KLEINE LUIJDEN.
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
„Welk een weg !" — zei Jasper aan het eind. „En dus is Henk haar broeder ? " „Ja, van vaders zijde".
„En hoe stond zij nu tegenover je vraag? " „Deze kwam haar zeer onverwacht over.
Daarom heeft zij bedenktijd gevraagd, om na biddend, overleg, daarna te besluiten".
„Prachtig ; ik geloof dat ik je gelukwenschen kan, Sander".
„Niet te vlug, Jasper ; wij hebben beiden op dit punt al eerder iets ervaren". „Ja, maar niet van een vrouw als Sien".
Toen een week later Syke Flodder, maar die hoe langer zoo meer in den volksmond genoemd werd Symens Syke, een week later weer met haar bollekorf op stap ging, had zij twee spiksplinternieuwe nieuwtjes, die niet nalaten zouden allen die ze hoorden met verbazing te vervullen. Het eerste nieuwtje betrof haar zelf. 't Was, dat zij deze week voor 't laatst met den bollekorf liep. Nu Symen flink vast geld verdiende, had hij tegen haar gezegd : „en nu blijf je voortaan thuis om de huishouding in orde te houden. Dat is ook verdienen. Wij zullen dan zien wat vooruit te scharrelen en dan hoop ik met dominé dat je zwaarste tijden voorbij zijn".
Toen zijn Syke de tranen in de oogen gesprongen en heeft zij in hare eenvoudige blijdschap gezegd : „och, Symen, het is alsof wij opnieuw getrouwd zijn; wat zullen wij nu met Gods zegen gelukkig worden".
Dat heeft zij te vertellen gehad, en die 't verstonden, hebben haar gelukgewenscht
Vrouw Deelstra heeft gezegd : „hoewel ik niet gemakkelijk weer iemand krijg, die zooveel verkoopt als jou, ben ik er hartelijk blij om, want je plaats is in je huis".
En dat meende zij echt.
Maar dan het tweede nieuwtje. Door Sander zelf haar meegedeeld, omdat hij zeker was nooit beter in één klap heel Zorgvliet met dit feit op de hoogte te kunnen stellen. Dat, zoo God wilde, nog vóór de Kerstklokken kwamen te luiden, het hu welijk voltrokken zou zijn tusschen Sander den profeet en tante Sien.
Dat was me een consternatie. Overal waar zij kwam. Huis aan huis, deur aan deur. Bij boer en burger. Burenga is er om van den hooizolder gekomen en heeft Syke ernstig gevraagd of het wel waar was en geen praatje uit de bollekorf. Maar Syke heeft het met kracht bevestigd op grond van hetgeen Sander zelf haar verteld had.
„Dan komt het zóó het komt, maar dan wil ik op de bruiloft, al krijg ik dan ook geen boerenjongens", heeft hij gezegd.
„Ik denk dat het heele dorp komt; is 't niet om Sander, dan om Sien" — was Syke's antwoord. „Wie zou dat nu ooit gedacht hebben !"
En dat zei elk. Op „Olga-State" was men eerst onder den indruk geweest. Vooral toen nu meteen iets meer uitlekte over haar verleden en dat van Henk.
't Was alsof men vreesde dat nu de band losser worden zou, die de familie aan Sien verbond. Maar zij had gezegd : „Ik blijf hier immers en — de liefde die uit God is vergaat nimmermeer".
Daar waren natuurlijk ook wel anderen. Doede Jantje vond, dat Sien er zich hier maar prachtig had ingedraaid. Zij gunde het haar wel, want zij had haar onlangs in tijd van nood ook gratis bijgestaan, maar zij wilde maar zeggen dat velen daarop konden kijken, want geloof maar dat Sander een oude potter was, die een mooi duit je achteruit had.
En Dut kon zich niet begrijpen hoe zoo'n vrouw haar zin op Sander kon zetten. Maar vanzelf, ze woonden daar buiten dicht bij elkaar, en stille waters hebben diepe gronden. In elk geval vischte buurman Mulder nu achter het net, bij wien zij óók wel eens iets gemerkt had, dat haar deed verwachten dat hij Sien vragen zou. Hoewel zij zélf in den laatsten tijd zóó haar best had gedaan om buurman in aJles te helpen. Omdat die stakkerd zoo alleen was, en zoo onwennig van Bet. En zij zooveel van hem hield !
Doch overigens kon gezegd, dat heel het dorp zich verheugde over de komende dingen.
't Zwaarste oogenblik had Sien, toen zij op een avond Henk ging vertellen, wat hij nog niet wist.
Ademloos luisterde hij naar 't verhaal van zijn afkomst. Dus was zijn moeder dood en Sien zijn zuster.
Wèl had hij soms ernstig vermoeden dat er in het verleden dingen gebeurd waren, die opzettelijk voor hem verborgen gehouden werden, terwijl zijn gelijkluidende achternaam met haar, die hij voorheen als zijn moeder beschouwd had, hem meermalen in diep gepeins had gebracht, maar dan had hij die gedachten met kracht op zij geduwd om af te wachten tot vrijwillig de ontraadseling gegeven werd.
Dat had nu plaats, en het greep hem aan. In hartstochtelijk snikken is hij eindelijk uitgebroken, en heeft geroepen: „waarom ben ik ook niet in Brussel bij mijn geboorte gestorven en met mijn moeder begraven !"
Maar toen heeft Sien zacht weenend hem de hand op de blonde krullen gelegd, die klam waren van zweet, en gezegd : „lieve jongen, wat zou er van mij gekomen zijn, als ik je niet had ? Naar den mensch gesproken was het leven mij dan te zwaar geworden. Je bent toch mijn broeder, en ons leven blijft één."
(Wordt vervolgd).
*) Brandewijn met rozijnen, vroeger de algemeene drank op bruiloften.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's