MEDITATIE
Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, die de psalmen geeft in den nacht. Job 35 vers 10.
PSALMEN IN DEN NACHT!
De woorden, die we boven deze overdenking schreven, werden eeuwen geleden uitgesproken door Elihu, een van de vrienden van Job, die waren gekomen om hem in zijne ellende en in zijn verdriet te troosten.
Wat was hij zwaar bezocht, die groote lijder uit Uz ! Al zijn bezit verloren ! Zijn kinderen hem ontnomen! Aangetast in zijn lichaam door een vreeselijk lijden! Bij zijn gade geen steun, maar wel een aanporren om God te zegenen en dan maar te sterven !
Ook het zwijgen van die vrienden moet hem pijn hebben gedaan. En als ze er toe overgaan om te spreken, klinkt het Job toch zoo hard in de ooren.
Ook in het 35ste hoofdstuk geeft Elihu hem den raad om zich toch voor God te vernederen. Hij zinspeelt er op, dat God niet onrechtvaardig is, maar dat Hij de zonde naar verdienste straft. Hij spreekt het openlijk uit, dat Job stellig vanwege zijne zonden zoo moet lijden. Het is voor Elihu geen raadsel meer, waarom het voor Job zoo donker is. Naar Elihu's gevoelen nam Job niet genoeg zijn toevlucht tot God, zijn Maker, die de psalmen geeft in den nacht.
Hoe bitter dit woord van Elihu ook voor Job moge geweest zijn, op zichzelf is het een kostelijke parel des Woords, waard om van alle kanten te worden bezien.
Psalmen in den nacht!
Lees ik het wél ? Moest er niet liever staan „psalmen in den middag", als de zon staat in het zenith harer kracht ?
Over het geheel genomen, geven we onmiddellijk toe dat er des nachts het minst wordt gezongen.
De natuur slaapt. De bloemkelken sluiten zich en het zangerskoor buiten zwijgt. Er zijn maar weinig vogels die des nachts hun lied zingen.
Het is de nachtegaal, die in het eenzame woud in het late avonduur zijn schoone lied laat hooren. Wat klinkt dat heerlijk in die stille, luisterende schepping. Onvergelijkelijk schoon is het lied van dien koningszanger der natuur. Maar duizenden zullen moeten zeggen, dat ze het nog nooit gehoord hebben. Wel een bewijs, dat het lied in den nacht maar tot de zeldzaamheden behoort.
Maar de dichter heeft niet gedacht aan het lied van den nachtegaal.
Waaraan dan ? Heeft hij misschien stilgestaan bij de zangen van de karavaanreizigers, die in het bleeke maanlicht door de woestijn voorttrekken en daarbij hunne liederen zingen ? Net als bij ons op de Zuiderzee des nachts de visschers bij het uitwerpen van de netten weleens een psalmlied aanheffen, wat ver over de baren klinkt ?
O, het kan zijn dat de eenzame wandelaar zoo diep getroffen wordt door de ruischende wouden en door de flonkerende sterren of door de deinende zee, dat hij behoefte gevoelt om het uit te spreken met den dichter :
Dus weet ons nacht bij nacht Zijn onbegrensde macht En wijsheid af te malen.
Elihu zal echter wel aan andere psalmen hebben gedacht en hy zal ook het woord nacht wel genomen hebben in figuurlijken zin ; ook al moeten we erkennen dat in de donkere nachten vaak de zwaarste strijd wordt gestreden door Gods kinderen.
Wat is het heerlijk, als een mensch des nachts goed kan slapen. Het lichaam en de geest kunnen des avonds zoo vermoeid zijn. Wat is het dan een voorrecht als de Heere al de nooden en zorgen van ons wegneemt, zoodat we heerlijk kunnen uitrusten.
Maar het kan ook anders wezen. Het kan gebeuren dat de uren voorbij kruipen, dat we de klok heele en halve uren hooren slaan. En als men dan pas tegen den morgen gaat slapen, is men bij het ontwaken nog zoo moe. Men is niet uitgerust.
