SCHRIFT VERKLARING
Want de Schrift zegt tot Farao : tot ditzelve heb ik u verwekt, opdat Ik in u mijn kracht zou bewijzen, en opdat mijn naam verkondigd worde op de gansche aarde. Zoo ontfermt Hij zich dan, diens Hij wil en verhardt dien Hij wil. Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog ? want wie heeft zijn wil wederstaan ? Maar toch, o mensch, wie zijt gij, die tegen God antwoordt ? Zal ook het maaksel tot dengene, die het gemaakt heeft, zeggen : waarom hebt gij mij alzoo gemaakt ? Of heeft de pottebakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken het eene vat ter eere en het andere ter oneere ? En of God, willende zijnen toorn bewijzen en zijn macht bekend maken, met veel lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns, tot het verderf bereid ; en opdat Hij zou bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid ? Romeinen 9 vers 17—23.
De persoon van Farao is al menigmaal het voorwerp van discussie geweest. Als er nu alleen van hem maar stond geschreven dat hij zijn hart verhardde, dan zouden er geen moeilijkheden geweest zijn. Maar we lezen ook gedurig in de Schrift, dat God Farao's hart verstokte. En als men dat leest, meent men toch eigenlijk in het gedrang te komen met de uitspraak van onze vaderen, dat God nooit de auteur van de zonde mag genoemd worden. Hoe zit het nu ? Heeft Farao zijn hart verhard of heeft God het gedaan ? Mij dunkt, het antwoord kan niet twijfelachtig wezen. Farao zelf heeft den nek verhard. Hij zelf heeft niet willen luisteren naar de roepstemmen, waarmee God tot hem kwam. Hij heeft eenvoudig al de plagen aan allerlei natuurlijke oorzaken toegeschreven. Met Gods straffende hand wilde hij niet rekenen. Slechts gedurende enkele oogenblikken sprak de stem zijner consciëntie. Doch als dan de plaag weer ophield, stelde hij zich weer gerust en cijferde weer alles weg. In dezen weg zinkt hij hoe langer hoe dieper weg. En nu geeft de Heere hem over. Hij geeft hem over in het goeddunken van zijn eigen hart. Het oordeel der verharding, hetwelk God over hem brengt, is tenslotte het eindstation van Farao's leven.
De apostel beziet hier echter den persoon van Farao, als door den Heere gepreedestineerd, opdat Hij in hem zijn kracht zou bewijzen. Farao heeft naar 's Heeren souvereinen wil diè plaats in de historie moeten innemen, diè hij heeft ingenomen. Was er geen Farao geweest, die vijandig tegenover het volk Gods had gestaan, de historie van Israël zou gansch anders zijn verloopen. Hier staan wij voor een ondoorgrondelijk mysterie. Calvijn zegt bij deze plaats (Exodus 9 vers 16), dat we er duidelijk uit kunnen zien, dat de verworpenen voortkomen uit den verborgen schat van Gods voorzienigheid.
Paulus teekent dan ook de vrijmacht Gods door te zeggen : Zoo ontfermt Hij zich dan diens Hij wil en verhardt, dien Hij wil.
Paulus gevoelt zelf wel, dat het menschelijke denken hiermee niet bevredigd is. Hij gaat dan ook zelf reeds voort met de veronderstelling, dat men nu zeggen zal : Wat klaagt dan God nog over de zondige menschen ? Als de verharding Gods eigen werk is, wie zal zich dan als nietige mensch tegen die verharding kunnen verzetten ? Immers niet één. Maar dan mag God ook niet klagen over de menschen, als de verharding huns harten een gewrocht is van zijn eigen hand.
Wat zal Paulus antwoorden op de bedenking, die hij zijn tegenstander in den mond legt? Het antwoord, dat ge zoo gaarne van Paulus zoudt vernemen, krijgt ge echter niet. Hij zet alleen uiteen, dat de mensch geen recht heeft om met God te twisten. God behoeft aan den mensch geen rekenschap van zijne daden te geven, want zijn doen is enkel majesteit. Een pottebakker kan immers ook met het leem doen gelijk hij wil. Hij kan immers een klomp leem gebruiken om er een sierlijk vaatwerk van te formeeren, maar hij kan het ook laten vormen tot eenig vaatwerk voor nederig gebruik.
