, nemen we hier op het Bondslied van de Meisjesvereenigingen.

BONDSLIED
van den bond van Hervormde Meisjesvereenigingen op Gereformeerden grondslag.

komt, meisjes, bij elkander ! Komt, staan wij hand aan hand ! Ons moet tezamen binden Een sterke, hechte band, Waardoor wij, in dit leven Vol ongeloof en strijd. Elkander kunnen steunen En helpen t' allen tijd.
Komt, staan wij met elkander Vereenigd om Gods Woord ; Dat richtsnoer moet ons binden. Dat heilig, gouden koard ! Dan gaan wij altijd veilig Dit aardsche leven door. Gods Woord alleen kan leiden Ons in het rechte spoor.
Als Christus onze harten Met hemelsch licht bestraalt, In ons belijdend leven De Geest des Heeren daalt. Dan zullen wij, steeds wakend, Hoe fel de strijd ook word'. De kaarsen brandend houden. De lendenen omgord.
Zoo blijv' ons biddend streven : In eenvoud voort te gaan ; Te letten op Gods Woorden ; Te wand'len op Zijn paan. God Zelf wil daartoe sterken. Hij heeft Zijn hulp beloofd ; Maakt alle dingen moog'lijk Dengene, die gelooft.

DE VROUWELIJKE PREDIKANTEN.
Een voorloopig aangenomen Synodaal voorstel inzake het toelaten van vrouwen tot het predikambt, komt op de aanstaande Classicale Vergaderingen ter tafel.
Maar het loopt groote kans niet in behandeling te zullen worden genomen. Omdat de Synodale heeren wat vergeten hebben (zelfs in de Synode doet men wel eens een dutje).
Wat is het geval ? Men heeft vergeten artikel 17 van het Algemeen Reglement bij dit voorstel tegelijk onder handen te nemen. Daar staat — in „de grondwet" dus — dat alleen manslidmaten predikant, ouderling en diaken kunnen worden.
Wil men den kansel dus openen voor de (ongehuwde) vrouw, dan zal men eerst artikel 17 van het Algemeen Reglement moeten wijzigen. En daaraan heeft de Synode niet gedacht. De Synodale Commissie heeft op deze fout de aandacht gevestigd. En dus zal er niets anders opzitten dan dat de Classicale Vergaderingen op grond van artikel 17 Algemeen Reglement, uitspreken, dat dit voorstel niet in behandeling kan en mag worden genomen.
Wat „de grondwet" verbiedt, mag men niet in behandeling nemen.
Dan moet eerst „Grondwets-herziening" plaats hebben.
Van de agenda af

TEGEN DE ANTI-GODSDIENSTIGE PROPAGANDA.
Het Wetsontwerp van Minister Donner ter bestrijding van de publieke Godslastering, waarbij niet een mensch wordt uitgevloekt, maar het Goddelijk Wezen publiek wordt gehoond en gelasterd — dat wetsontwerp vindt helaas ! in breeden liberalen kring weinig waardeering. Men kan daar niet tot de gewenschte hoogte opklimmen.
Ook is dit wetsontwerp op de Vergadering van Doopsgezinde theologen besproken en scherp afgekeurd.
Men sprak zelfs van een tegen-actie. ( Het deed ons daarom goed een artikel te lezen van de hand van prof. dr. Wagenaar. Evangelisch pred. bij de Ned. Hervormde Gemeente te Leeuwarden en bijzonder hoogleer aar aan de Rijks-Universiteit te Groningen, geplaatst in het „Evang. Zondagsblad", waarvan we gaarne een stuk overnemen hier.
Dr. Wagenaar zegt daar :
Voor zoover ik als leek daarover kan oordeelen, acht ik deze wetsvoorstellen een thans zeer noodzakelijke aanvulling van een leemte in onze wetgeving en komt mij ook de toelichting van den minister bijzonder gelukkig voor. Deze toch gaat uit van de gedachte, dat het niet toelaatbaar is, dat de frivole spot van een klein deel van ons volk de groote meerderheid in haar meest verheven gevoelens kwetst.