Er komen vele nachten in het leven van een menschenkind. De nacht is de tijd van somberheid en donkerheid. Wat al tijden van ellende en moeite en zorg en verdriet. Bode na bode komt tot ons met Jobstijdingen. De beproevingen in dit tijdelijke leven kunnen vele zijn. En de verliezen zoo zwaar. En als dan alles bij de hand en bij den voet wordt afgebroken, dan is er genade noodig om in den nacht te zingen : de Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de Naam des Heeren zij geloofd.
We lezen van Paulus en Silas, dat ze in den kerker te Philippi werden geworpen en door den stokbewaarder werden gegeeseld ; maar ziet, midden in den nacht zongen zij binnen in den kerker Gode lofzangen.
Het is de Heere alleen, die in zulke nachten, in zulke tijden van donkerheid nog kan doen zingen van goedertierenheid en recht. Als men dan maar mag ondervinden, dat de Heere met ons is.
Met den Heere kon Daniël den nacht doorbrengen in den leeuwenkuil. Met Jezus aan boord konden de discipelen den storm trotseeren.
Hebt gij het nooit ondervonden te midden van uwe grootste smarten, dat uw hart door het geloof in den Heere gerust mocht blijven ?
't Gebeurt zoo menigmaal, dat de Heere pas in de vierde nachtwake komt om de stormen te doen zwijgen. Maar als Hij komt en zegt: „Vreest niet. Ik ben met u", zeg mij, zal dan uw hart kunnen zwijgen ?
O, gelukkig als in tijden van hangen nood de ziel mag opzien tot zijn Maker en het van Hem mag verwachten. Want die op den Heere vertrouwt zal niet beschaamd worden. En ook straks in de toekomst zal het bij vernieuwing worden ervaren, dat God een God is die psalmen geeft in den nacht.
Wat kan het nacht zijn in de ziel van Gods kind. Wat een nacht van donkerheid kan den pelgrimsreiziger omringen. Wat klaagde Jeremia : Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis en niet in 't licht.
Als God het oog van het Adamskind verlicht, dan zal 't moeten worden erkend en beleden, dat men een kind der duisternis is en niet een kind des lichts. Een nacht van zonde en ongerechtigheid omringt de in Adam gevallene menschheid.
O, wat zal het wezen om in dien nacht van zonde en ellende voor eeuwig onder te gaan.
Maar hoort, hoe het Gode heeft behaagd om over dien nacht van diepe verdorvenheid nog te laten opgaan het licht Zijner genade.
Maar als dat licht der ontdekkende genade opgaat, is er geen plaats voor een psalm of het moest wezen alleen voor een boetepsalm om daarin te klagen over zonde en schuld. Doch als het oog mag geopend worden voor Christus Jezus, die hemelsche Zon der Gerechtigheid, dan gaat ook het licht der blijdschap op in het hart.
Zeg mij, o kind des Heeren, gaf de Heere ook u toen geen psalmen te zingen in dien donkeren nacht, toen Hij u liet zien wie Hij voor u, onwaardige in uzelf, wilde wezen : een God van reddende zondaarsliefde, die alleen redenen uit Zichzelf nam om u te redden en te zaligen, omdat er in u voor Hem niets was wat Hem welbehagelijk zou hebben kunnen wezen. Ja, dan kan de behoefte er wezen om te zingen :
Men hoort der vromen tent weergalmen. Van hulp en heil ons aangebracht.
En dan gevoelde de dichter de behoefte om het zingend uit te roepen :
Komt, luistert toe gij Godgezinden Gij, die den Heer van harte vreest Hoort, wat mij God deed ondervinden Wat Hij gedaan heeft aan mijn Geest.
En dan zou men wel meenen, dat dat lieflijke schijnsel van die Zonne der Gerechtigheid nooit meer zou ondergaan. Maar ach, de zonde kwam weer tusschenbeide. Gij hebt Zijnen Heiligen Geest bedroefd en smart aangedaan. Gij zijt, ik weet niet hoe vaak, in vele dingen gestruikeld. Ja, nog erger, misschien zelfs gevallen. En naar recht heeft de Heere Zijn aangezicht voor een tijd van u verborgen. Maar ook al verbergt de Heere voor een tijd Zijn aangezicht. Hij blijft toch aan Zijn Efraïm ernstig gedenken.