Maar zoo kan de Heere ook doen met 't schepsel. Hij kan zich ontfermen diens Hij wil, maar ook verharden, dien Hij wil.
Het geheele betoog van den apostel komt dus eigenlijk hierop neer, dat de mensch zwijgen zal en de souvereiniteit Gods niet aantasten zal.
Oplossing van deze diepe verborgenheid zal in deze bedeeling wel onmogelijk blijven. Het kenmerk van ons zedelijk leven zal altijd blijven het diepe besef van verantwoordelijkheid. Dat verantwoordelijkheidsbesef is door geen drogredenen weg te cijferen. De uitverkiezing Gods daarentegen kan alleen uit de openbaringen, niet uit ons zedelijk besef worden toegelicht.
Zoodra ge er toe komt om uit uw zedelijk leven een gevolgtrekking te maken, komt ge vaak in botsing met wat God heeft geopenbaard.
In het Woord Gods vindt ge uitspraken over het Wezen en het werk Gods, maar ook daarnaast uitspraken, die zich tot uw zedelijk besef richten.
Ik lees in den bijbel, dat God op de eene plaats zegt : Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. En dan spreekt God ons toe als zedelijke schepselen. Maar elders zegt Gods Woord : De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziel. En daarmee laat de Heere zien, hoe Hij het feit der bekeering in de ziel van den zondaar heeft gewrocht.
En nu mag ik niet den nadruk leggen op het ééne, ten koste van het andere, en ook niet omgekeerd ; maar we hebben voor oogen te houden dat de Heere God voor het zedelijk leven eigen wetten heeft geschapen, die op dat terrein geldende zijn.
Maar aangezien Gods Wezen hoog boven dit terrein des levens ligt, heeft geen mensch recht om naar den maatstaf van dit geschapen zedelijk leven het Wezen en werk van den Schepper af te meten.
Wij kunnen deze dingen slechts bezien vanuit ons zedelijk leven. En daarom hielden onze vaderen vol, dat God geen gemeenschap kan hebben met de zonde.
De mensch zal dan ook tenslotte in innerlijke zelfverscheuring tot deze bange conclusie moeten komen : Ik heb mijn God verworpen, en daarom verwerpt Hij mij.
Neen, we mogen God van geen onrecht verdenken. De apostel wil juist in het 22e en 23e vers nog eens sterk laten uitkomen, dat de Heere lankmoedig is.
Als we deze beide verzen zoo lezen, dan is het alsof deze zinnen niet afloopen. De schrijver heeft stellig na deze vragen er bij gedacht: zullen we dan God nog onrechtvaardig heeten ?
Als de apostel hier spreekt van vaten des toorns, heeft hij nog steeds de beeldspraak van den pottebakker uit Jesaja 45 vers 9 en 10 voor oogen.
Er zijn wel exegeten, die bij de woorden „tot het verderf toebereid", alleen willen denken aan gerichten in dit tijdelijke leven. In 't verband is er echter niets, wat hierop wijst. We hebben dus wel terdege te denken aan het eeuwig verderf.
En wat blijkt nu ? Dat God ook die verharden heeft gedragen. Als Hij echter over hen toornt, dan toornt Hij over hen vanwege hunne zonden. De redding van den zondaar geschiedt alleen uit genade, buiten eenige verdienste. De verharding daarentegen is de straf op hunne zonde. Anders zou er ook van een rechtvaardigen toorn Gods geen sprake kunnen wezen.
Op het besluit der verwerping volgt een leven vol zonde en ongerechtigheid, bij allen, die verloren gaan. Om die zonde en ongerechtigheid gaan ze verloren. Dus door eigen schuld. In God is geen onrecht.
En als wij dan zien hoe ellendig de verworpenen zijn, hoe groot is dan de heerlijkheid Gods, die Hij wil bekend maken in de redding van arme zondaren, alleen uit souvereine genade.
