KERKELIJKE RONDSCHOUW
Ds. VAN DER SNOEK.
We mochten deze week een eigenhandig geschreven brief ontvangen van onzen vriend en broeder ds. Van der Snoek, onzen Penningmeester. Dat bekende schrift deed ons al dadelijk goed en we waren echt blij met dezen brief. Want de patiënt had dus weer zelf kunnen schrijven — ietwat beverig leek 't ons toe, maar overigens met die karakteristieke letter, die we van hem gewoon zijn — en naar omstandigheden was 't geen hij aangaande zijn ziektetoestand meedeelde, bemoedigend. Neen, hij is nog niet hersteld. Zijn dokter behandelt hem heel streng — goed zoo ! — gebiedt hem een zeer streng-voorzichtige levenswijs met dieet; verbiedt hem zeer streng allen arbeid, alle emotie enz. enz. Maar naar omstandigheden is er toch reden om dankbaar te zijn. En dat is voor ons allen natuurlijk een oorzaak van vreugd. De Heere maakt het ook geestelijk wèl met den patiënt. Hij mag de vertroostingen Gods in zijn hart ervaren en in het rijke bezit van zijn Heiland en Zaligmaker Jezus Christus zich verblijden. En dat is al een heel groot voorrecht, dat de Heere uit louter genade, om Christus' wil, aan arme zondaren geven wil, om Zijn Naam te verheerlijken en arme zondaarszielen te zaligen. Heerlijk, wanneer onze verwachting voor leven en sterven beide in den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus mag wezen en wij met David mogen zeggen — die het mocht getuigen te midden van de hevigste beroeringen in zijn leven — : „Want God was aan mijn zij. Hij ondersteunde mij in 't leed, dat mij genaakte". En : „Maar, trouwe God ! Gij zijt het schild, dat mij bevrijdt, mijn eer, mijn vast betrouwen. Op U vest ik het oog : Gij heft mijn hoofd omhoog en doet m' Uw gunst aanschouwen".
Intusschen — we begrijpen dat allen wel — moet ds. Van der Snoek zich zeer, zeer rustig houden. En wel gaat z'n sterk verlangen uit naar zijn werk in de Evangeliebediening en verlangt hy zeer weer in het midden der gemeente te mogen arbeiden, naar den lust van zijn hart. Maar geduld, groot geduld zal hier geoefend moeten worden. En de uiterste voorzichtigheid zal moeten worden betracht.
Dat is ook de oorzaak, dat in zijn vriendelijk schrijven aan ons ook een minder aangename tijding stond ; en wel, dat ds. Van der Snoek meent goed te doen om als Penningmeester van onzen Bond te bedanken. Dat gaat hem aan z'n hart. En het spijt ons allen ten zeerste. Maar ja, we kunnen ook allen wel begrijpen — en wij allen billijken het aanstonds ! — dat ds. Van der Snoek dit zorgvolle werk nu liever niet voortzet; en wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen !
Met groote dankbaarheid en met groote waardeering geven wij hem dan ook gaarne vrijheid om z'n arbeid als Penningmeester van onzen Bond neer te leggen. We weten veel te goed met hoeveel liefde hij 't werk verricht heeft, om hem ook maar één oogenblik zuur aan te zien of hem ook zelfs maar een heel, heel zacht verwijt te maken. Neen, met algemeene stemmen krijgt hij van ons op de meest eervolle wijze ontslag, met den wensch en de bede, dat de Heere hem sterke op zijn krankbed en hem naar ziel en lichaam beide kennelijk Zijn ondersteunende en sterkende genade mag doen ondervinden. De Heere richte hem genadiglijk nog weer op en geve hem aan zijn. vrouw en aan zijn familie en vrienden, aan zijn gemeente en aan zijn werk, weer terug !
In onze bestuursvergadering van j.l. Maandag te Utrecht, waar de ontslagaanvrage van ds. Van der Snoek behandeld is, kon gelukkig in de vacature van Penningmeester aanstonds worden voorzien, doordat ds. J. Goslinga, van Utrecht, 2de Penningmeester, op ons aller verzoek zoo vriendelijk en zoo bereidwillig was om het werk over te nemen en de ledige plaats te gaan vervullen.