Dr. Wagenaar is van meening, dat godslastering als zoodanig niet door een wetsartikel bestreden kan worden; maar de Overheid kan niet toelaten, dat burgers in hun heiligste overtuiging worden gekrenkt.
Wij leven in een vrij land, waar dus ook de niet-godsdienstige, zelfs de antigodsdienstige vrijheid moet hebben z'n meening te uiten, maar ook .deze laatste blijft gebonden aan zekere eischen der welvoeglijkheid ten aanzien van andersdenkenden.
De regeering heeft tot taak de openbare orde te beschermen. Wanneer in 't publiek God wordt gelasterd op smalende wijze, gevoelt een ander deel van de bevolking, dat het geloof anders waardeert, zich daardoor terecht in zijn heiligste rechten bekort.
Natuurlijk, men kan aan deze manier van bestrijding gevaarlijke consekwenties verbinden ; doch dit mag niet weerhouden om hier te doen, wat mogelijk is.
Wie de Tribune niet lezen wil, die kan het blad terzijde leggen, wat practisch ook door de overgroote meerderheid geschiedt, maar wanneer de anti-godsdienstige propaganda ook beslag legt op het publieke leven en den openbaren weg als haar terrein annexeert, waar 't haar vrijstaat te doen wat zij wil, dan kan zij zich dit niet veroorloven zonder de rechten van anderen daarbij te schenden.
Het is nu een Christelijk minister, die dit als grober Unfug kwalificeert, maar een regeering van andere kleur, die nog prijs stelt op het aankweeken van goede zeden in de samenleving, zou hetzelfde hebben kunnen en moeten doen.
't Schijnt mij, dat alle weldenkenden, afgezien van hun politieke en godsdienstige overtuiging, hier achter moeten " staan. Hier is een goede gelegenheid waarbij ons land kan toonen nog prijs te stellen op den naam van een christelijke natie, die ook zonder zich voor ' een z.g.n. christelijke politiek te verklaren, toch wel degelijk rekening wil houden met de groote beginselen van het Christendom.
Dit laatste is zeer juist.
Ook zij, die in het algemeen de politiek van dezen minister niet steunen, kunnen hem dankbaar zijn voor dit goede wetsontwerp.

DE CLASSICALE VERGADERINGEN.
We willen het nóg eens hebben over de Classicale Vergaderingen, die D.V. op den laatsten Woensdag van Juni — dus 24 Juni aanstaande — gehouden worden. Voelt de gemeente iets voor deze vergaderingen ? Voelen de ambtsdragers, de predikanten en de ouderlingen, iets voor deze vergaderingen ? Meer dan 100 jaar nu is onze Hervormde Kerk van hare Kerkelijke Vergaderingen beroofd. We kunnen niet kerkelijk over de groote, geestelijke dingen, die toch de Kerk aangaan en die de Kerk maken tot Kerk, met elkander praten. Meer dan honderd jaar nu is de mond gesnoerd. We mogen, we kunnen niets zeggen, ook niet over de eerste, hoogste, heiligste dingen ; ook niet over den nood der  Kerk en de roeping der Kerk voor volk en Vaderland, over de roeping der Kerk in 't midden der wereld, bij al het wereldgebeuren. Men dwingt onze Hervormde Kerk door de Synodale Besturen-Organisatie om enkel te spreken over reglementen en artikelen van reglementen.
Gelukkig zit onder dat alles nog de belijdenis der Kerk. Gelukkig staat in het midden der Kerk nog de bediening des Woords en der Sacramenten. Dat komt overal doorgluren. De Christus-belijdenis en het Evangelie van Jezus Christus is nog het levende, centrale punt. Met de belijdenis der Vaderen in de hand behoeven we, mogen we niet zeggen : de Ned. Hervormde Kerk is de valsche Kerk.
