De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

WASSEN EN TOENEMEN.

7 minuten leestijd

„En het Woord Gods wies en het aantal der discipelen vermenigvuldigde zeer." Handelingen 6 vers 7a.

(Vervolg).
De Heere werkte krachtig door de prediking van Zijn Woord.
Nu zou het wel eens van meer dan gewone beteekenis kunnen zijn, om na te speuren in welke bizonder e omstandigheden men toen verkeerde. De mogelijkheid bestaat immers dat hieruit iets te leeren valt ook voor onze dagen.
De Gemeente van Christus bestond n.l. uit dezelfde soort van menschen als er nog bestaan.
Ge merkt dit het best uit de kwesties, welke er ook toen rezen. De eene arme zei, dat de andere bij hem werd voorgetrokken. Dat de leiding in de bedeeling niet deugde.
't Is hetzelfde wat ge nog hoort. De stoffelijke dingen besloegen ook hier geen kleine plaats. Waaruit de Duivel winst zocht te behalen.
Doch nu valt iets voor, waaruit ge ten duidelijkste merkt de bizondere werking van Gods Geest.
Ambtsdragers worden aangesteld, wier taak het is te zorgen voor de armen van de gemeente, opdat de Apostelen zich geheel zullen kunnen wijden aan de bediening des Woords; opdat zij kunnen volharden in den gebede.
Ziet, wie daarop geen acht geeft, doet 't woord van onzen tekst geweld aan. Als wat zooeven werd genoemd, heeft plaats gegrepen, leest ge : „en het Woord Gods wies".
Wanneer er in het geestelijke in onze dagen ook zooveel doodschheid en dorheid wordt gevonden en een algemeene klacht wordt vernomen, dat men zoo zelden hoort van toebrengen tot en verdieping van de kennis van onzen Heere Jezus Christus, zou het zijn oorzaak ook hierin kunnen hebben, dat er geen volharden is in den gebede en in de bediening des Woords ?
Daar is geen teerder werk dan het werk des Geestes, vandaar past hier de hoogst mogelijke voorzichtigheid.
Nu wordt verder in ons tekstwoord nadere verklaring gegeven, waarin het Woord Gods wies. Het getal der discipelen vermenigvuldigde zeer te Jeruzalem.
In de veelheid van onderdanen is des konings eére en grootheid, zegt de Schrift elders. Doch nu staat hier nog iets achter, waarover we niet mogen heenlezen.
Wanneer de uitbreiding van het Godsrijk ware begonnen vanuit een dier gewesten waar ook de Heiland gearbeid had, maar dan ver van Jeruzalem, zoo waren den vijand onderscheidene punten van aanval gelaten. Hij had kunnen zeggen : „in Jeruzalem vermocht de Heere toch niets te doen. Hij liet den Jood in zijn afkeerigheid."
Doch nu werd vanuit Jeruzalem het werk ingezet. Hier werd de Geest uitgestort. Hier werden de eerste discipelen toegebracht. Hier greep het werk der vermenigvuldiging plaats.
Hebt ge hierin de goddelijke bedoeling wel opgemerkt ?
Datzelfde Jeruzalem, dat het had uitgeschreeuwd : „weg met Dezen, kruist Hem", over deze diep bedorven stad der vaderen breidt de Heere de vleugelen Zijner liefde het eerste uit.
Is daarin niet een wenk des Allerhoogsten gelegen ?
Is het niet dat de Heere tot de allerafkeerigsten deze prediking uitdraagt: „'k Wil Me ook nog over u ontfermen, 'k Wil u ook nog toevergaderen."
Is het niet iets groots ? Wij zouden zeggen, dat het de grootheid van den Koning in den weg zou staan, dat Zijne Majesteit het niet toeliet den zetel van Zijn Koninkrijk hier op te richten.
En toch op geen andere plaats zou het mogen geschieden.
Vindt ge zulk doen niet wonderlijk ? Alles wil Hij prijs geven om zondaren te behouden.
Is dit het eerste wat we opmerken, er is ook nog een tweede punt waarbij wij uw aandacht willen bepalen.
In Jeruzalem school de zetel van het verzet. Hier bevond zich de wapenburg. Over het gansche rond der aarde vindt ge geen enkele stee, waar zooveel vijandschap oplaait tegen Christus en de Zijnen, als hier. Der heidenen afkeerigheid is bij lange na zoo hevig niet als die van het eigen volk der Joden. Deze tot discipelen maken is naar menschelijke berekening onmogelijk.
En ziet, hier valt het leger binnen. Hierop wordt de hoofdaanval dadelijk gericht.
Het gaat in Gods Koninkrijk heel anders dan in de gewone bedeeling. Wanneer hier twee legers tegenover elkander zich hebben opgesteld en de slag zal beginnen, zoo hoort men in de eerste dagen van niets anders dan van verkenningen. Zij zoeken elkanders zwakste plaatsen te ontdekken. Daarop wordt de aanval gericht. De Heere doet precies omgekeerd. Op de meest versterkte plaats richt Hij het oog en daarop legt Hij de hand. Jeruzalem is hiervan het voorbeeld.
