RONDOM DE LEESTAFEL
Ds. W. Faber : GRONDBEGINSELEN DER WIJSBEGEERTE. Uitgave : Firma Noordhoff te Groningen.
Het is een groot voorrecht leerling te mogen, zijn van een inrichting voor Christelijk Middelbaar onderwijs. Want op zulk een inrichting wordt de leerling aangesproken in zijn volle menschelijkheid. Immers op zulk een instituut legt men niet alleen den nadruk op verstandsontwikkeling, legt men zelfs niet den nadruk op karaktervorming, maar daar besteedt men alle aandacht aan de vorming der persoonlijkheid. En de persoonlijkheid is een religieuze grootheid. Is het dan niet een voorrecht als de persoonlijkheid van den jongen mensch gezien wordt in het licht der Geopenbaarde Religie ? Maar dit maakt de taak der leeraars zeer zwaar. Inzonderheid de leeraar, die in de hoogere klassen heeft te werken aan de geestelijke vorming der leerlingen, staat voor een zware taak. Hij zal zijne leerlingen in aanraking moeten brengen met de wereldbeschouwingen der groote geesten van het menschelijk geslacht. Hij zal daarenboven den leerlingen moeten duidelijk maken de hoogere eenheid, die er ligt achter de veelheid der dingen. De veelheid der dingen, waarmede zij in een reeks van vakken tot vermoeienis toe bezig zijn. Nog eens dat is een zware taak, want het gaat om een korte behandeling der filosofie. Die taak is zoo zwaar dat tot nu toe een handleiding voor dit onderwijs ontbrak. Hoe sterk het gemis was herinneren wij ons nog uit onze gymnasiale jaren. Wij moesten het doen met een armzalig dictaat. Ds. Faber, leeraar aan de Christelijke H.B.S., Hoogeveen, heelt in deze leemte voorzien. Zijn: „Grondbeginselen der Wijsbegeerte" is een boek als geknipt voor het Middelbaar onderwijs. Toch zal elkeen, die iets wil weten van wijsbegeerte (en dat is ten slotte iedereen, want elk mensch „heelt een filosofisch adertje" goed doen dit boekje ter hand te nemen. Op bizonder bevattelijke wijze worden de hoofdzaken behandeld.
Maar naast klaarheid worden in dit boekje andere eigenschappen aangetroffen, die het moest hebben wilde het geschikt zijn voor het Christelijk Middelbaar Onderwijs. D.w.z. het is eerlijk, het tracht den verschillenden denkers te geven wat hun toekomt. Het is principieel, het grijpt telkens terug op het Woord des Heeren. En het doet aan dat Woord niets toe of af want de geest van Bavinck is er onmiskenbaar in aanwezig.
Nu zou het gemakkelijk zijn eenige opmerkingen te maken van niet principieelen aard. Maar wij zijn te blijde met het boekje om dit te doen. Want nog eens zulk een boekje was broodnoodig.
Toch als wij dit boek doorlezen begrijpen wij dat eerst nu zulk een werk is verschenen. Want niet alleen eischt het onderwerp een massa studie, maar ook is waar, dat wie zich waagt aan een filosofisch boek, zich zelf als het ware ten toon stelt. Immers iemands gezicht op de filosofische vraagstukken hangt ten nauwste samen met zijn persoonlijkheid. Is het dan wonder dat menigeen er voor terugdeinst zulk een boek te schrijven ?
Wij danken ds. Faber, dat hij dezen schroom, die ook hij ongetwijleld heelt gehad, ten bate der leerlingen heelt overwonnen. En niet tot onze verbazing — wel tot onze vreugde, openbaart de schrijver zich in zijn werk als een kundig leeraar, een fijnzinnig mensch, een ootmoedig Christen.
„DE WANDELAAR".
Zooeven verscheen bij den uitgever A. G. Schoonderbeek te Laren, onder leiding van Rinke Tolman, de Juli-aflevering van „De Wandelaar", maandblad, gewijd aan natuur studie, natuurbescherming, heemschut, geologie, folklore, buitenleven en toerisme.
C. A. van der Gen eindigt zijn artikel over camera's van klein formaat, waarin hij aantoont welke wonderen men kan verrichten met de Rolleiflex. A. C. de Koek wijdt een beschouwing aan de sterrekunde bij onze voorouders, terwijl J. Bakker Niemeijer de wandelsport verheerlijkt.
Henk Vink geeft een causerietje over den Nachtegaal ten beste en G. D. Duursma schetst het plantenleven van Klein Zwitserland, waarmee hij den Zuid-Oosthoek van Friesland bedoelt. De economische beteekenis van de spreeuwen wordt uiteengezet door G. Wolda. A. Joman staat stil bij den schitterenden bloei van de Brem en H. F. Wiegman geeft behartigenswaardige wenken over het gebruik van water-en moerasplanten in onze tuinen. A. V. Fey tenslotte geeft zijn indrukken weer van 't jongste congres der Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging.
Er is weer een uitgebreide rubriek „Van en voor de lezers" (natuurhistorisch allerlei), waarin onder meer wordt uiteengezet welk een boosdoenster de dennelotrups is.
De gevarieerde tekst wordt, als steeds, afgewisseld door een groote reeks illustraties.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's