KERKELIJKE RONDSCHOUW
HET PLOTSELING STERVEN VAN DEN HEER G. J. A. RUIJS.
Bizonder werden we weer getroffen door het zoo plotseling sterven van den heer G. J. A. Ruijs, bekend als uitgever — hij was ook eenigen tijd uitgever van het Gereformeerd Weekblad onder redactie van dr. De Lind van Wijngaarden en prof. Visscher — maar meer nog bekend onder ons als secretaris van de Federatie der Diaconieën en als ijveraar voor de stichtingen van barmhartigheid : Zonnegloren, het sanatorium te Soestduinen voor tuberculoselijders, de Lichtenberg te Amersfoort voor zenuw-en geesteszieken en Zon en Schild, ziekenhuis te Amersfoort.
Steeds was de heer Ruijs er op uit de Diaconieën met raad en daad bij te staan, den diaconalen arbeid te bevorderen en te verbeteren, door het houden van conferenties met elkander te spreken over allerlei principieele en practische vraagstukken, en de samenwerking te bevorderen op het terrein van het werk der barmhartigheid, uitgaande van de Hervormde Kerk.
Door heel het land was de heer Ruijs bekend. Groote en kleine gemeenten bezocht hij. Door correspondentie hield hij contact met velen. Door het gereorganiseerde orgaan „Diakonia" wist hij grooten invloed uit te oefenen. Zijn „Kronieken" waren altijd interessant.
En te midden van zijn werk — in Amsterdam in de Kerkekamer zijnde om te vergaderen — is hij plotseling, in een oogenblik, door den Heere, Die over leven en dood beschikt, weggenomen en Zaterdag is hij, onder groote belangstelling, te Putten op de Veluwe, waar vroeger zijn vader predikant was, begraven.
Veel werk was nog niet af. Een groot gezin laat hij achter. Gelukkig dat we weten, dat de Heere zich nooit vergist; dat Hij Zijn arbeiders begraaft, maar Zijn werk voortzet; dat Hij een Man voor de weduwe en een Vader voor de weezen wil zijn; dat Hij een God des levens is voor degenen die in Christus sterven.
Twaalf uren zijn er in den dag, dat we werken moeten.
Als straks de nacht komt, dat het woord van den Heiland ons deel mag zijn : die in Mij gelooft zal niet sterven, maar leven tot in eeuwigheid.
IN LEVEN EN STERVEN DES HEEREN.
In „de Standaard" van Zaterdagavond j.l. lazen we een artikel van de hand van mej. H. S. S. Kuyper, die schrijft over : „Overwinningen op den dood".
Wij nemen dit artikel hier gaarne over, onverkort en zonder commentaar. Het kan licht ontsteken in de donkerheid, het kan troosten in alle smart, 't kan bemoedigen ook bij het sterfbed. Wat is het geloof een goddelijk-heerlijke zaak. Wat is het deel mogen hebben aan Christus zalig !
Het artikel luidt:
We hebben zeker allen met ontroering gelezen wat dr. H. A. van Andel schreef over het heerlijk afsterven van Mevrouw Groot—Boot te Djocja, en over haar begrafenis, die eigenlijk „een feest" was, zoo als iemand, die die liefelijke begrafenis had bijgewoond, aan dr .Van Andel schreef:
„De blijdschap des geloofs deelde zich aan allen mede, en ieder ging gesterkt en bemoedigd weer verder den pelgrimsweg, met nieuw verlangen in het hart naar het heerlijke einde van den weg. De weg die voor ons ligt, werd een kleine afstand, die welhaast afgelegd zal zijn, doordat een oogenblik de hemel zich als het ware geopend had, en het inzien voor een moment had geschonken."
Welk een genade, dat Gods kinderen zóó mogen heengaan. Zoo bereid, zoo blijde om Gods roepstem te hooren, en te mogen antwoorden : „Zie hier ben ik !" Ik dacht aan wat dr. Van Andel over haar ziekte en sterfbed schreef, nu onze oude huisvriend W. van Deth na korte ziekte tot God is gegaan.
Want ook op dat ziek-en sterfbed „heeft het licht van Gods genade zóó helder gestraald, dat de duisternis van den dood voor het licht des levens geweken is."
