De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

11 minuten leestijd

WASSEN EN TOENEMEN.
Handelingen 6 vers 7a.
Het is een bekend feit, mijn lezers, dat het Evangelie de meeste aanhangers telt onder de niet-bezittenden.
Het twaalftal, dat de Heere uitkoos tot Zijn nauweren kring van volgelingen, waren gewone lieden uit het volk. Dat is niet iets toevalligs, niet iets bijkomstigs, maar daarin schuilt opzet. Het woord dat de Heiland sprak naar aanleiding van wat Hij meemaakte met den rijken jongeling, doet dit duidelijk openbaar worden. „Hoe moeilijk is het dat rijken zalig worden". De rijkdommen dezer wereld zijn niet dienstig voor het Koninkrijk Gods. De schatten welke den mensch rijk maken, staan hem lichtelijk in den weg om zich omtrent het heil zijner ziel te bekommeren.
Met de wijsheid dezer wereld is het net zoo gelegen. Hoevelen telt ge niet onder uwe kennissen, die in hun kinderjaren gaarne hoorden van het Evangelie, die, nadat zij op den ladder der wetenschap hun voet een sport hooger hadden gezet, langzamerhand begonnen te verflauwen, om straks alles prijs te geven waarop zij voorheen zoozeer prijs hadden gesteld.
Met de machtigen dezer wereld is het vooral niet beter gesteld. Het is alsof het woord van den Duivel de volle waarheid in heeft. Al de koninkrijken dezer wereld met de heerlijkheden daarin, schijnen hem toe te behooren.
Alzoo kunt ge begrijpen dat ieder mensch die voor deze dingen van nature hoogst gevoelig blijft, tegenover het Koninkrijk Gods zoo niet een vijandige houding aanneemt, toch liefst onder de discipelen niet wordt gerekend.
Alzoo bevreemdt het ons ook heelemaal niet, dat toen de Heere Jezus Zijn stem onder de schare liet hooren, het bijna uitsluitend waren de armen, geringen, behoeftigen en die met een of andere krankheid waren bezocht.
Haast geen grooten.
Ge zult u herinneren het woord van de Joden uit die dagen : „Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeen". De schare, die de wet niet wist, die niet zoo op de hoogte van alles bleek te zijn als zij, liep alleen Hem na.
Maar geen grooten.
Zoo is het altijd gebleven en zoo zal het wel blijven ook. Het Evangelie is niet naar den mensch, al bevredigt het zijn hoogste en innerlijkste behoeften, al voldoet het aan de volle eischen van het ware leven, toch is er een punt, waarop het altijd blijft hokken. Hij moet het zijne er aan geven, zijn goed, zijn wijsheid, zijn krachten, het moet weer teruggebracht onder dezelfde hand waaruit hij 't alles ontving. De Heere moet worden het één en het al. De mensch niets. God alles.
En dat wil hij niet en dat kan hij niet en hij reageert hiertegen op de geweldigste wijze ; vandaar het algemeen verzet. Hierin komt nooit verandering voordat hij door Gods Geest aan zichzelven wordt ontdekt. Dan leert hij het betrekkelijke van alles kennen. Dan ziet hij hoe hij zichzelven wat heeft wijsgemaakt. Dan wordt alle wetenschap betrekkelijk. Dan wordt God weer de bron van alle goed. Dan kan hij buiten Hem niet meer leven.
Wij zien dit zoo duidelijk bij Nicodemus. Deze was een leeraar van naam. Deze behoorde tot de rijksten en machtigsten van zijn omgeving. Toen de Heere zijn hart had geopend, begon hij naar wegen te zoeken om met Jezus in aanraking te komen. Al kwam hij eerst ook bij nacht en was zijn belijdenis schuchter, straks begint hij voor Hem het pleit te voeren en eindelijk behoort hij tot de volgelingen.
Voor de werking van Gods Geest smelt alle verzet, wordt elke tegenstand verbroken. Werd dit maar beter ingezien, ook in onze dagen, zoo werd velerlei ijdel pogen onmiddellijk gestaakt en God aangeloopen in gemeenschappelijk gebed.
Wij zien dit zoo duidelijk bij de eerste gemeente. In Jeruzalem waren de jongeren vereend in den gebede, smeekende om den Heiligen Geest. En toen Hij kwam, lag er onmiddellijk beslag op de. schare. En daarin kwam niet de minste wijziging ; immers waar Gods Geest werkt heeft de mensch niets te vertellen.
Wij willen dit van nabij gadeslaan. Onze tekst leest ge in Handelingen 6 vers 7 : En het woord Gods wies, en het aantal discipelen vermenigvuldigde zeer.
Wat waren dat rijk-gezegende dagen, die van den eersten tijd. Om er jaloersch op te worden. Wij lezen : en de Heere deed dagelijks tot de gemeente, die zalig werden. Bij tien en honderdtallen tegelijk werden zij ingezameld. Als een stroom, die pas van de bergen afdaalt, was de inwerking van Gods Geest op de massa. Joden en Jodengenooten omhelsden het Evangelie der zaligheid en erkenden Christus als hun Vorst en Heere.