Wij voelen allen hoe moeilijke taak ds. Goslinga hier overneemt, vooral ook onder de huidige tijdsomstandigheden, maar daar om zijn wij allen hem des te meer dankbaar, dat hij aanstonds, na alles zeer ernstig overwogen te hebben, bereid was om voortaan als Penningmeester op te treden.
Wij begroeten hem in deze nieuwe functie met groote vreugd en blijdschap. En wij spreken gaarne den wensch uit, dat de Heere, die dit werk kwam opleggen, genadiglijk alles hem mag verleenen, wat voor dit bizondere werk noodig is. O, wat is 't ook in deze dingen troostvol, als wij mogen gelooven, dat Hij die vóórgaat en ons roept Hem achteraan te volgen, getrouw is, die altijd doet wat Hij beloofd heeft !
De Heere sterke en bekwame onzen nieuwen Penningmeester en Hij neige de harten van al de leden van onzen Gereformeerden Bond en van alle lezers van „De Waarheidsvriend" om onzen Penningmeester met groote erkentenis te helpen, door hem maar veel werk te geven met het boeken van grootere en kleinere giften voor onze fondsen.
Gedenken we met groote, dankbare erkentenis 't werk van onze vrienden Fliehe en ds. Jongebreur, ook den arbeid van ds. Van der Snoek, een hartelijk welkom begroete ds. Goslinga !
En door ons hart gaan op het oogenblik eze woorden : Hij die u roept, is getrouw ! Hij die het beloofd heeft, zal 't ook doen !
GEDENKBOEK VAN DEN GEREFORMEERDEN BOND.
Deze week werden wij verrast met de toezending van ons Gedenkboek!
Zooals men weet bestond het plan om, bij gelegenheid van het 25-jarig bestaan van onzen Gereformeerden Bond een Gedenkboek uit te geven. Daar was om gevraagd. En we kunnen dat begrijpen. Vooral om van de oprichting en de eerste jaren van het bestaan van onzen Bond een en ander te mogen hooren, wat dan bewaard kan worden voor het nageslacht. En ziet, nu is het boek in druk verschenen en kan ieder, die er belang in stelt, een exemplaar koopen.
De uitgave is keurig netjes. Wij zijn er van overtuigd, dat ieder die het ziet en in handen neemt, dadelijk zal zeggen, dat het een uitgave is die de Maassluische Drukkerij eert. Papier, letter, formaat — alles is even netjes, degelijk en flink. En vooral het gebonden exemplaar, in stevigen wit linnen band, is een lust om te zien !
Nu is niet de omslag het voornaamste van een boek. 't Komt op den inhoud aan.
Laat ons daarvan zeggen, dat er tal van foto's in staan ; en wel van het Hoofdbestuur, van de Julianakerk te Veenendaal (waar de herdenkings-wijdingssamenkomst plaats had) ; een portret van den heer Fliehe, een foto van de Evangelisatie-Commissie (ds. Meijers, ds. Luteijn van Huizen, ds. Timmer, ds. Wolthers en ds. Lans) ; dan van ds. Remme, van ds. Van Grieken, van prof. Visscher en prof. Van Leeuwen ; van ds. Boonstra en ds. Beekenkamp ; van Z.Ex. Duymser van Twist, van ds. Jongebreur, en ten slotte een foto van de Herdenkings-Commissie : mr. Verkerk, ds. Van der Zee, ds. Wolthers, A. van Loo, W. van Barneveld, P. Brinkers en Z. H. de Groot.
Nu moet niemand denken, dat er alleen maar plaatjes in het boek staan. Want alles behalve dat is waar. Het boek telt 216 blz. en bevat volledig verslag van de Herdenkingssamenkomst te Veenendaal : Openingswoord van ds. Van Wijngaarden; Rede van ds. Wolthers, voorzitter van de Herdenkings-Commissie, onderwerp : Tempelbouwers ; herdenkingsrede van ds. J. Goslinga, lid van het Hoofdbestuur, en slotwoord van ds. M. van Grieken, voorzitter van den Gereformeerden Bond.