EVENWICHT IN DE GAVEN VOOR LEERSTOEL- EN STUDIEFONDS
In den loop der jaren zal de voorliefde van menig lezer van „De Waarheidsvriend" voor één van onze beide fondsen zich wel duidelijk hebben afgespiegeld in de gaven. Dit wijzen de bijschriften bij de collecten Wel uit. Soms staat er niets bij, maar meest "voor het Studiefonds". En dan ook weer wel eens „voor het Leerstoelfonds". In den laatsten tijd heeft het Studiefonds wel de meeste liefde ontvangen. En geen wonder ! Het aantal studenten, die bij ons om steun aanklopten, werd hoe langer hoe grooter. Ons volk gevoelt een schreeuwende behoefte aan herders en leeraars. Als er één van de Universiteit komt, staan er vele gemeenten gereed om hem te beroepen. Hij kan echter maar één beroep aannemen. De anderen worden teleurgesteld en moeten weer maar wachten op een volgenden candidaat. Het Studiefonds voorziet dan ook in een schreeuwende behoefte. En toch, hoezeer dat Studiefonds in dadelijke behoeften voorziet en onmiddellijk groote zegeningen afwerpt, we mogen het Leerstoelfonds in geen geval uit het oog verliezen. We moeten voortgaan om het Leerstoelfonds te versterken. Bedenk wel, dat er spoedig een tijd kan komen dat we het nog meer noodig zouden hebben als het Studiefonds. Als we een blik slaan op het wereldgebeuren, dan treft het ons dat men van linksche zijde de Kerken overal in hare rechten beknotten wil. In het Roomsche Spanje worden kerken en kloosters verbrand. In Italië legt Mussolini allerlei moeilijkheden aan de Kerk in den weg. In Rusland heeft men het eenvoudig op den ondergang van de Kerk aangelegd. Zoo zouden we kunnen voortgaan. In Nederland genieten de verschillende Kerken nog een groote vrijheid. Ja, de Staat betaalt zelfs de onkosten van drie theologische faculteiten. Gezien het groote getal hoogleeraren en de hooge salarissen, is dit voorwaar geen peulschilletje ! Zonder ook maar een oogenblik den profetenmantel te willen aantrekken, zien we bij de geweldige machtsverschuiving naar links het gevaar volstrekt niet als denkbeeldig, dat er wel eens een tijd zou kunnen komen, waarin degenen, die met God en Zijn Woord hebben gebroken, een streep zouden halen door onze drie theologische faculteiten te Leiden, Utrecht en Groningen. Wat dan ? Dan zaten we zonder Hooge School. Maar wat dan ? Hoe krijgt men dan opeens de groote kapitalen bij elkaar om een Hoogeschool te stichten ? Nu kan men wel zeggen, dat de Heere ook dan wel in den nood zal voorzien, maar dat neemt niet weg, dat ook nu onze menschen wel fondsen moeten vormen, die reeds nu rijken zegen kunnen afwerpen. Hoe hoog noodig is het dat ook aan meerdere Universiteiten de Gereformeerde beginselen zullen worden verbreid. Maar nog eens, laat het nu schreeuwend noodig mogen wezen, in de toekomst zou het wel eens kunnen blijken dat ons Leer- stoelfonds in dagen van druk in een groote behoefte zou kunnen voorzien. En daarom ook van het Leerstoelfonds de hand niet afgetrokken
IETS OVER DEN RAAD VAN BEHEER, WAT ALLEN WETEN MOETEN.
Het gaat met den Raad van Beheer niet, zooals de Bond van Predikanten dit wel zou willen. Ge weet, dat eenige jaren geleden de Bond van Predikanten bij de Synode zijn misnoegen te kennen gaf over den Raad van Beheer. 't Was toch een feit, dat men nauwelijks aan de helft van de volgens het reglement beloofde verhoogingen toekwam. De Raad van Beheer is ook nu slechts in staat om de helft der verhoogingen en der kindergelden uit te betalen. Hoe dat komt ? zoo hoor ik u vragen. Wel, er zijn natuurlijk nog tal van kerkvoogdijen die weigeren den aanslag te betalen. Maar bovendien betalen de meeste kerkvoogdijen ook te weinig. Ds. mr. Dartels heeft indertijd gedacht: beter wat dan niets ! Was een kerkvoogdij er toe te vinden om te accordeeren over de betaling, dan bleek men vaak zeer soepel te willen optreden. Vooral als de gemeente nog niet herderloos was. Dan voelde men van de zijde van den Raad van Beheer het heel goed, dat er niets te bereiken was als men geen water door den wijn deed. In vele gemeenten is de zaak nu geregeld. Dat er maar 50% wordt uitbetaald, bewijst genoeg dat het nog lang niet in den haak is, als men het van de zijde van de naleving van het reglement beziet. De Bond van Predikanten is dan ook al lang van oordeel, dat het nu maar eens uit moet zijn met dat geschipper van den Raad van Beheer. Men wil eindelijk wel eens het volle pond hebben. In gemeenten, waar het kerkelijk leven door het modernisme