De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

12 minuten leestijd

ONS NIEUWE FEUILLETON.
De heer J. H. Kok te Kampen is weer zoo vriendelijk ons vrijheid te verleenen een van zijne uitgaven te gebruiken als feuilleton in „De Waarheidsvriend".
Wij kozen het boek : „Jonker van Sterrenburgh", geschreven door den pas ontslapen volksschrijver Idsardi, wiens boeken door zoo velen met smaak gelezen zijn en nog altijd gelezen worden.
Wij vertrouwen dat al onze lezers met ons zullen waardeeren, dat de uitgever, de heer Kok, te Kampen, ons weer dezen

HET ZUIDERZEE-GEBIED.
Verleden jaar, in onze zomervacantie, hebben we op een vreeselijk stormachtigen dag, een bezoek gebracht aan de Zuiderzeewerken bij den Oever. Toen hebben we iets gezien van de geweldige prestaties op het terrein van waterbouwkunde, waardoor ons Nederlandsche volk — onze Nederlandsche ingenieurs — bekend zijn. Deze week lazen we, dat weer een stuk van den grooten afsluitdijk, die loopt van Noord-Holland naar Friesland, is dichtgegooid en dat een hoog en talrijk gezelschap — waaronder ook Z.EXC. dr. H. Colijn en mevr. Colijn waren — de eerste aardbeien van den nieuwen polder gegeten hebben. En in het „Algem. Weekblad voor Christendom en Cultuur" schrijft de heer Finkensieper, die zich in den Wieringermeerpolder gevestigd heelt, dat hij vanuit zijn woning, in de nabijheid van het nieuwe dorp Sluis staande, groote stukken rijpende roggevelden, die heen en weer deinen door den wind, kan zien. Hij schrijft : In de verte zie ik vier torentjes, van Wieringen. En daarvóór een groote vlakte, die op 't oogenblik glinsterend ligt in de zon onder een wijden, wijden hemel. Kleine figuurtjes bewegen zich overal, arbeiders die greppels en slooten aan het graven zijn en zoo nu en dan waait het geronk van de tractors mijn kamer binnen. Langzamerhand vordert de cultuurarbeid. Noordelijk kan, men reeds tusschen groote stukken rijpende roggevelden, die heen en weer deinen door den wind, heen wandelen. Steeds meer landbouwschuren breken met hun fel roode daken de eentonigheid van de ± 24 duizend Hectaren groote vlakte. Hier, te Sluis I, worden nu een twintigtal woningen gebouwd, het begin van 't eerste dorp en een lange rij telefoonpalen verheffen zich deftig langs het zoo juist aangelegde fietspad naar Haukes op Wieringen". „'t Zijn nog echte landarbeiders hier, met hun langzame, zware bewegingen, hun voorzichtige woorden, ook in hun gehechtheid aan dezen nieuwen bodem, waar ze nu nauwelijks 10 maanden en dan nog als losse ontginningsarbeiders, werkzaam zijn". „We hebben hier nu 5 kampen : Sluis I, Haukes, Nieuwesluis, Aartswoud, Kolhorn — en binnenkort het 6e : de Terp. Hier zijn menschen uit verschillende streken, Zeeuwen en Brabanders, Overijselsche textielarbeiders (werklooze transportarbeiders !), Drenten, Friezen en Groningers. Dikwijls knallen de vloeken je om de ooren, is 't lawaai niet van de lucht af, verspert een ietwat waggelend iemand je den weg. Vooral in de kampen, die tegen den „vaste wal" aan liggen, is de gelegenheid en de verleiding om „in te laden" groot. Ook dit is een kant van het primitieve leven hier, waar de ruwe hartstochten sneller door de oppervlakte heenbreken en minder aan banden zijn gelegd dan in een gevestigde gemeenschap, een kant, dien we met te meer ernst onder oogen moeten zien".