Midden in zijn werkzaam leven kwam eensklaps de roepstem tot een ernstige operatie. „Veilig in Jezus' armen" was zijn ziele-antwoord op al de zorgen, die hem plotseling bestormden.
Toen aanvankelijke beterschap intrad, was 't hem goed, want: „'t Zij wij leven, wij zijn des Heeren." En toen hoop op beterschap vervloog, was 't hem ook goed, want: „'t Zij wij sterven, wij zijn des Heeren."
Die woorden waren hem tot wonderen steun. De familie heeft die woorden, die hij kort voor zijn heengaan nog uitsprak onder het bericht van zijn overlijden geplaatst.
Zoo kan het licht van Gods genade stralen niet alleen uit het leven van Gods kinderen, maar ook uit hun sterven. En dat licht kan dóór hun sterven blijven uitstralen, nadat zij gestorven zijn.
Zóó heerlijk kan dat licht over sterfbed en begrafenis zijn, dat we de stemming begrijpen, waarin Paulus 't uitjubelde : „Dood, waar is uw prikkel ? Hel, , waar is uw overwinning ? "
Want dan is de overwinning niet meer aan den dood, maar aan het kind van God, dat door Grods genade zóó triumfantelijk den aood door mocht gaan ten eeuwigen leven.
Zooals iemand mij dezer dagen schreef : „Een Christelijk sterfbed is een overwinning over den dood."
Een overwinning over den dood — dat kan óók een Cnristelijke begrafenis zyn.
Een overwinning over den dood — dat was ook de begrafenis van de eerste gouvernante onzer Koningin, Mevrouw Hoefer, geb. Baronesse van Heemstra.
OOK: deze vrome Christin heb ik reeds als kind gekend, daar zij de beste vriendin myner moeder was. Reeds in mijn jonge jaren maakte het indruk op mij, dat deze beide vrouwen door zulk een innigen band des geloofs en der gemeenschap in hun Heiland verbonden waren.
Niet midden in haar leven is mevrouw Hoefer opgeroepen. God schonk haar de volle maat harer jaren. Maar tot in haar ouderdom bleef haar geloof helder en kinderlijk spontaan. Het kostte haar nooit moeite te getuigen van den Heiland, dien zij diende met de warmte van haar vurig hart — het getuigen was haar een vreugde — bijna zou ik zeggen : een levensbehoefte.
En zoo heeft zij zelve nog „getuigd" op haar begrafenis. Getuigd van de hope, die in haar was — van de liefde Gods, die het verlorene zoekt.
Door vriendelijke toestemming van Generaal P. A. Hoefer, die met Baronesse van Heemstra gehuwd was, ben ik in staat gesteld, dit „getuigenis", dat op haar begrafenis is voorgelezen, aan de lezers van „De Standaard" mee te deelen.
Mevrouw Hoefer had het lang voor haar heengaan opgesteld. Leven en sterven zijn voor Gods kinderen niet ver van elkander verwijderd.
Het geschrift, dat haar man eerst na haar overlijden mocht openen, luidt als volgt :
Hattem, 18 December 1909.
Eenige dingen over mijn begrafenis. Alles zoo eenvoudig mogelijk. Geen bloemen. Niemand in den rouw. Zeer eenvoudige kist. Geen naam er op — 't is genoeg dat mijn naam opgeschreven is in de hemelen. Wat nu volgt had ik gaarne op het kerkhof gesproken : Wij brengen hier eene arme zondares, wier eenige roem was, dat zij verlost was door Jezus Christus. En nu wil zij zoo vurig, dat haar heengaan nog het middel mocht zijn om velen den weg naar den hemel te wijzen. Dit aardsche leven is door den zondeval moeite en verdriet en kan ons hart, dat voor de eeuwigheid is bestemd, niet bevredigen. Dit kan God alleen. Hij zoekt U ook nu. Hij wil U vrede schenken en eenmaal de eeuwige heerlijkheid. Het eigendom van Jezus te zijn zij uw aller deel. De Heilige Geest make woning in uwe harten, mocht Gods naam nooit door u gelasterd worden, maar verheerlijkt. Het leven is zoo ernstig en zoo moeilijk — maar het lijden dezes tegenwoordigen tij ds is niet te waardeeren tegen de heerlijkheid die aan ons zal geopenbaard worden. Mocht daar de begeerte van uw hart naar uitgaan en zij het voor velen een wederzien voor Gods troon. Amen.
