De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SCHRIFT-VERKLARING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHRIFT-VERKLARING

6 minuten leestijd

ROMEINEN 9 vers 14—23 Wat zullen wij dan zeggen: is er onrechtvaardigheid bij God ? Dat zij verre. Want Hij zegt tot Mozes : Ik zal Mij ontfermen, diens ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn diens Ik barmhartig ben. Zoo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Want de Schrift zegt tot Farao : hiertoe heb ik u verwekt, opdat ik in u mijn kracht bewijzen zou, en opdat mijn naam verkondigd worde op de gansche aarde. Zoo ontfermt Hij zich dan diens Hij wil, en verhardt dien Hij wil. Gij zult dan tot mij zeggen : wat klaagt Hij dan nog, want wie heeft zijn wil wederstaan. Maar toch, o mensch, wie zijt gij, die tegen God antwoordt ? Zal ook het maaksel tot dengene, die het, gemaakt heeft, zeggen : waarom hebt gij mij alzoo gemaakt ? Of heeft de pottebakker geen macht over het leem om uit denzelfden klomp te maken, het ééne vat ter eere en het andere ter oneere. En of God, willende zijnen toorn bewijzen en zijn macht bekend maken, met veel lankmoedigheid heeft verdragen de vaten des toorns, tot het verderf bereid, en opdat Hij zoude bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid.