totaal verwoest is, kan men den aanslag maar moeilijk verhoogen. Als er geen volk in de kerk komt, brengen de zitplaatsen ook niets op en de collecten evenmin. Het moet dan komen van de pastoralia en de kerkelijke goederen. Maar die zijn er in vele gemeenten niet eens. En waar ze zijn, zijn de opbrengsten aanzienlijk verminderd door daling van pachten of vermindering van opbrengt. Men kan nu eenmaal van een kikker geen veeren plukken ! Uit moderne en uit vele ethische gemeenten is niets te halen. De gereformeerde gemeenten echter offerden steeds gaarne voor de beginselen, waarvoor onze Vaderen zoo hebben gestreden. Daar is 't meest te halen, heeft blijkbaar de Raad van Beheer gedacht. Gemeenten als Oldebroek, Harderwijk, Nijkerk enz., zagen dan ook hun aanslag ineens met honderden guldens per jaar verhoogd. In andere gemeenten wordt nog een andere tactiek gevolgd. Stel eens, dat er een gemeente is, die ƒ840.— per jaar betalen moet. Die gemeente had geen bezwaar om 5% administratiekosten te betalen. Ge kunt om ƒ40.— of ƒ50.— de kerk niet uit elkaar laten springen, zoo redeneerde men dan. De rest mag immers met onzen eigen dominé worden verrekend. Voor hém heeft men het over. Als nu echter twee jaar voorbij zijn, is er weer recht volgens het reglement op ƒ160.— verhooging. Welaan, de predikant teekent de kwitantie van dit verhoogde tractement. Het kost maar ± ƒ8.— meer aan administratiekosten, te betalen aan den Raad van Beheer. Zoo gaat echter elke twee jaar de aanslag langzaam maar zeker omhoog. Eindelijk komt onverwachts een vacature, en ziedaar, hoe de gemeente er nu ineens voor komt te staan om dien hoogen aanslag, na aftrek van eenige vermindering, aan den Raad van Beheer te voldoen. We zouden daarom wel willen adviseeren : kerkvoogden, let op uw zaak ! Want de financiëele koorden worden elke twee jaar vaster aangetrokken misschien zóó vast, dat ge aan handen en voeten gebonden wordt, eer ge 't zelf te weten zijt gekomen. Protesteer althans tegen de vernieuwde verhoogingen en steun de actie van allen, die met eerlijke middelen strij- den tegen een reglement, hetwelk niet an- ders dan tot groote schade van onze Gereformeerde gemeenten is.
WANNEER EN WAAR MOETEN SCHIPPERSKINDEREN TER CATECHISATIE GAAN ? — Die vraag heeft blijkbaar den kerkeraad van Hoogeveen bezig gehouden, een gemeente, waartoe ook vele schippers behooren, die echter met hun schepen het geheele land doortrekken en zelden langer dan enkele dagen achtereen in ééne plaats vertoeven. Hoe moeten nu hun kinderen catechetisch onderwijs ontvangen ? Toen ik als secretaris van den Gereformeerden Bond daarover een schrijven ontving, gingen onwillekeurig mijn gedachten terug naar den tijd, dat ik zelf predikant was te Hoogeveen. Toen was het gewoonte, dat in December en Januari de schippers met hun schepen in Hoogeveen bleven. Als jongste predikant moest ik dan bij de schippers „huisbezoek" doen. 't Was eigenlijk „schipbezoek". Het Kanaal lag dan de geheele plaats door vol schepen en ik heb nog de aangenaamste herinneringen aan die bezoeken in de roef bij de schippers. Men was er welkom; de trommel met nieuwjaarskoeken werd bij het koffiedrinken u voortdurend voorgehouden en de schippers, die krachtens hun bedrijf op vele plaatsen kwamen, waren ook met de kerkelijke wereld aardig op de hoogte. En over het algemeen werd het zeer gewaardeerd, wanneer met het schippersgezin de eeuwige belangen hunner ziel en de weg des heils werd besproken en in gebed hun nooden en behoeften voor Gods troon werden gebracht. Het was soms wel een heel geklauter om in en uit de roef te komen zonder iets te breken of zelf te vallen, maar de schippers waren hulpvaardige menschen ; men kwam altijd' weer veilig op den wal. Maar ik moest niet alleen huisbezoek doen bij de schippers. In die twee wintermaanden hadden ook de schipperskinderen catechisatie, en wel driemaal per week. En aan het einde van dien catechisatiecursus deden dan enkelen der oudsten belijdenis des geloofs. Ook aan die schipperscatechisatie denk ik nog met genoegen. Het jonge schippersvolkje was tamelijk vrijmoedig ; wellicht tengevolge van hun omgeving met veel en velerlei menschen, kwamen allerlei vragen op in hun hart en hadden ze gelegenheid, zoo dachten ze, die den dominé eens voor te leggen, 't Was een woelig volkje, hoewel toch niet ongezeggelijk en met eerbied en ontzag vervuld voor Gods Woord en de dingen van Zijn onbewegelijk Koninkrijk.