En als dan Gods genade het hart omstraalt, wat wordt het dan donker van binnen. Dan bespringt Satan het schaap van alle zijden. Wat wordt dan het geloof van alle kanten bestreden. Dan fluistert de Vorst der duisternis alle booze bedenkingen in. Het is zijn doel om dan de ziel tot wanhoop te brengen. Schijnbaar neemt hij het dan zelfs op voor de gerechtigheid en de eere Gods, door het zoó voor te stellen, dat er voor een zondaar, die na ontvangene genade het zoo verzondigde, nooit geen redding meer wezen zal.
Ik denk in dit verband aan het 65ste vers uit den 109den Psalm Inderdaad, wat geeft dan de opening van de genadewoorden Gods opnieuw weer heerlijk licht.
Wat klaart dan het donker op. Het geeft verstand aan plechten, wien het gemis van zulk een glans een eeuwigen nacht zou baren.
Dan kan men zeggen met den dichter van Psalm 42 : Maar de Heere zal des daags Zijne goedertierenheid gebieden en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn.
Dan is het God, hun Maker, die psalmen geeft in den nacht.
Hij laat die harp uws harten weer herstellen en stemmen. Hij laat de snaren tokkelen door den Heiligen Geest. En dan kan het niet anders of het hart moet weer den lof des Heeren bezingen.
Denkt gij, o bedrukten, nog wel eens terug aan uw snarenspel, gelijk de dichter ? Klimmen de overleggingen nog wel eens op in uw hart ? Gedenkt gij, o zieken, die dit leest, nog wel eens aan Hem op uwe legerstede en peinst ge aan Hem in de nachtwaken?
O weet dit, indien Hij toeft, verbeidt Hem, Hij zal gewisselijk komen. Laat het met den dichter mogen wezen :
'k Zal Zijn lof zelfs in den nacht Zingen, daar ik Hem verwacht. En mijn hart, wat mij moog treffen. Tot den God mijns levens heffen.
En dan moet de nacht weer wijken. Dan wordt het weer licht, gelijk het ook licht werd in de ziel van Jakob, toen de dageraad opging.
En als dan de snaren des harten door Gods Geest worden gespannen, dan zingt de dichter : Te middernacht sta ik op om U te loven, voor de rechten Uwer gerechtigheid.
in het natuurlijke wisselen dag en nacht elkander af. Op de bergen volgen weer de dalen. Zoo ook in het geestelijke leven. Voor den moordenaar aan het kruis werd het licht op Christus' woord : Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. Daarna werd het echter donker van buiten en van binnen, toen tegen het einde van de duisternis Christus het uitriep: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten.
Maar na bangen strijd ging het licht weer bij vernieuwing op en het klonk hem tegen : Het is volbracht.
Aan het eind van de reis wacht u, o pelgrim, de dood. Wie zal bij de nadering van de doodsvallei durven zingen ? vraagt de Satan. Is het niet veeleer een gekneld liggen in de banden des doods ? Door den angst der hel allen troost te moeten missen. O, die nacht van den dood !
En toch met recht lezen we van de schaduwen des doods. Het zijn maar schaduwen. Ook in den doodsstrijd kan uw Maker u psalmen doen zingen in den nacht.
Dat verstaat de wereld niet. Dat kan ze nooit begrijpen.
Zingen, vlak voor de poort van den dood: Al ging ik ook in het dal van de schaduwen des doods, ik zou geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij. Uw stok en Uw staf die vertroosten mij.
Zingen van dien tijd die nadert, waarin geen nacht meer zijn zal.
Er komen tijden waarin Gods volk de harp aan de wilgen hangt en treurend nederzit, maar daar zijn ook tijden van heerlijke vergezichten.
Ik zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheden.
En als gij blij moogt zingen, o kind van God, vergeet dan nimmer dat het alleen God is, uw Maker, dié u psalmen in den nacht geeft te zingen.
E.
J. J. Timmer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's