De tekst op het graf : Epheze 2 : 8, 9.
Daar luidt Gods Woord aldus : „Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof ; en dat niet uit u, het is Gods gave ; niet uit de werken, opdat niemand roeme !
Dat is het heerlijke van zulk heengaan, dat, als we stervende en gestorven zijn, en niets meer zijn — dat dan Gods genade alles is.
Want wij zijn ook niets — en behoor en niet aan ons zelven toe.
Maar 't zij dat wij leven, 't zij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.
Onze èènige troost — beide in leven en sterven.
Noch naar lichaam noch naar ziel ons zelf toe te behooren — maar 't eigendom van onzen getrouwen Zaligmaker te zijn.
GELIQUIDEERD.
Ieder weet wel zoo ongeveer wat dat vreemde woord beteekent, al zal niet ieder dadelijk in het Hollandsch kunnen zeggen wat de juiste beteekenis van het woord is.
Laten we maar even zeggen welke zaak in liquidatie we op 't oog hebben.
In Amsterdam was een onderneming uitgaande van, de Vrijz. Hervormden, om twee moderne dominees daar te pooten en een moderne kerkhervorming op touw te zetten.
Nu zegt men wel eens, dat de modernen altijd hard schreeuwen als ze geen dominé van hun kleur hebben en dat ze dan, martelaar spelend, veel lawaai maken. Maar als ze een dominé hebben is de fut er uit en de belangstelling openbaart zich beneden nul te zijn.
Daarom zijn er wel menschen, ook orthodoxe menschen, die zeggen : geef den modernen maar een dominé dan worden ze 't eerst en 't makkelijkst in 't graf geholpen.
Hoe 't zij, gemeenten waar moderne dominees zijn — neem Alkmaar, Nijmegen, Zwolle enz. — laten soms zien, dat het kerkelijk leven der modernen niet heel sterk is. Soms wel bij de stembus. Maar niet bij de prediking.
Zoo is er dan in Amsterdam een onderneming gesticht om te bevorderen, dat er twee moderne dominees zouden komen, die een moderne kerkhervorming zouden ter hand nemen en die onderneming werd tot eene „Eerezaak" gemaakt voor heel Vrijzinnig Nederland.
Eerst liep de eene dominé weg.
Toen nam ook de tweede dominé een beroep aan.
En dan is er niemand meer over: ---
Is die zaak nu failliet of niet ?
Zoo werd ook op de jaarvergadering van de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden in Nederland gevraagd.
Laat ons èen klein stukske van het verslag van die vergadering uitknippen. Dan weten we precies hoe 't zit met die Amsterdamsche affaire. Dan begrijpt men ook waarom we het woord „geliquideerd" gebruikten.
In het verslag (voorkomend in de N. Rott. C.) lezen we :
„Dr. de Vos uit Sneek vraagt nadere inlichtingen omtrent den toestand in de afdeeling Amsterdam.
De voorzitter antwoordt, dat de, „Eerezaak" als zoodanig is geliquideerd en dat het hoofdbestuur dus geen bizondere verantwoording omtrent Amsterdam meer draagt. Het is een gewone afdeelingszaak geworden."
Van een liquidatie-uitverkoop wordt geen melding gemaakt.
Maar alles komt ook niet in eens. Gelukkig dat vlak onder deze liquidatieaffaire, verslag staat aangaande het z.g.n. „Wachttorenschandaal", waarbij gezegd kon worden „dat er van een z.g.n. Wachttorenschandaal hoegenaamd geen sprake is."
't Zou ook wel alles tegelijk zijn, wanneer het zóó erg was.
Maar dat het niet heelemaal zuiver is en dat het niet botert op 't oogenblik onder de Vrijzinnig Hervormden, dat staat toch wel vast.
De jaarrede van dr. Niemeyer van Bolsward, een tacticus eerste klas, was dan ook niet bepaald in opgewekten toon gesteld.
De wolken zijn donker en de lucht voorspelt niet veel goeds in dien hoek.