„Zoo is de toestand op 't oogenblik, kampen, tijdelijke arbeiders, maar gezien het tempo van het werk, gezien ook de plannen, zal alles snel veranderen, 't Zal niet lang meer duren, dan hebben we hier te Sluis I de eerste vaste bewoners en dan is het zaak voor ons paraat te zijn. De vooruitzichten, zooals ik die vernomen heb, zijn de volgende : er komen drie dorpen in den polder, n.l. te Sluis I, te Sluis III en bij de Terp. Deze drie dorpen komen te liggen in een driehoek, waarvan iedere zijde ± 8 K.M. lang is. Wat de Hervormde Kerk betreft : 't geheele poldergebied wordt waarschijnlijk één gemeente ! En waar de polder ± 24000 Hectaren groot is, zal 't, naar de oppervlakte gerekend, de grootste gemeente van Nederland worden !
Wat de heer Finkensieper, die hier evangelisatiearbeid verricht, ons vertelt, is wel van beteekenis.
Voorloopig wordt er moeite gedaan om in de verschillende kampen zoo geregeld mogelijk te preeken en de menschen op te zoeken. Men komt samen in kleine clubjes om den Bijbel te lezen en te bidden. Daaraan is heel wat moeite en werk voor den evangelist verbonden, want de afstanden zijn groot. Om in Wieringerwaard te komen, moet men 9 K.M. afleggen. Naar 't kamp Kolhorn is het 16 K.M., naar Aartswoud 23 K.M., en om in de Terp te komen moet het via Medemblik en dat is een afstand van 35 K.M. En dan per fiets op die vlakte, waar 't minste zuchtje wind, dat we in de stad nauwelijks voelen, tot een storm wordt! Voor dit werk moet dan ook een auto komen. En daarvoor worden gelden gevraagd (Giro no 175398 — Wieringermeerpolder).
Wat zal de toekomst van dezen nieuwen polder — godsdienstig-kerkelijk genomen — zijn ? Wat zal die nieuwe, groote, uitgestrekte Hervormde gemeente worden ? Van alle kanten, uit alle deelen van Nederland, komen nu al, en straks nog veel meer, de menschen opzetten ; jonge, ongehuwde mannen, ook gezinnen met man, vrouw en kinderen. En dan een kerkgebouw, een pastorie, een dominé, een School met den Bijbel, met hoofdonderwijzer en personeel. Wat zal het worden ?
Natuurlijk ligt het tenslotte, in hoogste instantie, in de hand des Heeren.
Maar gaat het zonder de menschen, zonder de middelen en de wegen, riip God ons voorlegt ?
„Aanpakken" zal ook hier de boodschap zijn. En dan vlug en goed.
Er staat veel, heel veel op 't spel. En die zielen vangt, is wijs.
Die zielen verloren laat gaan, zal in het oordeel vallen.

DE GELOOFSBELIJDENIS DER MODERNEN.
De Vrijzinnigen zijn echte eigenzinnigen. Zij gaan niet uit van de openbaring, van 't geen van boven is gegeven, van 't geen in Gods Woord ons door den Geest Gods is bekend gemaakt. Zij leven niet gaarne van 't gegeef. Ze hebben zelf gezond verstand, (hun rede of ratio) gebruiken ze graag. En zoo denken ze zelf gaarne (het is het denkend deel der natie) ; ze verzinnen zelf graag als vrije menschen (vrijzinnigen). Ze laten zich niets opleggen, door de orthodoxen niet, die altijd komen met hun muffe dogma's, — maar ook door hun geestverwanten niet. Want ieder denkend mensch met gezonde hersens is mans genoeg om het zelf klaar te spelen en de zin van den een wil evengoed vrij zijn en vrij blijven als de zin van den ander dat begeert bij de vrijzinnigen.
De Vrijzinnigen zijn nog al eigenzinnigen. Ieder gaat graag z'n eigen weg, houdt er 't liefst z'n eigen, persoonlijke overtuiging op na en de een kan niet denken en voelen en ervaren voor den ander.
Maar ja — dan hangen de vrij-zinnigen ook als een menigte van eigen-zinnigen als droog zand aan elkaar. Dan is er geen band, geen gemeenschap, geen éénheid. Dan is er ook geen gemeenschappelijke geloofsbelijdenis mogelijk.
Dat is een kwaad ding.
