De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

11 minuten leestijd

Ik de Eerste zeg tot Jeruzalem : Ik zal een blijde boodschapper geven. Jesaja 41 vers 27.

GOD DE BRON VAN VREUGD.
Ik de Eerste.
God is de Eerste in het werk der schepping. God is het Begin van alle dingen, de Oorsprong van alles wat leeft en adem heeft, de Fontein aller goeden.
De Heere heeft de hemelen gemaakt en de aarde is een werk Zijner handen.
Daarom vertellen de hemelen Zijn eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk, de dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap.
Ik de Eerste.
God, die ons geschapen heeft, is lederen morgen weer de Eerste.
Hij komt ons voor met zegeningen van het goede. Hij rust ons toe met nieuwe krachten. Hij doet een nieuwe taak ons wachten. Hij wekt ons eiken morgen. Daarom levert elke ochtend ons het bewijs, dat het de goedertierenheden des Heeren zijn, dat wij niet vernield zijn en Zijn barmhartigheden geen einde hebben ; Zijn trouw is groot. De goedertierenheden des Heeren zijn elken morgen wederom nieuw.
Laten wij daarom in den morgenstond Zijne goedertierenheden vermelden.
Ik de Eerste.
God is de Eerste in het werk der Verlossing. God was de Eerste om een Adam te zoeken ; Adam had zich verscholen in het dichtst van het geboomte van den hof, doch God riep Adam en zeide: Waar zijt gij ?
God was de Eerste om een Abram te roepen. Abram woonde in Ur der Chaldeën, te midden van de afgodendienaars, doch God riep Abram en zeide tot hem : Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis, en ga henen naar het land, dat Ik u wijzen zal.
God was de Eerste om een Samaritaansche vrouw tot inkeer te brengen. Wij lezen als inleiding op de merkwaardige toebrenging van de Samaritaansche vrouw deze veelzeggende woorden : Jezus moest door Samaria gaan.
En waarom moest Jezus door Samaria gaan ?
Omdat bij de Jakobsbron te Sichar een vrouw zou komen om water te putten, die een gegevene des Vaders was en de "Heere Jezus aan deze vrouw bekend zou maken, wat haar schuld en verlorenheid was zoodat zij leerde dorsten naar het water des levens, dat Jezus heeft en geeft, waar Hij voor schuldigen en ellendigen geworden is de Fontein van genade en vertroosting.
God was de Eerste om een Saulus van Tarsen stil te houden op den weg des doods en des verderfs. Saulus van Tarsen reisde naar Damascus, met het doel de gemeente Gods aldaar te vervolgen. Doch plotseling omschijnt hem een licht, sterker dan de glans der zon, en hij hoort een stem die tot hem zeide : Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij, het is u hard de verzenen tegen de prikkelen te slaan. Toen werd door de almachtige hand des Heeren de tegenstand gebroken en hij leerde schuchter en eerbiedig vragen : Wie zijt gij, Heere ?
God is de Eerste ook nu om een zondaarsziel te roepen. God roept wel op verschillende tijden en verscheidene manieren, langs allerlei wegen en middelen, maar steeds is Hij de Eerste.
De mensch moge godsdienstig opgevoed zijn, veel belangstelling getoond hebben voor den weg des Heeren, nauwgezet geleefd hebben naar de wet Gods, toch is hij met dat al niet gebracht op den weg des levens.
God alleen brengt den zondaar op den weg des levens door wederbarende genade.
Daarom zegt de psalmist: Gij zult mij het pad des levens bekend maken, verzadiging van vreugde is bij Uw aangezicht, liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.
O, een ieder, die der hemelsche roeping deelachtig is geworden, zal verklaren, dat God het is, die „hem geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.
De mensch staat deze roeping tegen, zoo lang als hij kan, de mensch houdt het tegen God uit, de mensch tracht de overtuigingen van zijn consciëntie weer uit te dooven.