Vanuit Jeruzalem zal het werk des Heeren beginnen.
Gel., wat zal het dengenen, die verloren gaan, moeilijk zijn iets aan te wijzen, waarmede zij zich zullen trachten te verontschuldigen.
Over Jeruzalem heeft de Heere de vleugelen Zijner liefde het wijdste uitgezet.
En daarin heeft Hij de macht Zijner vijanden het deerlijkst verbroken.
O, merkt er toch op. Wij geven den moed zoo spoedig op, wij zeggen zoo spoedig : „hier kan niets goeds worden tot stand gebracht." Zelfs de grootste tegenstanders moeten ervaren, dat God Almachtig groot is van vermogen.
In Jeruzalem werd de muur van verzet gebroken.
't Staat er zoo opvallend : en een groote schare van priesters werd den geloove gehoorzaam. Zegt de toebrenging van 't volk veel, dat van de priesters onnoemelijk veel meer. Hier was de vijandschap, de bitterheid verpersoonlijkt.
En ziet, deze buigen voor de werking des Geestes het hoofd. Deze komen tot waarachtige bekeering. Deze bekennen hun ongelijk.
Wij hebben zooeven reeds de opmerking gemaakt, dat Gods doen altijd anders is dan het onze. Hij kiest de sterkste tegenstanders uit en zaligt hen. Hij werpt de grootste vijanden omver en leert hen roepen : „hoe word ik behouden" ?
Denkt ge hierbij wel onmiddellijk aan een Saulus op den weg naar Damascus.
God in den hemel breekt niet alleen des priesters verzet. Hij slaat hen niet enkel met machteloosheid, maar zet hen om, Hij maakt van tegenstanders predikers.
Wordt met dat vermogen Gods nog wel genoegzaam rekening gehouden, lezers ?
Wij leven in een gansch bizonderen tijd. Daar is klaarblijkelijk eene verhouding gekomen over heele deelen van de christenwereld.
Hoe geweldig de oordeelen ook zijn mogen, welke over heel de wereld zich bezig zijn te voltrekken, van een wederkeer en tot den Heere wordt weinig gemerkt. Eerder neemt de lichtzinnigheid hand over hand toe.
Is het zoo met het volk in zijn breede geledingen, van tal van priesters kan ook niet anders worden getuigd, dan dat zij zich openbaren als vijanden van het kruis van Christus.
Dit is een bekend feit, niet alleen ten onzent maar overal.
Hoe staat nu de levendgemaakte gemeente van Christus daar tegenover ?
Is er ook een volharden in den gebede, en in de bediening des Woords ?
Ziet op dezen grondslag mag worden gepleit op de genade des Allerhoogsten.
Als de Geest des Heeren werkt, vloeit het leven uit naar alle kanten. Dan worden tegenstanders geloovig. Dan wordt een vijand een vriend. Dan wordt een die het rijk Gods zoekt af te breken een bouwer. Wij zien dit ten duidelijkste bij den Apostel Paulus. Welk een zegen is er verspreid over heel de wereld, door zijn woord en prediking.
Den geloove moeten wij gehoorzaam worden.
Hebt ge dit verstaan, lezer ?
Hooren niet alleen, maar er voor buigen. Daar staat in het Woord des Heeren zulk een scherp-omlijnd getuigenis : hoe zullen wij ontvlieden, als wij op zulk een zaligheid geen acht geven ?
Christus moet gekend en erkend worden als ons eenig en eeuwig heil.
Heerlijk wie dit geleerd mag hebben. Gehoorzamen is het overbuigen naar de binnenzijde. Wat wordt het dan wonderlijk stil van binnen.
Geen grooter goed is er denkbaar dan te komen tot deze belijdenis : ik ben gehoorzaam geworden.
De Heere brak mijn hoogmoedig hart. Ik gaf me. Of liever, de Geest des Heeren werd mij te machtig. Ik werd getrokken door die wondere macht Zijner liefdehand. Ik zag den Heere Jezus in Zijn schoonheid.
Hij werd mijn een en mijn al. En met den Dichter heb ik gezongen :
Wien heb ik nevens U omhoog, Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog Op aarde nevens U nog lusten.
Niets is er, daar ik in kan rusten.
Niets Heere, naast U.
Geteld te mogen worden onder de schare, die niemand tellen kan, ziedaar mijn hoogst en eenig verlangen. Christus groot te maken met al de Zijnen is de wensch mijner ziel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 juli 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 juli 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's