UIT DE PERS
In Kerkblaadje schreef dr. J. C. S. Locher, van Leiden, het volgende artikel:
LUTHER'S CATECHISMUS.
Luther had in het jaar 1572 met anderen kerkvisitatie gehouden en daarbij waargenomen, dat het volk vreeselijk onkundig was in de allereenvoudigste dingen van de Christelijke leer ; men kende niet de Tien geboden, de geloofsartikelen en het Onze Vader. Daarbij heerschte er allerlei zonde, vooral tegen het vijfde en achtste gebod. De Roomsche bisschoppen hadden voor 'n groot deel hun ambt verwaarloosd. Daarom drong zich aan hem al meer de noodzakelijkheid op om het volk te doen onderwijzen ; en hij schreef zijn kleinen en zijn grooten Catechismus in het jaar 1529. Het is nu dus 400 jaar geleden, dat die geschriften verschenen ; en al zijn we niet Luthersch, toch moeten wij wijzen op het groote belang van die geschriften. Vooral de kleine Catechismus is heel eenvoudig, daarbij is er zulk een warme toon in. Het is niet te verwonderen, dat deze Catechismus een stuk van het leven der Luthersche Kerk geworden is.
De indeeling is hier geheel anders dan die van onzen Heidelberger Catechismus. Evenals toen reeds in de Roomsche Kerk gebruikelijk was, legde Luther de drie hoofdstukken uit, de Wet, de Geloofsartikelen en het Gebed des Heeren. Hij kort daarbij de geboden af. Het eerste gebod geeft hij aldus weer : „Gij zult geene andere goden hebben" en legt dat aldus uit: „Wat is dat ? Wij zullen God boven alles liefhebben, vreezen en vertrouwen". Bij de andere geboden begint hij ook telkens met de woorden : „Wij zullen God vreezen en liefhebben, dat ", en dan wordt nader genoemd, wat dat gebod bijzonders verbiedt en gebiedt.
We noemen hier in het bijzonder bij het hoofdstuk van de Geloofsartikelen de uitlegging van het tweede deel, over God den Zoon en onze verlossing. „Ik geloof, dat Jezus Christus, waarachtig God, van den Vader in eeuwigheid geboren, en ook waarachtig mensch, geboren van de maagd Maria, mijn Heer is. Die mij, verloren en verdoemd mensch, heeft verlost, verworven, gewonnen van alle zonden, van den dood en het geweld des duivels, niet met goud of zilver, maar met Zijn heilig, dierbaar bloed en met Zijn onschuldig lijden en sterven, opdat ik Zijn eigen zij en in Zijn riik onder Hem leve en Hem diene in eeuwige gerechtigheid, onschuld en zaligheid, zooals Hij is opgestaan van de dooden, leeft en regeert in eeuwigheid".
We hooren hier denzelfden toon, dien we ook waarnemen in de eerste vraag van onzen Heidelberger Catechismus.
In het hoofdstuk over het Onze Vader zegt Luther over den aanhef van dat gebed : „God wil ons daarmee lokken, dat we gelooven, dat Hij onze ware Vader is en wij Zijne ware kinderen zijn, opdat we getroost en met alle toevoorzicht Hem bidden, als lieve kinderen hun lieven Vader".
Het is de bedoeling van Luther, dat elk huisvader het aan zijn gezin heel eenvoudig zal voorhouden. De rechtvaardiging door het geloof wordt in dezen Catechismus niet uitdrukkelijk met zoovele woorden geleerd en uiteengezet, maar ze ligt achter alles en wordt onwillekeurig mede opgenomen in het hart. Vooral was het de bedoeling, dat de geboden aan het volk goed ingeprent werden ; want Luther zag. wel degelijk op een Christelijken wandel. Het is volstrekt niet, zooals velen zich wel voorstellen en er van Roomsche zijde gelasterd werd, dat Luther niets gegeven zou hebben om het gebod ; alleen wilde hij daar, waar het op de verwerving der zaligheid aankomt, niet van de goede werken weten. Dat had hij geleerd in zijn vreeselijken strijd in het klooster.
Voor nadere uiteenzetting verwijst Luther naar zijn grooten Catechismus, die in het zelfde jaar is verschenen. Beide geschriften vormen tezamen met de Augsburgsche Confessie en de Apologie daarop en de Formula Concordiae de algemeen geldige belijdenis-schriften der Luthersche Kerk. Wil men dus weten, wat echt Luthersch is, dan moet men daar terecht komen.
Op sommige punten is Luther, ook in zijn Catechismus, andere wegen gegaan dan wij overtuigd zijn te moeten gaan. Het tweede gebod, dat den beeldendienst verbiedt, noemt hij in 't geheel niet; de bedreiging en de belofte, daaraan verbonden, plaatst hij aan 't slot der Tien Geboden. In de Luthersche Kerken heeft men dan ook afbeeldingen van den Heere Jezus Christus aan het kruis.
Vooral het Avondmaal was punt van verschil. Luther legt er dan den nadruk op, dat we daar hebben het ware lichaam en het ware bloed van onzen Heere Jezus Christus. Wel erkennen wij met onzen Catechismus, dat we „zoo waarachtig Zijn waar lichaam en bloed door de werking van den Heiligen Geest deelachtig worden als we die heilige waarteekenen met den lichamelijken mond tot Zijne gedachtenis ontvangen" ; maar Luther wilde bepaald, dat men ook met den lichamelijken mond dat ware lichaam geloofde te ontvangen ; en op dat punt is men dan ook uiteengegaan.
Luther ging voor. Velen hebben in die dagen een catechismus geschreven. In Zurich ontstonden er drie mooie. Calvijn schreef den zijne, een voortreffelijk werk : maar 't moest in de haast gebeuren. De inkt was nog niet droog, toen de knecht de copie meenam naar den drukker. Onze Heidelberger Catechismus heeft het goede van verschillende anderen in zich opgenomen. Hij is langer dan de Luthersche ; maar wie hem heeft doorgewerkt, heeft de Gereformeerde leer goed leeren doordenken en bovenal veel houvast en troost voor het leven. Al die Catechismussen wijzen op Christus als den eenigen grond der zaligheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's