Wat zullen wij dan zeggen : is er onrechtvaardigheid bij God ?
Ik kan mij indenken, waarom Paulus die vraag doet. De gedachte aan onrechtvaardigheid kan zoo gemakkelijk opkomen, als we daar lezen, dat God Jacob lief heeft gehad, maar Ezau heeft gehaat. En toch is er van onrecht geen sprake. Men vergete toch niet, dat God de Heere te doen heeft met zondige schepselen, wier schuld zoo groot is, dat ze niet meer het minste recht hebben.
De verkiezende genade Gods wordt menigmaal verkeerd voorgesteld. Men vergelijkt God dan met een heer, die slechts een klein deel van zijn goed personeel beloont, doch daarentegen het grootste deel straft. Maar zoo is het niet. Dit sta voorop, dat de geheele wereld voor God verdoemelijk ligt. Toen de Heere op aarde nederzag om te zien of iemand verstandig was, die God zocht, was er niet één. Indien dan ook de Heere zijne hand van de gansche menschheid had afgetrokken en niemand tot de zaligheid verkoren
had, dan zou er nog geen sprake van onrechtvaardigheid zijn geweest.
De fout die men dus gewoonlijk maakt is deze, dat men niet genoeg rekent met het feit, dat alle menschen door de zonde diep gevallen zijn. Dat is trouwens de groote fout in allerlei theorieën van onzen tijd, dat men niet wil weten van het feit der zonde.
Onze vaderen hadden het nog zoo mis niet als ze er telkens den nadruk op meenden te moeten leggen, dat de wortelzonde in het paradijs ligt.
Welaan, lezers, dit sta u voor oogen, dat alle menschen tegenover God hunne rechten door de zonde verloren hebben. Van rechten is eigenlijk geen sprake meéir. Wie verloren gaat, gaat verloren naar recht, niet omdat God hem niet heeft uitverkoren, maar omdat hij tegen God gezondigd heeft.
Nu komt echter hierin de vrij macht Gods uit, dat Hij uit die diepgevallen menschheid zich nog een volk wil formeeren, hetwelk Zijn lof zal vertellen. Ziet, Ik schep een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid wonen zal, spreekt de Heere. Het scheppingsplan zou niet mislukken, omdat God van eeuwigheid af gedachten des vredes heeft gehad. Hij zou over den donkeren nacht van zonde laten opgaan het licht zijner genade. Is Hij rechtvaardig in zijn straffen, als Hij de goddeloozen laat ondergaan in den eeuwigen nacht, als hij sommigen genade bewijst, is Hij vrijmachtig. Daarom spraken onze vaderen van souvereine genade.
Ik lees daarvan ook in vers 15. Want Hij zegt tot Mozes : Ik zal mij ontfermen diens ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn diens Ik barmhartig ben.
Dit is een woord uit Exodus 33. Ge weet dat het volk van Israël tegen God had overtreden door de zonde van de aanbid­ ding van het gouden kalf. De Heere was reeds besloten om het gansche volk te verdelgen, maar Hij liet zich door Mozes verbidden. Hij .nam het volk nog weer aan als zijn volk, maar toch zóó, dat het recht aan Hem bleef of Hij zich over de enkelingen al of niet zou ontfermen.
Ook bij de eeuwige verkiezing is geen sprake van willekeur. Willekeur vindt ge sïechts bij de leer van Mohammed. Bij Mohammed wordt God de grillige Oostersche despoot, die met 't zijne doet, wat hij wil. Bij de noodlotsleer is het de kille hand van het noodlot, die ons grijpt. En dat noodlot kent geen medelijden. Dat noodlot lacht met onze tranen en onze ellende. Het maakt tenslotte het leven tot ééne groote machtige wereldmachine, die er zich niet om bekommert om het individu tusschen hare wrijvende en stampende deelen wordt vermorzeld. 
Neen, de Schrift spreekt .ons van Gods souvereinen en heiligen wil, als grond van de noodzakelijkheid der dingen. Ik heb eens een Godvreezend man bij het graf van zijn kind, hetwelk zoo. donker was heengegaan, hooren zeggen : „De Heere zal mijn kind geen onrecht doen".
Neen, o volk des Heeren, uw God is niet een God van het noodlot, maar een God van recht en gerechtigheid. En ook Gods volk leeft maar niet naar de grillen van het noodlot. In Epheze 1 vers 4 leert Paulus het ons anders : Gelijk Hij ons heeft uitverkoren in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde. Hier zien we den apostel den nadruk leggen op het heilige doel der verkiezing.
Dat het geloof onzer vaderen juist bevorderlijk was aan de godsvrucht, mag dan ook zeker hieruit blijken, dat de Gereformeerden tot op den huldigen dag de tien geboden laten voorlezen vóór de predikatie.
Als ge bedenkt, dat de predestinatie het werk is van een heiligen God, dan begrijpt ge dat er van onrecht geen sprake is, maar dat er ook geen onheiligheid, geduld wordt.
Nog eens, van willekeur is op zuiver Gereformeerd standpunt géén sprake.
Dat sommigen echter, die voor extra zuiver in de leer willen doorgaan, eigenlijk Mohammedaansch zijn, behoeven we dan ook niet te zeggen. Ze doen veel kwaad met hun vermeende rechtzinnigheid.
Zoo stelde een bekend prediker het van den kansel voor, alsof de Heeré er met zijn hand naar willekeur telkens eenigen uitzoekt. Hij maakte dan ook de grijpbewegingen naar verschillende richtingen in het bedehuis, alsof de Heere er uit die bank één zou uitnemen uit gindsche bank ook weer één.
Maar zoó is het zeker niet. Bedoelde prediker heeft er blijkbaar niet aan gedacht dat er ook een genadeverbond was. De lijn van de verkiezende genade is op te merken in de geslachten.
Verder gaan we op, deze dingen hier niet in. Toch meenden we enkele dingen te moeten aanstippen, om, tenslotte te komen tot de conclusie, die Paulus maakt in vers 16 : Zoo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods.
Als de Remonstranten gelijk hadden, wat zou het dan ontzettend klinken: Zoo is het dan wèl desgenen, die wil, en wèl desgenen die loopt, maar niet; des ontfermenden Gods.
Mogen we hier ook Calvijn nog eens even het woord geven.
„Zij, die uit deze plaats besluiten, dat wij eenige macht hebben om te willen, hoewel zulk eene, die op zichzelf niets vermag, maar door de barmhartigheid Gods geholpen moeten worden, gaan dwaas te werk. Want de apostel wijst niet aan, wat in ons is, maar sluit al onzen arbeid uit. Nochtans zijn op hunne beurt te berispen, die ledig blijven, om der genade Gods plaats te geven; want al is het, dat wij ons door onzen arbeid niets uitwerken, zoo zijn nochtans de begeerte en de naarstigheid, die door God ingegeven worden, niet zonder kracht. Zoo wordt dan dit niet gezegd, opdat wij door onze wederspannigheid en traagheid den Geest Gods, die ons met vuur ontsteekt, zouden uitblusschen, maar opdat wij zouden verstaan, dat alles wat wij hebben van Hem is, en daarom leeren, alles van Hem te bidden en te verwachten, en Hem wegens alles te danken en met vreezen en beven onze zaligheid uit te werken.
Hoe schoon heeft Calvijn zijne gedachten uitgesproken, over dit belangrijke vers. (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

SCHRIFT-VERKLARING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's