SCHRIFTVERKLARING
ROMEINEN 9 vers 24—28. Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal hetgeen mijn volk niet was, mijn volk noemen, en die niet bemind was, mijne beminde. En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was : Gijlieden zijt mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden. En Jesaja roept over Israël : Al ware het getal der kinderen Israels gelijk het zand der zee, zoo zal het overblijfsel behouden worden. Want Hij voleindt een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal een afgesnedene zaak doen op de aarde.
De apostel laat het hier duidelijk uitkomen, dat de Heere zijn volk niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen trekt. De Heere betoont zich daarin juist als de vrijmachtige. De aanhaling, waarmee hij dit wil bewijzen, vinden we in Hosea 1 vs. 22 en 2 VS. 22. Eigenlijk spreekt de profeet Hosea op die plaats over het rijk der tien stammen. Dat Paulus het toch heeft gewaagd om deze profetie ook op de heidenen toe te passen, zal zijn verklaring wel daarin vinden, dat deze tien stammen door hunnen afgodendienst haast den heidenen waren gelijk geworden.
Zal het niet beaamd moeten worden door al Gods kinderen, dat zij van nature Zijn volk niet waren en ook Zijn beminde niet konden heeten ?
Waar waart gij, o kind des Heeren, toen de Heere u op uw levensweg staande hield ? Was het niet op den breeden weg, die ten verderve leidt ? Gij durfdet geenszins uzelf des Heeren beminde te noemen. Neen, veeleer moest gij met den verloren zoon uitroepen, dat gij niet meer waardig waart om Zijn kind genaamd te worden.
Maar ziet, alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Slechts in Zijn heiligen Zoon kon de Heere een welbehagen hebben ; Hem om Zijns werks wil Zijnen beminde noemen. Zeg mij, lezers, is het nu geen souvereine genade, als de Heere aan onwaardigen de gerechtigheid van Zijn heilig kind Jezus komt toerekenen en hen om Jezus' kruisverdienste weef Zijn volk en Zijn beminde noemt ?
En dan laat de apostel het niet bij dat ééne getuigenis van Hosea, maar hij laat ook Jesaja zeggen : Al ware het getal der kinderen Israels gelijk het zand der zee, zoo zal het overblijfsel behouden worden.
De profeet zag in den geest het volk van Israël verstrooid onder de heidenen. Men zou hebben gedacht, dat er nooit meer één zou wederkeeren. En toch is er een overblijfsel wedergekeerd. Welnu, wat de Heere in de dagen van Jesaja deed, dat deed Hij ook in Paulus' dagen en dat doet Hij ook nu nog.
Het getal Joden, 't welk op de Zendingsreizen gewonnen werd, was betrekkelijk maar klein ; slechts een overblijfsel.
En als we nu letten op de betrekkelijk weinigen, die uit Israël worden gewonnen, dan wordt ook dat woord van Jesaja bewaarheid in onzen tijd. Het is maar een overblijfsel uit Israël, hetwelk met de uitverkorenen uit de heidenen binnengaat.
In het eerste gedeelte van vers 28 wordt de godsspraak van den koning van Israels profeten voortgezet : „Want Hij voleindt eene zaak, en snijdt zè af in rechtvaardigheid ; want de Heere zal een afgesnedene zaak doen op de aarde".
Het eerste gedeelte is een vrije aanhaling van Jesaja 10 vers 22b en vers 23 : de verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid ; want een verdelging die vastelijk besloten is, zal de Heere Heere der heirscharen doen in het midden dezes ganschen lands.
De beteekenis moet wel wezen, dat God het oordeel haastig zal voltrekken.
Het tweede gedeelte, „want de Heere zal een afgesnedene zaak doen op de aarde", is niet zoo gemakkelijk in het verband te verklaren. Ook de kantteekening geeft tweeërlei meening. Er valt misschien het meest te zeggen voor de meening, , dat onder de verwerping en de afsnijding der goddelooze Joden, God nochtans een overblijfsel zou redden.
We kunnen dan ook begrijpen, dat het volk des Heeren gaarne deze tekstwoorden aanhaalt om aan te toonen dat God eigenlijk in de redding van den ontdekten zondaar een daad verricht, die niet meer verwacht kon worden.
Als het ontdekkend genadelicht in de ziel schijnt, kan het niet anders wezen of er moet iets in het hart van den zondaar leven, wat eens den dichter deed uitroepen : Ik ben afgesneden van voor Uwe oogen.
Maar ziet, al eischt het recht Gods de voltrekking van het vonnis der eeuwige rampzaligheid, de Heere zal toch Zijne barmhartigheid doen roemen tegen het oordeel.
Hoe schoon deze gedachten ook mogen zijn, de letterlijke verklaring van het 28e vers is niet zoo gemakkelijk als men bij het hooren van dit gevleugelde woord wel zou zeggen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's