Dan volgt in de tweede plaats een volledig verslag van de Herdenkingssamenkomst te Utrecht. Eerst van de morgenvergadering : Openingsrede van den Voorzitter ; toespraak van prof. Noordtzij. Rede van prof. Visscher „heden en toekomst" ; slotwoord van den Voorzitter. Dan van de middagvergadering : herdenkingsrede" van ds. Remme te Amsterdam, onderwerp : Bewaar het pand. Toespraak van Z.Ex. dr. H. Colijn. Aanbieding Jubileumgave door ds. J. C. Wolthers ; verschillende corporaties aan 't woord. Sluiting.
Als derde stuk komt dan : Enkele bladzijden uit de levensgeschiedenis van den Gereform. Bond door ds. M. van Grieken. I. Wat er aan onze geboorte voorafging ; II. Onze geboortestond. De Algemeene Vergadering op 18 April 1906. Openingswoord van ds. E. E. Gewin. Referaat van prof. Visscher : God en mijn recht. Middagvergadering. Avondvergadering. Rede van dr. J. D. de Lind van Wijngaarden ; van ds. M. van Grieken van Ameide, over : Kerkgemeenschap. Rede van den heer L. L. Duymser van Twist.
Hoofdstuk III luidt: De moeilijkheden blijven niet uit.
Hoofdstuk IV : Wij gaan in onze gedachten nog even terug.
Hoofdstuk V : „Nieuw begonnen en moedig voort — verschillende sprekers aan 't woord". Ds. Remme : De nood der Kerk, het bestaansrecht van den Bond. Ds. J. Goslinga : De hand niet afgetrokken. Ds. M. Jongebreur : Ons kerkelijk standpunt, en : De oplossing nader aangewezen.
Dan : Besluit. En daarna nog een nieuw hoofdstuk van den heer P. Brinkers : De Afdeeling Utrecht van 1906—1931.
Zoo wordt ons hier een boek gegeven van 216 bladz., royaal formaat — dat natuurlijk ieder lid van den Gereformeerden Bond en ieder lezer van „De Waarheidsvriend" aanstonds koopt!
De prijs is zeer laag — veel te laag — gesteld, en wel ƒ1.50 voor een ingenaaid exemplaar en ƒ 2.50 voor een gebonden exemplaar.
Die prijs is veel te laag, gezien de moeiten en onkosten en zorgen aan dit boek besteed. Maar het is de bedoeling van het Hoofdbestuur, dat het Gedenkboek in al onze gezinnen komt.
Nu zal het gemakkelijkst — en ook het voordeeligst — zijn, wanneer één of meer personen zich (in onderling overleg, b.v. na bespreking op de Afdeelingsvergadering of in kleinen kring) beschikbaar stellen om het Gedenkboek aan den man te brengen. Wanneer men dan b.v. zelf een exemplaar (gebonden en ingenaaid) ter beschikking heeft, kan men het hier en daar laten zien en inteekenaars verzamelen.
Het aantal exemplaren kan dan in ééne bestelling van Maassluis aan één opgegeven adres verzonden worden.
Wanneer men 1 exemplaar bestelt, rechtstreeks aan de Maassluissche Drukkery, komt er 20 cent verzendingskosten op (ingenaaide ex. ƒ1.70 en gebonden ex. ƒ2.70).
wij verwachten, dat velen, zéér velen ons zullen willen helpen, ook al om déze oorzaak, dat het hoofdbestuur vast vertrouwt, dat het Gedenkboek als propagandamiddel voor onzen Gereformeerden Bond uitnemende diensten kan bewijzen !
HET GODSDIENSTIG LEVEN EN HET SOCIALE LEVEN.
Daar zitten toch wel heel veel menschen mee! Kan, mag, moet het godsdienstig leven ook zijn een leven met de gemeenschap, met het aardsche leven, met het dagelijksch gebeuren, met het sociale leven ?
Het zit er bij ons volk zoo in, om te spreken van het ééne noodige — en dan moet al 't andere niet alleen op den achtergrond komen staan, maar eigenlijk heelemaal wegvallen en verdwijnen ; dan is het volgens het gevoelen van velen pas goed.
Dat is die piëtistische trek, die door het gereformeerd protestantisme van Nederland gaat.