Het waren schoone tijden. De Apostelen lagen in hun eerste liefde, als gewillige instrumenten, maar te wachten op de werking van Gods Geest. Zij hadden het geleerd, proefondervindelijk, wat het beteekent : wachten op den Heere. Zij zelf deden niets. Het was niet een buitengewoon vermogen dat zij zich door inspanning of ontwikkeling hadden eigen gemaakt, neen, enkel het werk van God Zelf. Wat gij ziet en hoort — zoo getuigden zij telkens bij iedere gelegenheid — is de directe vrucht des Heiligen Geestes. Deze is ons geworden van den hemel, van God Zelf, door Christus. Dat is nu met recht de vrucht, welke Hij door Zijn zoen-en kruisverdienste heeft verworven en thans mededeelt.
Alles wat de discipelen deden en spraken was dus God-en Christus-verheerlijkend. Niets geen roem en lof blijft hier over voor het schepsel.
Nu spreekt het vanzelf, dat Satan dit niet kan aanzien dan met leede oogen. Hij kan niet anders. Zijn naam is Tegenspreker en Vernieler.
Het eerste wat hij deed was de haat en vijandschap aanblazen van de Joden. Als de kreupele aan de Schoone Poort door de aanraking van Petrus is gezond gemaakt, zoo wordt de hand aan hem en zijn medeapostel geslagen.
Natuurlijk — zoo luidt hun aanklacht — dat wij er hoegenaamd niets op tegen kunnen hebben dat gij de gave der gezondmaking toepast op een arm en ongelukkig schepsel, doch hiertegen gaat ons protest. dat gij dit doet niet in uwen eigen naam, maar in dien van den Nazarener. Wanneer ge dit maar wilt nalaten en ge dit belooft, wordt u onmiddellijk de vrijheid hergeven. Dan kunt ge doen en laten wat ge wilt.
Niet de naam van Jezus, niet de naam van God groot gemaakt. Zie, daarover loopt en liep nu de kwestie. Geen prediking van Christus. Niet het kruis-evangelie verkondigd. De arme wereld mag alles hooren, behalve wat tot haar eeuwig heil is dienende.
Kan het ooit duidelijker ons worden geteekend, wie hierin de hand heeft, van wien bij al dit doen de leiding uitgaat ? Van Satan in eigen persoon.
Doch nu moet ge niet denken, dat dit de eenige manier is om te verderven. Neen, hij heeft veel meer pijlen op zijn boog. Hij tracht te vernietigen wat Gods hand plantte, door vijanden van buiten, en zoo het mogelijk is door vijanden uit eigen kamp. Reken dit laatste vooral niet minder in beteekenis dan het eerste.
De zonde sluipt overal binnen. Daar is geen mogelijkheid om hier op deze wereld ooit een Kerk te formeeren, waarin de zaden van den vorst der duisternis niet zijn uitgestrooid. Zelfs de gemeente van Jeruzalem levert daarvan het tastelijk bewijs. Woonden daar niet tusschen de broeders een Ananias en Saffira ?
Wie nu de meeste schade toebrengen, de vijanden van buiten of die als burgers stonden ingeschreven, is niet twijfelachtig. Wij merken dit het beste uit het donker spoor dat de valsche broeders achterlaten op deze wereld. In ons teksthoofdstuk stoot ge ook op een stuk verdorven leven. Het spreekt van twisting omtrent de wijze van bedeeling. Zeer duidelijk is dit het werk van Satan. Wat evenwel ook niet onopgemerkt mag blijven, dat hier door Gods genadige inwerking nog het goede tot stand kwam. In donkere tijden breekt opeens de zon door en een licht valt op alles, zóó wonderlijk schoon, dat de bekentenis vanzelf van de lippen vloeit: dat is het werk Godes.
Zoo ook in onzen tekst.
We lezen hier hoe men om de gemeente Gods te verzorgen, naast de bediening des Woords, die der tafelen had ingesteld. Wat lichtelijk gebeuren kon, dat om der armen wil zooveel aandacht werd gewijd aan aardsche dingen, dat de hemelsche en geestelijke daardoor naar achteren werden gedrongen. Armenverzorgers werden verkoren ; mannen vol des Heiligen Geestes, zooals wij lezen.
Wat een kostelijk licht valt hier op alles. De diakenen waren niet andersoortig dan de ouderlingen, neen, alleen hun arbeidstaak was verschillend. Onder beiden toch school dezelfde wortel en stond hetzelfde doel hun gelijkelijk voor oogen, n.l. de gemeente van Christus dienen onder de hooge leiding van Zijn Geest.
Dat dit ook in onze dagen gezien mocht worden, meer en meer. Immers dan blijven de vruchten niet uit.
Wij lezen hier : „En het Woord Gods wies".