Onze Ned. Hervormde Kerk is als Kerk van Christus nog niet dood, nog niet van den aardbodem weggevaagd. Tot roem van Gods genade heeft zij de belijdenis der] Vaderen nog. En in de bediening des Woords èn in de bediening der Sacramenten gaat 't nog om de belijdenis van Gods genade in Jezus Christus, om den God des levens. Die in Christus verlossing schonk. Dat zit door alles heen geweven. Daar heelt de Heere nog voor gezorgd, in Zijn ongehouden goedheid en in Zijn onwankelbare trouw en liefde. En dat zit niet in een safe, maar dat komt overal te voorschijn als iets dat leeft.
Wel is er wantrouwen bij velen ten opzichte van den Heere, Jehova, den God die is, die Hij is ; den God des eeds en des verbonds. En toch zal het van den Heere moeten komen. En zalig degenen, die in geloove Hem mogen vasthouden en met schuldbelijden op Hem mogen aanloopen en op Hem mogen betrouwen ; om dan te doen wat de hand vindt om te doen.
Nehemia (over wien we ook verleden week spraken) begint met te bidden. Op de knieën vinden we hem. Met schuldbelijden. Wij hebben gezondigd. Niet deze en die heeft gezondigd — maar wijl hebben gezondigd, zegt hij. God heeft de schuld niet. Wij hebben de schuld. En dan van de knieën opstaan en dan uit het bidvertrek — aan 't werk. Dat leert Nehemia ons.
Neen, we bedoelen niet, dat men met allerlei „protesten"''en allerlei „voorstellen" nu moet komen. Dat moet zeer zeker niet zonder ernstig en breed en tijdig overleg gaan. Bovendien is het wellicht nu niet de meest geschikte tijd. Maar wè bedoelen alleen te vragen : Voelt men iets van de Kerkschuld, van dé ellende der Kerk, van de zonde der Kerk voor God en voor de menschen ?
Neen — dan niet schelden op de Kerk en uitvallen tegen de Kerk. Gods eer is teer !
Maar als we waarachtig meevoelen en meeleven, dan moeten we ook samen Gods aangezicht zoeken en samen aan het werk.
Dat het jaar 1931 daartoe meewerke !
En dan nu — trouw op onzen post! Allen! Waarbij we moeten doen wat onze hand vindt om te doen. Ook bij de Bestuursverkiezingen. Eerlijk en trouw !
Zegene de Heere. onze aloude Gereformeerde Kerk en stelle Hij haar nog tot zegen in het midden des volks !

DE SYNODALE VOORSTELLEN.
We komen nu tot de Synodale Voorstellen.
En dan missen we alles wat principieel is. Geen enkel voorstel tot verbetering van ons kerkelijk leven in en door de belijdenis van den Christus, in verband staande met het Koninkrijk Gods. Heel de wereld is in beweging. Overal wordt over de Kerk gesproken en overal — gelukkig — roept men om de Kerk. Men voelt dat de wereld de Kerk niet missen kan. Maar de Ned. Hervormde Kerk spreekt niet over de Kerk. De menschen in de Herv. Kerk spreken er wèl over. Maar de Kerk zelve zwijgt in alle talen. Treurig !
Reglementen, artikelen die zijn aan de orde. En natuurlijk kan de Kerk niet zonder ordeningen. Die zich dat wijsmaakt, bedriegt zichzelf en anderen. Maar dan moet het principieel anders dan nu !
Reglementen, artikelen dus. Over het stemrecht b.v. Zie Voorstel I en IV. Men wil bepalen, dat zij die een half jaar geleden in de gemeente zijn gekomen en op grond van attestatie of belijdenis zijn ingeschreven, stemgerechtigd zullen zijn. Tot dusver is die termijn een vol jaar. Nu wordt het zes maanden. Wij maken er geen kwestie van.
De voorgestelde wijziging van Artikel 3* Algemeen Reglement en Artikel 2 Synodaal Reglement op de benoeming enz., worde, wat ons betreft, aangenomen. Dat is Voorstel I. En daarnaast staat Voorstel IV, óók over het stemgerechtigd zijn.