De Vrijzinnigen staan toch al zoo sceptisch tegenover „gelooven" en nog veel meer trekken ze in twijfel het bestaansrecht van een , geloofs-belijdenis". Immers men kan toch niet „formuleeren" wat men „gelooft" ? Men kan „geloofswaarheden" toch niet in bepaalde „formules", in vaste „dogma's" omzetten. Dan maakt men het „geloof" dood — zoo zegt men van Vrijzinnige zijde.
Maar — in 't leven moeten we toch onder woorden brengen wat we gelooven, wat we belijden, wat we weten en wat we willen. Anders kunnen we niet samen leven en niet samen werken. En daarom doet zich in den kring van de Vrijzinnigen telkens weer dezelfde vraag voor : wat is nu eigenlijk het symbilum, de geloofsbelijdenis en band van gemeenschap in geloof en leven voor de Vrijzinnigen ?
Ook anderen willen dat weten, om, in 't midden van onze samenleving een concrete verklaring in geloofszaken te hebben. Want ja, we ontmoeten elkander telkens, we moeten toch telkens van elkander weten wat we geestelijk en kerkelijk aan elkaar hebben.
Dat is oorzaak, dat telkens in het kamp van de Vrijzinnig-Hervormden de meening verkondigd wordt: het formuleeren en het opstellen van een credo, van een geloofsbelijdenis, is onzin, kan niet en moet niet geschieden. Terwijl men tegelijk dan toch bezig is en bezig blijft om het te probeeren; om er voor vriend en vijand iets van terecht te brengen in den vorm van een „geloofsbelijdenis".
Jaren geleden heeft men 't geprobeerd. Maar 't is totaal mislukt. Ieder was er van overtuigd, dat het absoluut mis was geweest. En nu is men waarlijk weer aan 't werk gegaan en heeft men weer een poging gewaagd om onder elkander dan meer band te krijgen en zich ook tegenover menschen van andere geestesrichting te kunnen presenteeren.
In de N. Rott. Crt. lazen we twee artikelen over dit onderwerp (5 en 6 Juli j.l.). Daar staat dat een geloofsgetuigenis of beginselverklaring is opgesteld, welke een afzonderlijke behandeling zal krijgen op het eerstdaags te houden Vrijzinnig Hervormde Congres. Vermoedelijk zal het ook wel het onderwerp uitmaken van de Algemeene Vergadering, welke de Ned. Protestantenbond in het najaar belegt.
De N. Rott. Crt. is niet hoopvol gestemd en verwacht niet veel succes. We lezen : „Tot nog toe zijn alle pogingen om tot een gemeenschappelijke geloofsbelijdenis van de Vrijzinnigen te komen, mislukt. Herhaaldelijk heeft men het beproefd, maar de met zorg opgestelde verklaringen zijn vrijwel voor kennisgeving aangenomen. Zal deze nieuwe proeve een gunstiger onthaal vinden ? Wij vermoeden van niet".
„Een vrijzinnige beginselverklaring in den vorm, waarin men haar ook thans weer heeft ontworpen, is bij voorbaat tot mislukking gedoemd. Immers heeft zulk een gemeenschappelijk geloofsgetuigenis geen waarde in een kring, welke op het persoonlijk geloof zoozeer den nadruk vestigt".
Differentiatie, verscheidenheid, verschillen — dat is bij de Vrijzinnigen nummer één. Daarom kan er van geen Formula Concordia e, van geen accoord van gemeenschap, sprake zijn. Vrijbuiterij is hun element. Vogels van diverse pluimage zijn het.
Toch wil men „tot steun van eigen geloofsovertuiging" wel eens weten wat de kring, waartoe men behoort, gemeenschappelijk gelooft en belijdt.
En er zijn ook practische redenen.
Daarvoor noemt de N. Rott. Crt. de samenwerking tusschen de Vrijzinnigen en de Vereeniging voor Kerkopbouw (prof. Brouwer CS.). Daar wil men samenwerking, maar alleen „met een belijdenis van den historischen Jezus Christus". En de Vrijzinnigen hebben in Bilthoven mee onderteekend een verklaring, waarin voorkomt „Christus als den van God gezondene".
Wie is nu Christus ? Wat beteekent „de van God gezondene" ?
De Vrijzinnigen moeten nu maar eens uit den hoek komen.