Wat met dit zeggen bedoeld wordt, is niet zoo heel moeilijk weer te geven. Natuurlijk bedoelt het niet, dat de Schriften vermenigvuldigd werden, dat deze werden uitgebreid. Wat het wèl beteekent is dit, dat het zaad des Woords, door de prediking uitgedragen, begon te ontkiemen. Daar werden er — zoo staat er — dagelijks toegedaan tot de gemeente, die zalig zullen ; worden. M.a.w. daar werden zondaren tot God bekeerd. Heerlijk als naar waarheid getuigd mag worden : en het Woord Gods wies. Het nam de overhand. We lezen er nog van op een tweetal plaatsen. In Hand. . 12 : „en het Woord Gods wies en vermenigvuldigde". Evenzoo in Hand. 19 : „alzoo wies het Woord des Heeren met macht en nam de overhand.
De gedachte welke hierin voorzit is deze, dat de prediking van het Woord een plaats moet krijgen in de harten, het moet daarin wortel schieten, vastigheid krijgen en straks daarvan de vruchten toonen in het openbaar.
Tweeërlei wordt hierbij opgemerkt. In de eerste plaats daar is geen vrucht te wachten wanneer het leven wordt gemist, en vervolgens wanneer Gods Geest leven in de ziele legt, moet het zich openbaren naar buiten.
Wat vooraf gaat behoeft nauwelijks te worden aangewezen. Dat is het leven, dat zich onttrekt aan alle menschelijke waarneming, dat alleen een planting Gods mag worden genoemd en dat door het Woord Gods levendig gemaakt werd van binnen. Gods Geest deed het ontkiemen. Het Woord op zichzelf doet het niet. De gelijkenis van den zaaier wijst hierop zeer duidelijk. Wat aan den weg valt wordt door de vogelen weggenomen en wat op steenachtige plaatsen werd uitgezaaid, gaat straks weer verdorren, gelijk wat in de doornen is terecht gekomen wordt verstikt. Alleen wat in den gespleten aardbodem wordt ondergeëgd en daarin wasdom heeft verkregen, levert een Gode-verheerlijkende vrucht.
Aan deze kostelijke gelijkenis des Heer en worde ons leven en onze arbeid telkens getoetst. Zal er wasdom gezien worden, zoo moet er eerst in het verborgene worden gewerkt. Zonder de wederbarende genade Gods is er geen leven.
Zou een persoonlijke vraag niet als vanzelf tot ons zich richten : Hoe kwam het Woord Gods tot u? Had het u van Zijnentwege iets te zeggen ? Of luisterdet gij naar de prediking om den vorm, om den logischen gedachtengang, om iets van dien aard ? Of kwaamt gij er mee voor God te staan ?
Ziet, een door schuldbesef verbroken hart wijst zoo klaar in de richting van de gelijkenis. Dan gaat het Woord er in. Dan wordt het weggelegd. Dan wordt het niet toegepast op een ander. Dan is het sluitstuk: spreek Heere, uw dienstknecht hoort.
Hebt ge daarvan wel eens iets ervaren ? Ge zegt : ja.Ik heb de scherpte gevoeld van dit tweesnijdend zwaard, dat doorging tot het diepste mijner ziele. En is het daarbij dan gebleven ?
Onmogelijk. Dezen schuldig-verklaarden zondigen mensch wordt de Evangelie-boodschap op het hart gebonden : daar is behoud voor u. 't Gansch schuldig-verklaarde wordt vrijgesproken van schuld om Christus' wille.
Gij zegt: dat is het werk Gods. Zeker, van niemand anders. Dat is met elk onderdeeltje van den weg het geval. Het allereerste wat zich laat aanwijzen in den weg Hij is de eerste.
Daar is nog nooit uit eigener beweging een zondaar tot God gekomen met : „ik heb gezondigd". Daar is nooit een zondaarshart gebroken of dit moet enkel en alleen worden toegekend aan de inwerking van Gods Geest. God doet het. Hij maakt het hart murw, waarin het Woord Gods indaalt als een levend Woord. In de benauwenis der zonde wordt de ritseling van het leven openbaar. Gods Geest getuigt tegen alles in, tegen de aanklachten van Satan, tegen de beschuldiging van het geweten, tegen alles wat de wereld aanvoert, en gij wordt uit genade vrijgesproken. Christus is uw vrijspraak alleen. De liefde Gods, die eeuwig Hem bewoog, die in Christus uittreedt en door Zijn Geest wordt toegepast, is de eenige bewerker uwer zaligheid.
Gelooft gij dat ?
Wie dit met ja — al is het ook in teere schuchterheid — beantwoordt, zingt het den dichter na :
Dit is, dit is de poort des Heeren, Daar zal 't rechtvaardig volk door treên. Om hunnen God ootmoedig t' eeren, Voor 't smaken Zijner zaligheên.
Ik zal Uw naam en goedheid prijzen ; Gij hebt gehoord, Gij zijt mijn geest Door Uw ontelb're gunstbewijzen. Tot hulp en heil en vreugd gevreest.
Volgende week het slot.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's