HET STUDIEFONDS DER VRIJZINNIGEN.
In het verslag van de Jaarvergadering der Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden in Nederland komt o.m. deze passage voor :
„Ds. Pallist brengt verslag uit over de Studiekas, waaruit dit jaar zijn geholpen 32 studenten, 2 gymnasiasten en 11 studeerenden voor staatsexamen. Naar aanleiding hiervan vraagt dr. Boersema, of er voldoende waarborgen zijn omtrent het effect van de beurzen. Ds. Poldervaart zou het aantal beurzen willen beperken en het bedrag van de beurzen willen verhoogen. Ds. Lugt acht voorzichtigheid bij het toekennen van beurzen noodzakelijk."
Men ziet, ook daar is actie in de richting van een studiekas, om te bevorderen dat er meer predikanten komen zullen in de Ned. Hervormde Kerk.
Helaas predikanten, die niet den Christus der Schriften prediken, die niet brengen zullen het Evangelie des kruises.
Laten wij in ijver niet achterblijven; te meer waar ons doel en oogmerk zooveel heerlijker is.
GODS EENIGGEBOREN ZOON.
Tal van Vrijzinnigen hebben beslist bezwaar tegen de belijdenisvragen in art. 39 Reglement Godsdienstonderwijs voorgeschreven. Daar is toch sprake van de leer van een Drieëenig God. En de leer van de Triniteit gaat door heel de Christelijke Kerk en is ook naar den aard en het wezen, naar den geest en de hoofdzaak van de leer der Hervormde Kerk. Vader, Zoon en Heilige Geest — waarbij Art. 11 Algemeen Reglement zegt, dat de leer der Kerk moet worden gehandhaafd.
De dogmatiek van de Vrijzinnigen — want zij hebben evengoed dogma's of leerstellingen dan de rechtzinnigen — leert héél andere dingen dan b.v. onze Heidelberger Catechismus, ons Doop-en Avondmaalformulier.
In geest en hoofdzaak verschilt de Vrijzinnige leer met deze rechtzinnige leer.
Bepaaldelijk ook wat betreft die omschryving „Gods eeniggeboren Zoon", in de belijdenisvragen voorkomend, kunnen de Vrijzinnigen zich niet vinden in de leer der Hervormde Kerk. De 12 geloofsartikelen, de Heidelb. Catechismus, de Nederlandsche geloofsbelijdenis, het Avondmaalformulier enz. enz. geven duidelijk aan wat de geest, de aard, het wezen van de Hervormde leer in deze is. Overal wordt gesproken van : Jezus, ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria, waarachtig God en waarachtig mensch. Jezus, de tweede persoon van het Drieëenig Goddelijk Wezen, die in de volheid des tij ds de menschelijke natuur heeft aangenomen : Immanuël, God met ons ! Jezus, Die voor de zonde Zijns volks geleden heeft en gestorven is. Die verzoening heeft aangebracht in Zijn bloed.
De Vrijzinnigen vinden dat dwaasheid, 't Is voor de Vrijzinnigen onaannemelijk. Ze maken er in wezen gansch iets anders van. Ze zijn in deze vervreemd van de leer der Hervormde Kerk.
In 't boekje van ds. T. A. van der Vlies : „Kunnen de Vrijzinnigen in de Ned. Hervormde Kerk blijven ? " 1915, blz. 8, wordt o.a. gezegd : dat van de leer aangaande Jezus zoo'n carricatuur is gemaakt, dat de verstandige en godsdienstige mensch (en dat is dan natuurlijk : de Vrijzinnige) vol walging en droefheid van zulk een prediking zich afkeert!
Ze staan er dus fierkant tegenover ; ze leeren zelf principieel iets anders. En toch zeggen ze altijd maar, dat zij in geest en hoofdzaak, in aard en wezen instemmen met de leer der Hervormde Kerk !
Ook het propaganda-boekje „De Groote Kerk" van den heer L. M. Steenbergen, bestemd voor Vrijzinnige leden der Ned. Hervormde Kerk en voor „aannemelingen" (zie titelblad) „zit" met deze moeilijkheid. Hoe kan men „ja" zeggen wanneer men eigenlijk „neen" moet antwoorden ?
