De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

CHRISTELIJKE ETHIEK

8 minuten leestijd

In het boek Job spreekt de Heere, de Almachtige, ever het wondere werk der schepping en laat de heerlijkheid van het maaksel Zijner handen aan Zijn knecht Job zien, op een oogenblik, dat deze man des lijdens bezig was God te kleineeren. Job wist het, op dat oogenblik, zoo goed en God wist het, volgens Job, heelemaal niet. En dan gaat de Heere, de Almachtige, op Zijn troon zitten en laat de werken Zijner handen aan de oogen van Job voorbijgaan — en zwijgt dan.
Waarom ?
De groote God zwijgt, opdat de kleine mensch in het stof zal neervallen en Gods heerlijkheid zal erkennen, het werk Zijner handen zal roemen.
Laat de bediller van Gods wegen nu maar eens spreken! Laat Gods aanklager nu maar eens op al die vragen een antwoord geven !
Voelde de mensch dat maar meer, dat achter alles wat ons oog ziet, de almachtige kracht Gods zit! Dat alles door Hem is voortgebracht, door het enkele woord van Zijn almachtigen wil; en dat Hij alles schiep zooals Hij het uitgedacht heeft, naar Zijn raad en welbehagen.
De moderne mensch wil er niet aan. De natuurwetenschap heeft den modernen mensch 't hoofd op hol doen slaan. En daarbij is de technische geest, de sportieve geest, de mondaine geest, de Mammonsgeest gekomen en heeft den mensch heelemaal uit 't evenwicht geslagen.
En 't resultaat is, dat er duizenden bij duizenden schrijven met hun hand en zeggen met hun mond, dat zij godsdienstloos zijn. Jezus hebben ze verworpen, of kennen Hem in het geheel niet. Marx is hun man, waarop ze al hun hoop hebben gesteld. En als ze over hun wereldbeschouwing beginnen, dan is het materialisme voor en materialisme na. Dan zweren ze bij de beginselen van het evolutionisme. En alles is, zooals het zich zelf gemaakt heeft. Ook de mensch is, wat de mensch in den loop der tijden uit en door zichzelf geworden is. En wat uit en door zichzelf is — dat is ook tot zichzelf. Dat is op zichzelf aangelegd en voor zichzelf bestemd. Dan is de mensch des menschen ; en omdat hij des menschen is, is ook de mensch de koning, de wetgever en de rechter. Geen God en geen meester. De mensch zelf bepaalt wat goed en niet goed is, wat plicht en wat verboden is.
Maar die alles bij hooger licht mag zien, die erkent vooral bij den mensch, dat de mensch een schepsel Gods is, door God gemaakt en wel naar Zijn beeld en gelijkenis, geroepen om, als een „mensch Gods" den Heere lief te hebben en Hem te dienen naar Zijn wil en wet.
Zelfs de moderne mensch kan al niet meer toe met de materie, kan al niet meer volstaan met te zeggen materialist te zijn. Want in en achter en boven de materie zit de kracht, zit de geest — waarmee de materialist geen weg weet. O ! dat geheimzinnige, dat groote, dat wondere, dat achter alles zit. 't Kijkt ons overal met groote oogen aan, het doet ons overal z'n boodschap hooren. Wilde de mensch maar luisteren en wilde hij maar bekennen : ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde !
Boeddha heeft het al tot z'n jongeren gezegd : „Daar bestaat, o mijne jongeren, iets dat ongeboren, niet geworden, niet gevormd, niet gemaakt is !"
En de heidensche wijsgeeren hebben het reeds neergeschreven : de mensch is van Gods geslacht!
Wilde onze moderne tijd het maar bekennen !
En waar nu alles in zich zelf de wetten draagt, die God er in gelegd heeft, daar is dat het meest het geval met den mensch, den beelddrager Gods.
De zon, de maan, de sterren, zoo goed als de leeuw, de adelaar, het paard — ze dragen de wetten in zich, onbewust, die de Schepper er in gelegd heeft. De steenen, de mineralen, de vaste en de vloeibare stoffen — ze hebben van den grooten Schepper aller dingen hun „natuur" en hun „wezen" verkregen, met de levenswetten waarnaar alles bij hen en in hen en door hen geschiedt. Neen, het is niet toevallig, dat de zon het licht des daags is, dat de maan des nachts aan den hemel verschijnt — het is naar Gods bestel. De Heere maakte deze lichten zóó. Hij gaf de wetten, Hij stelde de plaatsen. Hij schreef de wegen voor en Hij kent ze bij namen, ook al de planeten, al de sterren aan den hemel; gelijk Hij het was, die de aarde formeerde en haar maakte — niet natuurkundig, maar reëel voor de geschiedenis — tot het middelpunt van het heelal, waar de groote geschiedenis zich afspeelt voor tijd en eeuwigheid, zooals de Heere dat in Zijn eeuwigen raad bepaalde !