Zij kunnen zoo gemakkelijk zeggen, wat ze niet gelooven ; wat ze niet in een belijdenis willen hebben. In al die orthodoxe omschrijvingen kunnen zij zich niet vinden.
Laten ze nu maar eens zeggen en onder woorden brengen, zwart op wit, wat ze wèl gelooven en wat ze wél in een belijdenis willen hebben.
De N. Rott. Crt. voelt deze dingen ook.
We lezen : „Men kan als Vrijzinnige twee dingen doen : men blijve beu van de leer — maar dan onthoude men zich ook van alle omschrijving". Dat is het ééne (en wellicht 't verstandigst wat men doen kan). Maar dan is het andere geval : Als men formuleering van zijn geloofsbezit noodzakelijk oordeelt — dan moet men concreet zich uitdrukken.
Het ontwerp-geloofsbelijdenis, dat nu gepubliceerd is, bestaat uit 12 artikelen en het blijkt, dat het stuk eigenlijk is opgesteld door wijlen prof. de Graaf, pas overleden als hoogleeraar te Leiden.
De N. Rott. Crt. zegt: „De twaalf artikelen, waarin deze belijdenis is vervat, zouden sterker spreken, wanneer zij bondiger waren gesteld. In hun wijdloopigheid maken zij meer den indruk van het schema van een preek dan van een puntsgewijs program.
En een tweede bezwaar, waardoor ze niet aan hun doel kunnen beantwoorden, is hun gebrek aan overzichtelijke en doorzichtige duidelijkheid. Wij kunnen ons niet voorstellen, dat de „gewone leek" onmiddellijk den inhoud van het hier geschrevene vat en zelfs menig dominé zal moeite hebben met de ontleding van deze getuigenissen".
Dat zijn dus nog al ernstige bezwaren, die dit Vrijzinnig-Credo drukken.
„Maar" — zoo vervolgt de N. Rott. Crt. — „het groote tekort dunkt ons het uitgangspunt. Een belijdenis dient antithetisch, zoo niet polemisch te zijn. Wat onderscheidt de Vrijzinnigen eenerzij ds van de buitenkerkelijke idealisten — en anderzijds van de orthodoxe kerkgeloovigen ?
Waarom noemen zij zich Vrijzinnig Protestant ? Wat kenmerkt het Protestantisme als specifiek verschijnsel in het Christendom — wat het Christendom ten opzichte van het religieuse leven in 't algemeen ? "
De N. Rott. Crt. merkt nog op, dat de paragraaf „De Ecclesia" (over „de Kerk") ontbreekt; en dat er weinig of niets gezegd wordt over „het Evangelie van Jezus Christus".
Dit alles is inderdaad bedenkelijk. En wij vreezen, dat het voor de zooveelste maal ; op een totale mislukking zal uitloopen.
Omdat de Vrijzinnigen niet kunnen zeggen, wat ze nu eigenlijk gelooven.
Het slot van het tweede artikel van de N. Rott. Crt. luidt:
„Ook hier (n.l. wat betreft „het Evangelie van Jezus Christus") zou eenige antithetisch-polemische verbizondering aanbevelenswaardig geweest zijn. Immers ontleent inzonderheid de christologische paragraaf eener belijdenis haar beteekenis aan practische vragen" is : „Hoe staat gij nu eigenlijk tegenover den Bijbel ? Wat gelooft gij omtrent de Openbaring in de Schrift, omtrent het gezag van Gods Woord ? Wat bedoelt gij, als gij spreekt over het Evangelie ? Dit schijnt in uw mond toch iets anders te beteekenen als wat de pastoor van de Gereformeerde dominee ermee meent ? En heeft Jezus volgens u werkelijk geleefd ? Moet men alles wat de Bijbel over hem vertelt, als waar gebeurd aannemen om geloovig te zijn ? En vertel eens iets meer omtrent dien „schat der Christenheid ? " Wat beteekent het, dat die schat „teruggaat" op Jezus Christus ?
Nietwaar, met dergelijke vragen krijgt nu eenmaal de vrijzinnige, zoowel tegenover zichzelf als in het verkeer met anderen te maken. Wij vreezen, dat men bij zijn verlangen om tot religieus zelfbewustzijn te geraken, aan dit vademecum weinig zal hebben."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's