Hoe kan men toestemmend antwoorden op de vraag of men in geest en hoofdzaak met de leer der Hervormde Kerk instemt, als men zich met afschuw afkeert van die verschrikkelijke leer ?
In het propaganda-boekje weet men er raad op. Op blz. 10 wordt gehandeld over de 3 belijdenisvragen en over die uitdrukking : „Eeniggeboren Zoon" en „Heiland". En dan wordt gezegd : „Vrijzinnige menschen hebben in den regel bezwaar tegen de uitdrukking „Zijn eeniggeboren Zoon" in vraag 1, omdat die uitdrukking o.a. kan opgevat worden in den zin van een dogma (= leerstuk) waarin gesproken wordt van God, den Vader, God, den Zoon en God, den Geest".
(Kan opgevat worden — zegt de heer Steenbergen heel naïef ).
Daar zit men dus in de moeite want men is niet bij Remonstranten, Theosophen, Protestantenbond enz. enz., maar in de Hervormde Kerk. Doch — de heer Steenbergen weet wel raad. Hij zegt dan : „Vrijzinnige predikanten zullen er voor zorgen, dat bij hun Godsdienstonderwijs, aan hun leerlingen wordt duidelijk gemaakt, dat en waarom een vrijzinnig mensch een soortgelijke opvatting niet kan aanvaarden".
En dus dan geen „ja" zeggen? Dan eerlijk zeggen : wij hooren in de Ned. Hervormde Kerk niet thuis ?
Was 't maar waar ! Maar neen. De vrijzinnige predikanten moeten aan hun leerlingen dan duidelijk maken, dat de Vrijzinnigen heel, heel anders gelooven en. belijden. En dat ze toch maar moeten „ja" zeggen, wanneer de Hervormde Kerk van haar leden vraagt, of zij in geest en! hoofdzaak, in aard en wezen met deze leer instemmen !
En zoo gaat het jaar op jaar in een weg van onwaarachtigheid met jonge menschen, waarvan er hoe langer hoe meer zeggen : van dat onwaarachtig schipperen hebben we genoeg !
Zulk onwaarachtig belijden kan noch voor de Vrijzinnigen, noch voor de Hervormde Kerk tot zegen zijn.
Eerlijk duurt het langst! Dat moeten én de Vrijzinnigen, dat moet óok de Kerk zelve bedenken.
De zin, de inhoud, de beteekenis van de woorden beslist én dan mag men niet met woorden spelen.
DE PREDIKANTSTRACTEMENTEN.
Er is een angstwekkend groot aantal vacatures in onze Ned. Hervormde Kerk. In dat verband is meer dan eens ook de kwestie van de lage tractementen en de slechte verzorging van emeritipredikanten en predikants-weduwen en weezen ter sprake gebracht.
En het mag ons niet verwonderen, dat ook deze financiëele zijde meer dan eens bekeken is. Over heel de linie van het leven, bij het onderwijs (Hooger-, Middelbaar-, Lager-, Bewaarschool-, Vak-onderwijs), bij de ambachten en bedrijven, voor kantoor en winkel, voor alles en nog wat, is de loonkwestie aan de orde geweest en is nog aan de orde. Wellicht nu en straks in omgekeerden zin, dan enkele jaren terug. Want wie de cijfers hoort van de Staatsbegrooting, van de Indische begrooting, van Amsterdam's gemeenterekening en van Rotterdam's finantiëel tekort enz. enz. — om nu van groote ondernemingen, bedrijven, banken, enz. enz. maar niet te spreken — die kan op z'n vingers narekenen, dat we én wat het onderwijs betreft èn wat de maatschappelijke verhoudingen in financiëelen zin betreft, zullen moeten gaan bezuinigen. We moeten den moed hebben om de dingen kloek en nuchter onder de oogen te zien. De loonen zullen over heel de linie lager moeten worden. Ons heele leven moet dalen door versobering. Vóór dat alles in elkaar zakt en de revolutie-golf over ons en onze kinderen komt, zullen we dat onder de oogen moeten zien en handelend optreden.