Er wordt n.l. nog een wijziging van Art. 2 Synodaal Reglement op de benoeming voorgesteld. Men wil een alinea 4 toevoegen : waarin uitkomt, dat men op de lijst der stemgerechtigden moet voorkomen, om benoembaar te zijn tot ouderling enz. Benoembaar zijn alleen zij, wier namen op de lijst voorkomen. Niets tegen. Integendeel. Vóór.
Voorstel II Is weer over aftredende Kerkeraadsleden (wijziging van Art. 11 Regl. Kerkeraden). Ze houden zitting, tot hun opvolgers bevestigd zijn. Maar dat mag niet langer duren dan 2 maanden. Door protesten, aanklachten enz. (dikwijls door partijhatelijkheden) kan zoo'n kwestie anders zoo lang duren. Dan blijven degenen die weg moeten maar zitten en doen soms intusschen allerlei dwaze of ongerechtige dingen ; om het nog waar te nemen. Daarom moet er een grens gesteld worden.
Daarom — vóór.
Voorstel III gaat over dubbele registers enz. Best.
Voorstel IV hebben we al gehad.
Voorstel V gaat over de regeling van de vacaturebeurten. Daar is een geschiedenis aan verbonden en allerlei kwesties zitten er aan vast. Natuurlijk weer richtingskwesties —• Dokkum, Hasselt enz. Nu wordt bepaald, dat de Ring (de Ringdominees vervullen die beurten) de beurten regelt, rekening houdend met de belangen van de vacante gemeenten en met eigen gemeenten." En dat de vacaturebeurt moet vervuld worden ter plaatse waar de beurten gewoonlijk gehouden worden. Een moderne gemeente (Dokkum) kan de orthodoxe dominees dus niet zetten in een vroegdienst 's morgens om 7 uur en een orthodoxe gemeente (Hasselt) kan den modernen ring-dominé niet een beurt geven in een lokaal of zoo iets. En ja de voorgestelde regeling is, ook de richtingen in aanmerkinggenomen, 't meest billijk.
Voorstel VI gaat over wijziging van art. 55 en 74 Reglement opzicht en tucht. Niet over de belijdenis ; maar over de centen. Of deftiger gezegd óver de zekerheidsstelling, 't Laat ons koud. Hoewel 't wel zeer gewichtig zal wezen en formeel goed. Niet tegen.
Voorstel VII is om studenten, die vol collegegeld betalen (en geen predikant worden) vrijheid te geven de academische lessen van de kerkelijke hoogleeraren te volgen, zonder extra bijbetalen. Zulks is bij vol collegegeld, ook niet noodig. Daarom : vóór.
Over voorstel VIII, gaande over de vrouwelijke predikanten schreven we een afzonderlijk stukje. Dat voorstel is niet voor behandeling vatbaar. Natuurlijk zijn we wat de zaak betreft van alle kanten tegen. Maar het kan niet behandeld worden — af. Want er is geen voorstel van de Synode tot wijziging van art. 17 Algem. Reglement. Laat men dat goed voor oogen houden! Waar de Synode geslapen heel , moet zij ook de gevolgen dragen.
Voorstel IX wil 8 dagen bepalen voor het ter inzage liggen van de Diaconierekening. Best.
Heel veel bizonders krijgen we dit jaar dus niet. Behalve die vrouwelijke dominees — die niet voor behandeling vatbaar zijn.
Over voorstel X Reglement op de kas tot aanvulling van het Rijks emeritaatspensioen hebben wij zelf geen oordeel, omdat we er geen verstand van hebben. Van menschen die er wel verstand van hebben, hebben we gehoord en gelezen, dat het voorstel niet aannemelijk is. Wij zullen dus persoonlijk tegen stemmen. Maar — zooals we zeiden — wij hebben geen verstand van deze ingewikkelde financieele kwesties. Wij stemmen tegen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's