DE KLEINE LUIJDEN
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
„'t Kan ook wel eens meevallen, Sien. 't Leven is al zoo vol van wonderlijke verrassingen geweest, wie weet wat nog in de toekomst ligt".
„'k Hoop ook niet ondankbaar te zijn of in opstand te leven, dominé. De Heer heeft het al zoo wonder wèl gemaakt, dat mijn heele leven één danktoon zijn moet, maar men is nu eenmaal een mensch, en blijft het hier beneden ook".
„Juist, en dat is gelukkig. Late maar niemand in over-geestelijkheid meenen dat het vroom is van een Christen zoo'n soort heilige of een halve Engel te maken, die straks op reine vleugelen van hier den hemel infladdert, want het blijft nu maar eenmaal waar, dat wij tot onzen jongsten snik rekening hebben te houden met de eischen en nooden en begeerten van ons vleesch, dat uit de aarde is, om dan daarna als een verloste zondaar, uit genade zalig te worden".
„Maar daarom zult u misschien begrijpen, dat ik ook wel eens moedelooze oogenblikken hebben kan, waarin het mij o zoo ledig is, vooral wanneer ik alléén ben".
„'k Begrijp het, Sien, en hoop dat de Heere je ook hierin nog boven begeerte en verwachting zal zegenen".
Daarop ging het gesprek over baas Mulder, die nog maar nooit zich kan verzoenen met het verlies van Bet, maar van wien tevens het gerucht ging dat hij in een naburig dorp om een andere vrouw had rondgezien. Over Doede Jantje, die in den laatsten tijd ook niet recht „halig" is, zooals ze in Zorgvliet zeggen, en waar Sien een paar weken voor de wasch geholpen heeft. Over baai Prik, die zoo de teekenen des ouderdoms begint te vertoonen. En om vooral niet te vergeten over die verandering die er zoowel bij de Burenga's op „Unia-State", als ook niet minder bij kleinen Symen en Syke plaats heeft gegrepen. Op Zondag zat Symen op 't orgel, en hoe meer de Meester de zware registers open trok of de helklinkende fluit liet schallen, hoe harder Symen zong. Dominé had het zelf haast een oogenblik te kwaad gekregen.
Zoo vloog een uurtje om, en werd af scheid genomen.
Thans ging de weg naar den koster. „Is Jasper thuis. Griet ? "
„Hij moet op 't kerkhof wezen dominé, en anders is hij in de kerk."
„O, dan zal ik hem wel vinden." Juist was hij bezig om den grafsteen van Mulders Bet schoon te schuren. Jasper hield niet van groene grafsteenen. 't Was zooveel te zeggen dat de dooden niet alleen uit het gezicht, maar ook uit het geheugen waren, meende hij.
„Maar dominé kan er immers ook wel even mee ingaan."
„'k Heb geen tijd meer Jasper, den ganschen morgen verbabbeld. Maar wat ik zeggen wilde : ik denk niet dat Sien zoo Engel-achtig ver van het trouwen afstaat als gij denkt, hoor."
„Neen, dominé ? "
„Neen. Of zij Sander wil hebben, dat weet ik niet, en daar bemoei ik mij ook niet m^e, maar als zij, wat men noemt haar partij krijgt dan verzeker ik je, dat zij met een gerust geweten in het huwelijksbootje stapt, gelijk wij het ook gedaan hebben. De rest laat ik aan Sander of aan jullie beiden over, en verder wensch ik je Gods zegen."
Weg was hij.
Beteuterd keek Jasper dominé Randwijk na. Soms kon hij zoo echt kinderlijk blij zijn, gelijk ook nu weer. Vooral wanneer het hem gelukte iemand te helpen of gelukkig te maken, en als hij het zoo ver had, dan verdween hij, opdat de menschen hem niet zouden danken.
Wat had hij in deze weinige woorden véél gezegd, die voor Sander van groote waarde zouden zijn. Natuurlijk moest die vandaag dit nog weten.
„Wat was dominé weer haastig, " — zei Griet.
„'t Ging over Sander ; je weet wel, en ik geloof nu stellig dat het losloopt."
„Dus je hebt den dominé mijn geheim verteld, " — riep deze uit, toen Jasper hem 's avonds kwam opzoeken.
„Dat heb ik, want het was de eenige weg om tot een oplossing te komen, maar nu ook niet meer getreuzeld, doch zoo spoedig mogelijk Sien gevraagd."
„Kalm aan Jasper, zoo kan het niet. Ik moet eerst nog eens "
„Je hebt niets meer te moeten. Als het wezen zal, dan wordt het tijd, en als je het zelf niet doet, dan ga ik het haar zeggen."
„Als je het waagt; ik zal mijn eigen zaken wel in orde maken."
„Dan aanstonds, " — hield Jasper aan — „men moet het ijzer smeden terwijl het heet is, en den hengel uitwerpen als er visch is. Henk is niet thuis. Sien zit alleen, en ik ga niet eerder weer naar het dorp, dan wanneer ik weet hoe het komt".
„'k Had er nooit iets van tegen je moeten zeggen, " — pruttelde Sander nog, maar Jasper deed hem uitgeleide tot de deur en zei toen op plechtigen toon, waarin hij al den ernst zijner eenvoudige vrome ziel legde : „de Heere zegene uwen uitgang en uwen ingang, van nu aan tot in eeuwigheid".
***
't Werd laat. Maar vervelen deed het Jasper niet, omdat hij dacht: „hoe langer het duurt, hoe meer kans van slagen." Eindelijk hoorde hij in de avondstilte 't naderen van voetstappen. Dat was Sander.
„En ? " vroeg Jasper.
Maar aan 't gelaat van zijn vriend zag hij wel dat er veel gebeurd was. Daarop verhaalde hij in korte trekken, wat wij reeds weten. Van haar afkomst en haar zwervend leven ; haar twijfel en wanhoop, en toch ook van haar geloofsoverwinning.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's