Dat ook in de na-oorlogsche jaren over de predikantstractementen is gesproken, mag niemand verwonderen. Dat nóg over de tractementen gesproken wordt, en voornamelijk over de pensioeneering en de verzorging van weduwen en weezen — spreekt eigenlijk vanzelf. De predikanten zijn echter niet gewoon om veel over deze dingen te spreken. Zelfs niet, wanneer ze onverzorgd achtergelaten worden; zelfs niet als hun weduwe, als hun kinderen ongeveer niets krijgen. We hebben geen vakvereeniging, geen eigen groote organisatie voor vakbelangen. En de organisatie die er is in den Bond van predikanten heeft er wel wat voor gedaan, maar 't haalt bij lange na niet — gelukkig — bij hetgeen in andere kringen aan „loon-actie" is gedaan.
Dankbaarheid dringt ons, om hier te erkennen wat in den loop der jaren niet predikanten gedaan hebben om de finantiëele positie (tractement, emeritaatspensioen, weduwen-en weezenverzorging) in de pastorie te verbeteren. Er zijn tal van gemeenteleden, ouderlingen, kerkvoogden, notabelen enz. geweest, die voor deze zaak geijverd hebben.
Buiten de Synode en buiten de predikanten om, is b.v. de Vereeniging „Aanpakken" opgericht. De mannen die daaronder hun schouders hebben gezet — geen predikanten, maar „leeken" — wisten dat woorden maar woorden zijn en zonder daden niet veel uitwerken. En ze hebben „aangepakt". Jammer, dat men de mannen van „Aanpakken" veelszins niet geholpen heeft in de Kerk. De beste stuurlui stonden ook hier weer dikwijls met hun critiek aan wal. Intusschen zijn de werkers voortgegaan en het resultaat is niet gering. In vele pastorieën is hulp verleend.
Wat nu de kwestie van de predikantstractementen aangaat mogen we misschien hier enkele dingen in herinnering brengen.
Toen de oorlogsellende groot werd én de toestand in de na-oorlogsche jaren in zoo menige pastorie schier onhoudbaar — waarbij Kerkvoogden en Notabelen hier en daar hebben „aangepakt", maar lang niet overal gevoeld werd dat onder nieuwe omstandigheden naar nieuwe middelen en wegen moest worden uitgezien — kwamen in 1917 verschillende voorstellen bij de Synode in, welke bedoelden een minimum tractement van 1400—1800 gulden vast te stellen. Het tractement voor een dominé was dus waarlijk niet te hoog genomen !
Professoren, adviseerende leden, en ouderlingen pleitten vóór de zaak. Predikanten hadden nog de meeste bezwaren. Met 10 tegen 9 stemmen wordt een minimum van ƒ 1500.— vastgesteld. De Kerk verwerpt het voorstel.
In 1918 werd weder een voorstel ingediend om de tractementen te verbeteren, maar dat wordt afgewezen.
Hetzelfde lot treft een voorstel in 1919 door den Predikantenbond ingediend.
Dan komt van alle Classicale Vergaderingen — uit het midden van predikanten en ouderlingen — een verzoek tot de Synode, om krachtige maatregelen te nemen en de Synode besluit zelf de regeling ter hand te nemen. Een concept werd opgesteld, gebaseerd op het plan tot invoering van een hoofdelijken omslag van de leden der Kerk persoonlijk. De professoren, de ouderlingen — Landeman, Hannema, Veenman e.a. — drongen er op aan toch door te zetten, omdat er periculum in mora was (gevaar bij talmen). En het reglement wordt aangenomen met 17 tegen 1 stem.
Het moet tot eere van de Synode worden gezegd, dat zij in de toelichting bij het voorloopig vastgestelde Reglement, dat ter consideratie werd gezonden aan de Provinciale Kerkbesturen en Classicale Vergaderingen geenszins, zonder meer, heeft aangedrongen op aannemen. De Synode achtte het haar plicht, om te wijzen op de groote bezwaren, die de invoering van het Reglement met zich zou brengen en noemt die bezwaren ook uitdrukkelijk en met name. Zij waarschuwt tegen oppervlakkig optimisme, en spreekt de verwachting uit, dat ieder zijn consideratie of advies zou geven niet-dan na rijp beraad, in het diep besef van zijn verantwoordelijkheid, „opdat", zoo lezen we, „de Synode werkelijk in de adviezen der Kerk een oordeel vinde, waarop zij haar straks te nemen besluit kan gronden, zonder dat al de verantwoordelijkheid alléén op haar wordt afgewenteld".