Het is echter al twintig jaar geleden, dat ik deze toestanden te Hoogeveen meemaakte. En sindsdien is het zeer veranderd, merk ik. De schippers „liggen bijna niet meer op" in den winter. De geest des tijds heeft blijkbaar ook de schippers zenuwachtig gemaakt, zoodat zij niet meer rustig kunnen overwinteren. Zij gunnen zich geen tijd meer om eenige weken rustig in het midden van hun familie en kennissen te vertoeven. Als een schipper uit Hoogeveen dit leest, zegt hij misschien : neen, Dominé, de zaak staat anders. We zijn nog even kalm als vroeger, maar de tijdsomstandigheden, de vrachtgelegenheden, de concurrentie en heel het maatschappelijk leven tegenwoordig dringt ons, om rusteloos voort te varen, dit woord dan gekomen in letterlijken zin. Dat zal wel waar zijn. Maar het gevolg van dit alles is o.a., dat de kinderen geen gelegenheid hebben om in de wintermaanden afzonderlijk geregeld catechetisch onderwijs te ontvangen. En ons schippersvolkje moet toch ook onderwezen worden in de leer des heils ! Wat heeft nu de kerkeraad der Nederl. Hervormde Gemeente te Hoogeveen besloten ? Deze heeft de zaak locaal geregeld, zoodat elken Zondagavond er gelegenheid is voor de aanwezige schipperskinderen, om catechetisch onderwijs te ontvangen. Maar diezelfde kinderen zijn misschien den volgenden Zondag in Genemuiden of Rotterdam. Wat zou het nu een zegen zijn, indien er een interlocale regeling was, zoodat dit catechetisch onderwijs te Genemuiden of te Vlaardingen enz. kon worden voortgezet. Daarom zou de kerkeraad van Hoogeveen gaarne zien, dat de kerkeraden der gunstig gelegen plaatsen ieder dezen arbeid op zich namen en dat de catechiseerende predikanten onderling afspraken de Zondagen van den Catechismus in vaste volgorde te behandelen. Als dan zoo'n schipperskind op 5 Juli te Hoogeveen Zondag 11 hoorde uitleggen, kon het er op rekenen dat den volgenden Zondag te Vreeswijk Zondag 12 aan de orde zou zijn. De afdeeling van den Gereformeerden Bond te Hoogeveen, verzoekt het Hoofdbestuur een commissie in het leven te roepen, die deze zaak afdoende regelt. Maar het Hoofdbestuur, hoewel het alle sympathie voelt voor dit plan, acht het 't beste, dat deze zaak onderling geregeld wordt door belanghebbende kerkeraden en dienst vaardige predikanten. Zou de zaak niet zoo te regelen zijn : Als nu alle predikanten uit gunstig gelegen plaatsen, waar dikwijls schipperskinderen vertoeven, per kaart hun bereidwilligheid wilden te kennen geven aan ds. J. A. van Nie te Hoogeveen, om in deze zaak samen te werken. Dan kan men eenheid in methode van onderwijs verkrijgen voor alle plaatsen, waar Schrift en Belijdenis in eere zijn en die door hun ligging tot dezen arbeid geroepen zijn.
Wat zou dit een zegen kunnen afwerpen voor ons schippersvolk, dat grootendeels nog belangstelt in de dingen van Gods Koninkrijk !
Barneveld. Ds. B. BATELAAN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's