Schepping en herschepping komen los naast elkaar te staan en als het om de herschepping gaat, kan de schepping wel verdwijnen, zegt men.
Ziel en lichaam komen naast elkaar te staan en als het om de ziel gaat, kan het lichaam wel verdwijnen, zegt men.
Godsdienstig en maatschappelijk leven komen naast elkaar te staan en eigenlijk s die het vroomst, die zich alleen met de geestelijke dingen inlaat en het andere maar laat waaien. Wedergeboren te zijn en te wandelen in den weg des nieuwen levens, is dan mijding van de wereld. Dat is het echte, om zich te onttrekken, om afzonderlijk te gaan en te staan. Voor onbekeerde menschen is dan al dat „wereldsch-gedoe" goed genoeg.
Die piëtistische vromen spreken dan alleen over de ziel; alle aandacht trekt zich samen op de ziel. Maar in het gereformeerde denksysteem is schepping en herschepping, ziel en lichaam, godsdienstig en sociaal leven onafscheidelijk met elkaar verbonden. Het gereformeerd beginsel is : alles moet Hem eeren ! Het is de les van het zuurdeeg, dat in het meel gelegd wordt en alle maten meels doortrekt. Het is de les van den Heiland, die zegt: Ik zend u in deze wereld, weest Mijne getuigen. Gij zijt 't zout der aarde, het licht der wereld.
Rome heeft z'n kloosters waar de allerheiligsten zich afzonderen. De afscheiding, de mijding der wereld, is heiliger dan het meeleven met het aardsche leven, is beter dan de wijding van het leven door het geloof. En het piëtisme gaat eigenüjk den zelfden weg. Huwen, nu ja — maar niethuwen is heiliger ! Meeleven met het gezin, met de zaken, met het bedrijf, met de markt, met de politiek, nu ja — maar met, een boekje in een hoekje is heiliger en beter !
De afzondering, de afscheiding, de wereldontvluchting is zoo vaak vroom bezongen. Het gaat dan om de ziel, om „Jezus alleen" enz. enz. Maar dat die Jezus, dié een Verlosser en Zaligmaker is van een arm zondaarsvolk, gebeden heeft: Vader, Ik vraag U niet dat Gij ze uit deze wereld zult wegnemen, maar dat Gij ze in het midden van de wereld wilt bewaren als mijne getuigen — dat wordt niet gekend noch geacht, 't Is natuurlijk heel vroom, om te zingen : „Wat men hoor of zie op aard, is ons kostelijk hart niet waard", 't Is natuurlijk heel vroom ook, om te zingen : „Weg wereld's gewemel, 'k Verlang naar den hemel; Verhinder mij niet" enz. enz.
En toch — en toch — is dat nu het één en het al ? Heeft de Heere voor Zijn kinderen geen taak, geen goddelijke, heilige, heerlijke taak in het gezin, in de maatschappij, in den Staat ? Gaan Kerk en school en politiek ons niet aan ? Is 't niet onze goddelijke roeping om te mogen opkomen voor de eere Gods op elk terrein des levens ? Om te zijn het zout der aarde ? Om zijne getuigen te mogen zijn, om zijn lof te verkondigen en zijn deugden groot te maken ?
En ziet — dan wordt het eigenlijk aangeprezen, om al het aardsche los te laten en als het hoogste wordt geroemd „in God op te gaan".
Lodenstein, een bekend Piëtist, een zeer vroom man, zeide, dat het huwelijk goed was, een schoone instelling, maar zelf trouwde hij niet. Hy motiveerde dit door te zeggen, dat men ongehuwd reiner kan leven en zich minder met het aardsche behoeft te bemoeien. Hij vastte tweemaal per week, ook al om heiliger te leven. In het piëtistisch stelsel is er geen samengaan met de wereld. Daarom zong Lodenstein ook : „Weg wereld's gewemel" en „Hoog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet" enz. Heel mooi. Maar is er hier beneden voor Gods kinderen geen taak, geen werk, geen roeping ? Heeft het Gereformeerd Protestantisme niet altijd geleerd, dat de Christen hier op aarde een veelzijdige roeping heeft, waarbij het hoogste en het heerlijkste is : Gods lof te verkondigen en Gods eer te zoeken en den naaste tot een zegen te mogen zijn ?