Het was weer met name een ouderling, en wel de heer Bom van Amsterdam, die in de vergadering van de Synode voor de verbetering van de predikantstractementen pleitte; en hij zei „dat het in het geheele land diep is doorgedrongen, dat de regeling der predikantstractementen ter hand genomen moest worden".
Dat héél de Kerk er bij betrokken is geworden blijkt uit de vraag aan alle gemeenten voorgelegd : Zal het mogelijk en wenschelijk zijn om een algemeenen hoofdelijken omslag, van de leden der Kerk te heffen, ten einde uit de opbrengst daarvan de predikantstractementen in de gansche Kerk op peil te brengen ? (Handel. Synode 1919 blz. 304r-319).
Van de 1362 gemeenten kwamen 1176 antwoorden in, waarvan 758 vóór, 418 tegen de invoering van een algemeenen hoofdelijken omslag der leden, door de Synode op te leggen, waren. Ook wij hebben hier tegen geadviseerd.
De algemeene hoofdelijke omslag der leden is later losgelaten. Het recht van de Synode tot invoering van een hoofdelijken omslag, gaande over al de leden der Kerk persoonlijk, en hoofd voor hoofd, werd betwist en van het plan is afgezien. Men zou met de plaatselijke gemeenten in connectie treden, niet met de leden der Kerk persoonlijk.
Door een Commissie is in 't voorjaar van 1920 toen een nieuw ontwerp ingediend. Een buitengewone Synode werd in April gehouden, ter behandeling van dit Concept-reglement ; opdat de kerkelijke besturen en de Classicale Vergaderingen nog in datzelfde jaar (1920) over het door de buitengewone Synode van April 1920, voorloopig aangenomen, ontwerp zouden kunnen oordeelen. De Commissie hield conferenties o.a. met het Algemeen College van Toezicht, de Vereeniging van Kerkvoogden en den Bond van predikanten. Goedgevonden werd, dat de Synode een regeling zou maken, waarbij een minimum tractement werd vastgesteld. Een Centrale Raad van beheer werd in 't leven geroepen, die in betrekking staat tot de plaatselijke gemeenten, waarbij de bestuurscolleges en de beheerscolleges zooveel mogelijk medewerking zouden verleenen. De gemeenten zullen de bijdragen voor de Centrale Kas bijeenbrengen, door middel van de beheerscolleges, op de manier en uit de middelen, die zij zelve hebben aan te geven, enz.
In de zitting van 18 Augustus 1920 werd het, intusschen gewijzigd, Reglement, door de inmiddels anders samengestelde Synode, met algemeene stemmen aangenomen en is 15 Januari 1921 in werking getreden. (Handel. Synode 1920 blz. 101—103, 191, 232, 384—452).
In 1923 bleek, dat het totaal der tractementen met meer dan ƒ800.000.— was vooruitgegaan. En ƒ300.000.— was noodig geweest om alle tractementen op het minimum te brengen.
Of de nood ook groot was ! Door de gemeente Ouddorp (Z.-H.) is de rechtskwestie voor den rechter gebracht. De zaak is van alle kanten bekeken. Het recht van de Synode in deze werd betwist en is verdedigd. En bij hoogste uitspraak van den wereldschen rechter is de rechtsgeldigheid van 't Reglement op de predikantstractementen nu vastgesteld.
Met name uit vele moderne gemeenten, waar dikwijls rijke kerkegoederen zijn (of waren) is en wordt nog bezwaar gemaakt tegen dit Reglement. Men wil niet betalen en dat te meer, waar ze rondweg verklaren dat ze geen behoefte hebben aan een dominé. Hier en daar is verklaard, dat men het zonder dominé net zoo goed — en zeker goedkooper — doen kan dan mét een predikant. Noch voor de prediking, noch voor het herderlijk werk hebben ze een dominé noodig.
Hoe het in zulke gemeenten gesteld is, behoeft geen betoog.
Trouwens ook wanneer er wèl een dominé is, is het dikwijls treurig gesteld in moderne gemeenten. De voorbeelden zijn voor 't grijpen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's