Doch de Heere voert Zijn eeuwig voornemen der genade uit, ondanks alle vijandschap en tegenstand des menschen. De Heere vergadert door Zijn Geest en Woord een gemeente, die de deugden zal verkondigen desgenen die hen getrokken heeft uit de macht van Satan en overgebracht heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde. En deze gemeente zal God daarvoor de eere geven. Heere, Gij hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden. Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht.
Niet ons, niet ons, o Heere, maar Uwen Naam geef eere, om Uwer goedertierenheid en Uwer waarheid wil.
Ik de Eerste.., . zeg tot Jeruzalem.
Jeruzalem is een van de namen, die aan Gods volk en gemeente gegeven worden.
Dat blijkt uit Jesaja 62 vers 6, 7. Daar toch lezen wij : O Jeruzalem ! Ik heb wachters op uwe muren besteld, die geduriglijk al den dag en al den nacht niet zullen zwijgen. O gij, die des Heeren doet gedenken ! laat geen stilzwijgen bij u wezen en zwijgt niet stil voor Hem, totdat Hij bevestige en totdat Hij Jeruzalem stelle een lof op aarde.
Dat blijkt ook uit Galaten 4 : 26. Daar staat geschreven : Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder.
Ik de Eerste zeg tot Jeruzalem : Ik zal een blijde-boodschapper geven.
En deze blijde boodschapper is de Heere Jezus.
De Heere Jezus brengt aan Jeruzalem een blijde boodschap, een Evangelie van heil en zaligheid.
De Heere Jezus brengt een Evangelie van zoekende zondaarsliefde aan het Jeruzalem dat afkeerig is.
En dat Evangelie luidt ; Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt en steenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen hare kiekens bij een vergadert onder de vleugelen, en gij hebt niet gewild. Och, dat gij in dezen uwen dag nog bekendet wat tot uwen vrede dient.
De Heere Jezus brengt een Evangelie van vrije genade aan het Jeruzalem, dat in zijn zonden verloren ligt. En dat Evangelie luidt: te dien dage zal er een fontein geopend zijn voor het huis Davids en de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de ongerechtigheid.
De Heere Jezus brengt een Evangelie van vrijspraak voor het Jeruzalem dat beschuldigd wordt. En dat Evangelie zegt : de Heere schelde u, gij Satan, ja de Heere schelde u, die Jeruzalem verkiest, is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt ?
De Heere Jezus brengt een Evangelie van troost voor het Jeruzalem dat treurig is. En dat Evangelie, zoo zacht als een streelende moederhand, zegt : Als een dien zijne moeder troost, alzoo zal Ik u' troosten ; ja, gij zult te Jeruzalem getroost worden.
De Heere Jezus brengt een Evangelie van trouw aan het Jeruzalem dat verloren is. En dat Evangelie, dat zoo verkwikkend is, als een beker koud waters voor een dorstige ziel, doet de blijmare hooren : kan ook een vrouw haren zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars schoots ? Ofschoon deze vergate, zoo zal Ik toch u niet vergeten.
De Heere Jezus brengt een Evangelie van ontferming voor het Jeruzalem dat in puin ligt. En dat Evangelie boodschapt het herstel met deze woorden : Ik ben tot Jeruzalem wedergekeerd met ontfermingen. Mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt de Heere der heirscharen, en het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden.
De Heere Jezus brengt een Evangelie van opbloei voor het Jeruzalem, dat vervallen is. En dat Evangelie zegt tot Jeruzalem, dat gelijk geworden is aan een hutje In den wijngaard en als een nachthutje in den komkommerhof : Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden vanwege de veelheid der menschen, die in haar midden wezen zal.
De Heere Jezus brengt dus wel een rijk Evangelie. Maar de allerblijdste boodschap die Hij brengt, hebben wij nog verzwegen.
De allerblijdste boodschap toch is deze dat Jeruzalem toebereid zal worden voor een eeuwige heerlijkheid. Deze toezegging toch schuilt weg in Zijne belofte : doch over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden.