Er mag geen loslaten van al het aardsche zijn, zoolang de Heere, Die voor zijn kinderen den weg aanwijst naar hetgeen Hem belieft, ons in dit leven laat, spaart en bewaart. Dan moet er door Gods genade, bij alle gebrek, bij alle tekortkomingen, bij alle struikelen en vallen onzerzijds, een heilig begeer en zijn om, zelfs in den nacht, Gods lof te verkondigen.
wij moeten het noch aan de wereld, noch aan de vromen toegeven, dat vroomheid en meeleven met het gemeenschapsleven niet te vereenigen is. We zullen juist van den Heere moeten afbidden, door Hem verwaardigd en gesterkt te mogen worden om godsdienst en leven te mogen vereenigen, zooals het zuurdeeg Vereenigd wordt met de maten meels.
VERRUIMING.
Wij hebben mee den Heere gedankt in het midden van de gemeente op den dag des Heeren, die achter ons ligt, voor de verruiming welke de Heere kwam geven in het midden van het wereldleven, door de daad van den president van Amerika, gesteund door het Amerikaansche volk, ten opzichte van het benarde Duitschland.
Niet, dat wij deze zaak in haar geheel kunnen overzien. Daartoe ontbreekt ons de kennis en het noodige licht. Maar zooveel voelen we allen wel, dat het toch een verademing geeft, te midden van de allerbangste omstandigheden van Duitschland niet alleen, maar van heel het wereldleven, bizonder in Europa.
En hoe zullen we nu deze zegeningen Gods ontvangen en gebruiken ?
Nog eens, wij hebben niet voldoende kennis om alles te kunnen overzien of te beoordeelen. Wie.zal dat kunnen momenteel ? Wellicht niemand.
Maar voor één ding zijn wij bang.
En dat is, dat men deze zegening verkeerd zal gaan gebruiken. En wel in dien zin, dat men zal gaan denken en zeggen : nu kunnen we het er weer eens een beetje beter van gaan nemen, wij vreezen, dat men z'n levenseischen weer een weinig hooger nog zal gaan stellen, dan nu al geschiedt. Dat men zichzelf en anderen gaat wij smaken dat we nu de moeilijkheden des levens wel spoedig zullen te boven zijn en dat men er maar alvast op gaat rekenen en allerlei nieuwe dingen zich in 't hoofd gaat halen.
Zou de Heere ons dezen zegen niet bereid hebben, juist opdat we nu tijd en gelegenheid krijgen om ons leven te gaan versoberen, om onze levenseischen te gaan vereenvoudigen, om met elkaar te trachten weer tot de meer gewone levenswijze terug te keeren ?
wij hopen zoo van harte, dat deze zegen des Heeren niet zal misbruikt worden. En zij die Christen heeten, hebben hier bij allereerst een taak, om zich terdege in te denken dat de moeilijkheden des levens zoo ontzaglijk moeilijk zijn en zullen blijven, waarbij wij nu gelegenheid krijgen om ons leven anders te gaan inrichten. Meer gewoon, meer natuurlijk, meer met soberheid en met ernst. Opdat het niet straks tegen ons getuige, dat we de nieuwe kansen die de Heere ons geeft, verwaarloosd hebben.
Hier rust ook een zware taak op onze politieke leiders, op onze „volksmannen", die veel met het volk en met het volksleven in aanraking komen. Dat we toch niet onverantwoordelijk toegeven aan dwaze, zondige eischen, die aldoor maar gesteld worden. En ook de Kerk heeft een hooge en heilige roeping, om hierin de eischen des Heeren voor te leggen en de wegen des Heeren aan te prijzen.
Over geheel de linie, in alle kringen, in alle bedrijven, — overal zullen we ernst moeten maken, dat de zegeningen Gods niet in zondige dwaasheid en delen hoogmoed worden veracht en vertreden.
Want we leven in moeilijke tijden !
En zware tijden zijn aanstaande !
Dat we de roepstem des Heeren : „waakt en bidt" allen mogen leeren verstaan !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's