En nu gebeurt alles in de onbewuste schepping natuurnoodwendig. De zon gaat op en gaat onder, de steen valt, de vogel vliegt — daar is van Ethiek, van levensleer, van levensbeginselen en zedelijke normen geen sprake. Daar is geen wilskeuze en geen vrije handeling met verstand en met gevoe4'-en met wil. Doch bij den mensch is dat wèl zoo. En dat na te gaan is hoogst interessant; gelijk het gebiedende eisch van den Schepper is, dat de mensch, als redelijk-zedelijk schepsel, welbewust zal leven met hoofd, met hart en hand verantwoordelijk zijnde voor wat de mensch denkt, gevoelt en wil.
En nu kunnen we niet beter doen dan de wetten op te sporen, die God Zelf gaf aan den mensch en nog altijd aan den mensch voorhoudt, opdat hij naar de wetten zou leven, tot eere Gods en tot eigen zaligheid en vree.
In de Wet der tien geboden heeft de Heere ons, in steen ingegraveerd, de levensbeginselen en zedelijke normen voor den mensch gegeven. Dat is niet voor het plantenrijk, noch voor het delfstoffenrijk, noch voor het dierenrijk. Maar dat is voor den mensch, voor de menschheid hier en elders, voor de menschen van vroeger en van nu, voor alle menschen in alle werelddeelen, van alle talen, van alle kleur, van alle nationaliteit en cultuur, 't Is voor den mensch — die.mensch God is, doordat hij door God is geschapen en die als mensch Gods geroepen is God te dienen met hoofd, hart en hand — hoewel hij door de zonde aan God ontvallen is en hier en elders en overal van God is afgeweken, van God is vervreemd en daardoor tot allerlei verkeerde levensbeginselen is vervallen, om zich allerlei zondige levenswetten te maken en allerlei valsche zedelijke normen te stellen.
Maar daarom moet dés te meer juist worden bekend gemaakt, niet wat de zondige mensch voor levensbeginselen en zedelijke normen uitdacht, — waarbij het leven scheef gaat en verkeerd loopt, met zondebedrijf in ongerechtigheid — doch wat God als levensbeginsel gaf en vasthoudt, met de zedelijke normen die Hij stelde en niet loslaat.
Voor den zondeval droeg de mensch die levensbeginselen en levenswetten in zich, omdat God hem zóó geschapen had, in ware kennisse Gods, gerechtigheid en heiligheid. Hij wist het, hij deed het en hij was zonder gebrek of tekortkoming en God werd er door verheerlijkt en de mensch zelf was er door gelukkig. De heerlijkste, heiligste harmonie van binnen en van buiten, boven ons en hier beneden.
De Engelen boven waren zoo geschapen en leefden zoo.
De menschen beneden waren zoo geschapen en leefden zoo.
De heiligste harmonie, boven en beneden, want in den hemel werd Gods wil gedaan door de Engelen, en hier beneden door de menschen. Wat nu met heilige jaloerschheid kan vervullen. Wat de Christen tot een onderwerp van zijn dagelijksch gebed maakt — dat 't weer zoo mag worden. („Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzoo ook op aarde" — dat is : „geef, dat wij en alle menschen ónzen eigen wil verzaken en Uwen wil, die alleen goed is, zonder eenig tegenspreken, gehoorzaam zijn, opdat alzoo een iegelijk zijn ambt en beroep zóó gewillig en trouw moge bedienen en uitvoeren, als de Engelen in den hemel doen". Held. Catechismus Zondag 49).
Met heilig heimwee kan de Christgeloovige, kan de gemeente van Christus er om vragen en er naar verlangen.
Dat is de vrede en de zaligheid voor de menschen, om zóó God lief te hebben en zóó begeerig te zijn voor Hem te leven.
En.... ja.... levend in geloove, met uitzien naar de toekomst verwacht de Christen — die een adventist is in gezonden zin — straks een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, met de volle openbaring van het Godsrijk. Dan zal de Heere ons regeeren, dan zal de Heere ons vervullen, dan zal de Heere ons zetten in Zijn liefdedienst, als Hij alles zal zijn in al de Zijnen, die in Christus Jezus Hem mogen noemen „Onze Vader". (Held. Catech. Zondag 48).

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's