Die Geest toch zal de gemeente Gods heiligen en verheerlijken. De Heere Jezus heeft zich door dien eeuwigen Geest onstraffelijk opgeofferd en is alzoo geworden het onbevlekte en onstraffelijke Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Doch Hij heeft in dezen weg den Heiligen Geest ook verworven voor Zijn duurgekochte gemeente, opdat Hij in haar wonen en haar heiligen zoude. Nu zal die Geest de gemeente Gods zuiveren en louteren, als de Geest des oordeels en der uitbranding, van alle besmetting der wereld en der zonde. Nu zal die Geest de gemeente Gods bedienen van 't heil dat in Jezus Christus is en haar toeëigenen 't geen zij in Christus Jezus heeft ontvangen, n.l. de afwassching van hare zonden en de dagelijksche vernieuwing haars levens, totdat zij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt gesteld zal worden. Daarom zal de gemeente Gods eenmaal den Vader onberispelijk en onbeschuldiglijk voorgesteld worden als een gemeente die geen vlek of rimpel heeft en zal zij zonder zonde in volmaaktheid God mogen dienen eeuwiglijk en altoos.
Die Geest zal de gemeente Gods ook eenmaal naar het lichaam vrijmaken van de kluisters des doods en des verderfs.
Indien de Geest desgenen die Christus uit de dooden opgewekt heeft, in ons woont, zoo zal Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook onze sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest die in ons woont.
En alsdan zullen wij verkrijgen de aanneming tot kinderen, n.l. de verlossing onzes lichaams.
Ik de Eerste zeg tot Jeruzalem : Ik zal een blijde-boodschapper geven.
Waarde lezer, de eerste vraag is nu, of gij tot dat Jeruzalem behoort, m.a.w. of gij van de gemeente des Heeren een levend lidmaat zijt.
Beproef dan uzelven of gij in het geloof zijt, of Christus Jezus in u is.
En hieraan kunnen wij weten, of wij in Christus Jezus zijn, n.l. uit Zijn Geest, dien Hij ons heeft gegeven.
Zoo toch de Geest van Christus niet in u is, dan zijt gij ook geen deelgenoot van den Heere Jezus Christus en dan zijt gij ook geen levend lidmaat van Zijn gemeente.
Dan moeten wij u ernstig waarschuwen, waar gij zoo levend en zoo stervend eeuwig rampzalig zult worden.
Heb dan de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is, want die de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, n.l. de begeerlijkheid des vleesches en de begeerlijkheid der oogen en de grootschheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld.
En de wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid, maar die den wil Gods doet, blijft in der eeuwigheid.
En dit is de wil Gods, dat gij gelooft in den Naam des Zoons Gods, opdat.gij geloovende in Zijnen Naam, het eeuwige leven zoudt ontvangen.
Moge Gods Geest u daartoe brengen.
Ik de Eerste zeg tot Jeruzalem : Ik zal een blijde-boodschapper geven.
De tweede vraag is nu, hoe het Jeruzalem Gods deze blijde boodschap moet beantwoorden.
Vooreerst zal de gemeente des Heeren, als het wél mag zijn, door die blijde boodschap gedragen moeten worden. Het Evangelie is toch een kracht Gods tot zaligheid voor een iegelijk, die gelooft.
Dat Evangelie moet u blijde maken met een vreugde in God door Christus.
Vervolgens moet gij, als het wél mag zijn, van deze blijde boodschap op uw beurt een blijde-boodschapper worden. Gijlieden toch zult Mijne getuigen zijn, heeft Uw verlosser en Zaligmaker gezegd. Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen die 't goede boodschapt, die den vrede doet hooren ; desgenen die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet hooren.
En eindelijk moet gij, als het wèl mag zijn, Gode de eere geven.
Hij is de Eerste.
Hij is de Eeuwige.
Zijn Naam moet ook eeuwig de eere ontvangen.
God is de Bron van Vreugd.
Deze God nu van alle genade en barmhartigheid in Christus Jezus, zal u, nadat gij uw aardsche taak volbracht en uw aardschen strijd volstreden zult hebben, tot Zich in eeuwige blijdschap en heerlijkheid opnemen, zoodat ge met den psalmist zult zingen :
Dan ga ik op tot Gods altaren, Tot God, mijn God, de Bron van vreugd. Dan zal ik, juichend, stem en snaren, Tot roem van Zijne goedheid paren. Die na kortstondig ongeneugt. Mij eindeloos verheugt.

L. V.

v. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's