De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SCHRIFT­VERKLARING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHRIFT­VERKLARING

3 minuten leestijd

Romeinen 9 vers 29—34. En gelijk Jesaja te voren gezegd heeft: Indien de Heere Zebaöth ons geen zaad had overgelaten, zoo waren wij als Sodom geworden en Gomorra gelijk gemaakt geweest. Wat zullen wij dan zeggen ? Dat de heidenen, die de rechtvaardigheid niet zochten, de rechtvaardigheid ver kregen hebben, maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is. Maar Israël, dat de wet der rechtvaardigheid zocht, is tot de wet der recht-. vaardigheid niet gekomen. Waarom ? Omdat ze die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet; want zij hebben zich gestooten aan den steen des aanstoots ; gelijk geschreven is : Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en een iegelijk, die in Hem gelooft zal niet beschaamd worden.

In een van de vorige verzen haalt de apostel Hozea's profetie aan om te bewijzen, dat het immer des Heeren lust was om zich een volk over te houden. Al waren ze verstrooid onder de volkeren vanwege hunne ongerechtigheden, een overblijfsel zou behouden worden.
Als bewijs hiervan haalt hij nu Jesaja vers 10 aan. Wat zou er van Israël geworden zijn, als de Heere er zich niet over zou hebben ontfermd ? Het zou de straffen verdiend hebben, waardoor eenmaal Sodom en Gomorra van de aarde werden verdelgd. Wat van Israël gold, gold ook in Paulus' dagen van de Nieuw-Testamentische gemeente. De Heere kiest zich een overblijfsel uit Joden en heidenen. Uit alle talen en natiën en tongen trekt de Heere ze. Dat overblijfsel is de Kerk Gods in den geheel eenigen zin. Die Kerk Gods is de kurk, waar de wereld op drijft.
Als de laatste uitverkorene Gods is binnengebracht in de hemelsche tempelzalen, neemt ook Gods barmhartigheid over de zondige wereld een einde. Dan kan die zondige wereld niet langer bestaan. Als de kurk weg is, zinkt de wereld weg.
Met de woorden : „Wat zullen wij dan zeggen ? " komt Paulus tot de slotsom : De heidenen werden aangenomen, doch Israël heeft niet gewild.
Wonderlijk toch ! De heidenen hebben nooit naar rechtvaardigheid gezocht. Op zijn hoogst moet worden toegegeven, dat er onder hunne uitnemendsten is gestreefd naar burgerlijke en maatschappelijke deugden. Daarvan vinden we duidelijke bewijzen bij Romeinsche en Grieksche wijsgeeren. Maar van een zoeken om voor den Heere rechtvaardig te zijn, is bij hen geen sprake.
En ziet, toch zijn er velen van die heidenen gerechtvaardigd voor God. De Heere heeft zich aan hen geopenbaard. Hij heeft het deksel van hun aangezicht weggenomen. Hij heeft hen aan hunne zonden ontdekt, maar hen ook geleerd dat er in Christus ook voor arme heiden-zondaren genade te vinden is. Het eenigst redmiddel bleek de omhelzing van de rechtvaardigheid, die uit het geloof is.
De Joden daarentegen hebben gezocht en geijverd. Het was wel niet de ware ijver ! Het was veel meer een zoeken om door de werken der wet gerechtvaardigd te worden. Het was gebod op gebod en regel op regel. Het bleef bij het zoeken van de vervulling van de letter ; tot een volbrengen met het hart kwam men niet. En daarom zijn ze ook niet gekomen tot de wet van de rechtvaardigheid. Ze hebben gemeend buiten Christus te kunnen zalig worden. Israël heeft zich aan Hem gestooten. De gekruisigde Christus werd Israël niet tot een opstanding, maar tot een val.
O, wat zijn er velen in onze dagen, die. op de door Paulus bedoelde Joden gelijken.
Zij hebben netjes geleefd, gaven ieder 't zijne en meenden zeker te zullen ingaan op grond van deugden en plichten, die werden vervuld.
Bij hen geen zondaarsnood en daarom ook geen behoefte aan den gekruisigden Christus.
Christus is hun een steen des aanstoots en een rots der ergernis.
O, lezers, wat zal die botsing verschrikkelijk wezen. Een nietig, ijdel menschenkind, die zich stoot aan den Almachtige ! Dat loopt uit op een eeuwig verderf.
Maar wat is het besluit liefelijk : „en een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden". Ja, een iegelijk, zoowel de Jood als de heiden, die met zijn schuld en ongerechtigheid in het, geloof leerde vluchten naar Christus, zal in Zijne verworvene gerechtigheid volkomene bedekking vinden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

SCHRIFT­VERKLARING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's