JONKER VAN STERRENBURGH
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen.
Enkelen hunner oordeelden zelfs, dat het God-verzoeken was van zulk een reisgelegenheid gebruik te maken. In den bijbel werd wel gesproken van paarden en wagenen en ook wel van schepen, die zelfs ter zee varen, maar niet van die wilde monsters, die zoo razend te keer gaan, dat hooren en zien vergaan als zij goed op dreef zijn.
Zoowel dominé Feurman, de predikant bij de groote kerk, als dominé Velthuis, die in de kleine kerk diende, hadden het niet gemakkelijk, toen zij in dien zelfden herfst van een ouderling vergezeld huisbezoek bij de gemeenteleden gingen doen. Temeer niet, waar zij persoonlijk wel ingenomen waren met den aanleg van deze baan, waar door het reizen zooveel te gemakkelijker en goedkooper werd, hetgeen zoowel met het oog op de toekomst der kinderen als op de niet groote traktementen niet te versmaden was.
Natuurlijk kwamen zij in geen huis waar dit nieuws niet ter sprake kwam.
„En wat denkt dominé nu van zoo'n spoor ? " dat was de vraag, die telkens wederkeerde en waarop dan maar een flink beslist antwoord diende gegeven te worden.
Wel trachtte ds. Feurman, die een voorzichtig man was en liefst met alle menschen vrede hield, zich zoo verstandig mogelijk uit te drukken, teneinde alle klippen en zandbanken te omzeilen, maar dan moest hij niet in Friesland zijn om dat klaar te spelen.
„Hoor eens, dominé", zei Jarig Yntema, de boer van „Landlust", „jou moet er nu maar niet om heen praten, maar ronduit zeggen of jou vóór of tegen die nieuwerwetsche spullen zijt", en toen dominé daar op met de Schrift in de hand het recht meende te hebben alle ontdekking en uitvinding, alle kunst en wetenschap te beschouwen als een gave Gods, welke, wanneer zij geheiligd worden, voor velen ten zegen kunnen zijn, kwam er een onweer op, dat zoo maar niet dadelijk weer aftrok.
„Dat had Yntema nooit van dominé verwacht. Hij beschouwt 'n heele boel uitvindingen als duivelswerk om de menschen in het ongeluk te storten. Al de geleerdheid van die zoogenaamde knappe lui brengt meer ellende dan zegen, 't Is maar beter, dat die menschen de handen uit de mouw steken en gaan werken, zooals hij en zijns gelijken.
Ja, wanneer de wetenschap geheiligd wordt, zal zij ten zegen kunnen zijn, maar dominé weet ook wel wat het natuurlijk bestaan van het zondige menschenhart is, en hoe bovendien de duivel nu eens als een brieschende leeuw doch dan ook weer als en engel des lichts rond gaat, zoekende wien hij zou kunnen verslinden. De Aposel zegt ook, dat de kennis opgeblazen maakt. De mensch, die verduisterd is in het verstand en vervreemd van het leven Gods, kan uit zich zelf niets voorbrengen dat Gode welbehagelijk is en alleen van de godzaligheid kan gezegd worden, dat zij tot alle dingen nut is, hebbende de belofte van het tegenwoordige en toekomende leven."
Daarop heeft dominé getracht boer Yntema aan het verstand te brengen, dat hij het in hoofdzaak wel met hem eens was. maar dat God den mensch toch ook het denkvermogen gegeven heeft waardoor hij de krachten, welke sluimeren in de natuur, kan opwekken en daardoor de grootheid van Gods werken kan aantoonen. Bovendien, geen mensch, die niet profiteert van de uitvindingen die er gedaan worden.
Het leven in Kleiterp, hoe eenvoudig ook, was toch ongetwijfeld heel anders dan ten tijde toen de voorouders de terp gingen maken, waarop men thans zoo zeker woont, en boer Yntema richtte toch zijn bedrijf ook al geheel in naar de nieuwste eischen. Was hij niet mee een van de eerste boeren, die met stamboekvee begonnen te werken ? Welnu, wat wist men daar vroeger van ? Is een vorig jaar de oude kapwagen niet verwisseld voor een op veeren ? Wie bekommerde zich daar jaren geleden over ? Als men maar reed. Heeft hij bovendien op zijn schuur niet een bliksemafleider doen plaatsen ? Dat was ten minste geheel nieuw-modisch en wanneer te eeniger tijd ook in Kleiterp een zuivelfabriek werd opgericht, gelijk deze immers de laatste jaren als paddestoelen uit den grond verrijzen, zou dan Yntema weer niet een der eersten zijn, die de karnton aan kant deden om zoo mogelijk voor minder arbeid meer te ontvangen ?
Tegen deze redeneering wist de boer niet veel in te brengen. Hij eindigde met te zeggen, dat tegen die geleerde lui toch nooit was op te komen, maar het hem van dominé afviel, dat die zoo met den geest van den tijd meeging. Wat echter vooral uitkwam, dat was hoe ook hier weer het oordeel, 't welk men velde, nauw verband hield met de persoonlijke belangen.
Er waren landeigenaars, die het „door alles heen" noemden, dat daar maar zonder te vragen of men het goed vond een weg door de landerijen werd gebaand, terwijl alle verzet nutteloos was. 't Was gewoonweg een schandaal, dat men niet eens baas bleef van zijn eigendom.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's