SCHRIFT VERKLARING
ROMEINEN 10 vers 1—8.
Broeders, de toegenegenheid mijns harten en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is tot hunne zaligheid.
Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand.
Want alzoo, zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen en hunne eigene gerechtigheid zoeken op te richten, zoo' zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen.
Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid, een iegelijk, die gelooft.
Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende : de mensch, die deze dingen doet, zal door dezelve leven.
Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus : zeg niet in uw hart: wie zal in den hemel opklimmen ; hetzelve is Christus van boven afbrengen. Of wie zal in den afgrond nederdalen, hetzelve is Christus uit de dooden opbrengen.
Maar wat zegt zij ? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken,
Het is de bedoeling des apostels om zich te wachten voor den schijn des kwaads. Men mocht hem eens aanwrijven, dat hij het evangelie des kruises predikte uit bittere vijandschap tegen zijn eigen volk. We zien zoo vaak dat een renegaat veel vuriger is dan degenen, die die beginselen al veel langer hebben omhelsd. Een Protestant, die Roomsch wordt, is vaak veel fijner Roomsch dan degenen, die van hun geboorte af onder Rome werden opgevoed. Welnu, men mocht er den apostel ook eens van verdenken, dat hij een renegaat was, die er nu lust in had om degenen, bij wie hij vroeger behoorde, te helpen striemen. Hier spreekt Paulus van zijn groote toegenegenheid tot het oude volk van Israël. Het is zijn begeerte om dat volk in zijn geheel in zijn gebeden te gedenken. En als we dan Paulus hooren bidden voor 't oude bondsvolk, dan mag er wel beschaamdheid des aangezichts wezen bij de Christenen van onzen tijd. Of is er bij ons veel gebed voor het volk der Joden ? Helaas, in den loop der eeuwen hebben de Christenen door hunne onchristelijke handelwijzen de Joden nog al meer vervreemd van het evangelie des kruises. Overal werden de Joden verdrukt. Hun bestaan was moeilijk. De bedriegelijkheid van den Jood is voor een groot deel zeker een uitvloeisel van de hachelijke positie, die Israël innam tusschen vijandige Christenvolken. Het was voor den Jood moeilijk om zich te handhaven. Het maakte hem sluw en bedriegelijk. Nog eens : mee voor een groot deel door onze schuld !
We mogen er ons in verblijden, dat er in den laatsten tijd meer pogingen in 't werk gesteld worden om ook aan het verblinde Israël het evangelie des kruises te brengen. Moeilijk blijft het. Israël is zoo verhard. Het getal bekeerlingen is maar klein. Het getal waarlijk bekeerden zeker nog kleiner. O, laat er gebed gevonden mogen worden ook in ons midden voor het verblinde Israël.
De apostel Paulus had ze lief. Hij begint met hen te prijzen. Wat een ijver legt ook nu de trouwe Israëliet aan den dag om zijn God te dienen. Welk een angstvallig waken om de wetten van rein en onrein na te leven.
De lasten, die het Joodsche geloof oplegt, zijn zwaar. En toch moet Paulus van die religie der Joden getuigen, dat ze wordt beoefend met een ijver zonder verstand. Immers van de rechtvaardigheid Gods en de door Christus toegebrachte gerechtigheid willen zij niet weten. Dat komt, omdat zij niet hebben verstaan dat de wet geestelijk is. De Farizeën meenden steeds dat ze niet schuldig waren aan overtreding van de geboden Gods. Christus heeft hen daarom willen leeren, dat ook hij, die zijn broeder haat, een doodslager is. Dat ook hij, die een vrouw aanziet om dezelve te begeeren, overspel met haar in zijn hart heeft bedreven. Maar dat hebben de Joden niet begrepen. O, als ze dit hadden verstaan, dan zouden ze tot het diepe besef zijn gekomen dat ze door de werken der wet nooit meer zouden kunnen gerechtvaardigd worden. Immers pas dan, als het oog er voor wordt geopend dat al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed, is er plaats in ons hart voor dat rijke evangelie van Gods genade in Christus. Helaas, Israël heeft het woord der profetie niet begrepen : De rechtvaardige zal door het geloof leven. Nu betoonden ze wel een grooten ijver, maar ze hoorden niet naar het woord Gods, het eenige redmiddel tot hunne zaligheid. Van de gerechtigheid van Christus, die alleen voor God bestaan kan, wilden ze niet weten. En juist uit dat oogmerk heeft God de Heere toch aan Israël Zijne wet gegeven.
Neen, de Heere gaf Zijne wet niet aan de gevallen menschheid, opdat die gevallen menschheid toch nog weer zou pogen om door de werken der wet gezaligd te worden. Hij gaf Zijn wet, opdat de mensch zich in die wet zou spiegelen en zou leeren verstaan dat wij door de zonde zoó verdorven zijn, dat we onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad. Maar de Heere openbaarde zich ook in den Zoon van Zijn eeuwig welbehagen, opdat de vermoeiden en de beladenen vanwege hun zonde en hun schuld, in Christus redding zouden vinden.
In het 5e en 6e vers heeft Paulus Mozes en Christus nog weer eens duidelijk tegenover elkaar gesteld. De Wet zegt: doe dat en gij zult leven. Inderdaad, een iegelijk die de Wet Gods volbrengt, kan op grond j van eigen werken eischen den hemel te mogen binnengaan.
Maar helaas, van dat doen van Gods Wet is na Adams val geen sprake meer. Het blijft een overtreden van de Wet Gods met gedachten, woorden en werken.
Anders spreekt de rechtvaardigheid, die uit het geloof is : Zeg niet in uw hart: wie zal in den hemel opklimmen ; hetzelve is Christus van boven afbrengen ; of wie zal in den afgrond nederdalen ? hetzelve is Christus uit de dooden opbrengen. Paulus acht deze woorden uit Deuteronomium 30 vers 3—11 uitnemend geschikt om ze toe te passen op het evangelie.
Met de woorden „zeg niet in uw hart", richt hij zich tot allen bij wie de eeuwige dingen op het hart werden gebonden en bij wie het gaat om de vraag, hoe God in hen, arme zondaren, nog zal komen aan Zijne eer.
Er zijn er velen, die wel spreken met het verstand, maar het komt niet tot een zeggen in het hart.
O lezer, als hét voor u in uw hart een eeuwigheidsvraag geworden is, luister dan naar des apostels woord : Zegt" niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen; hetzelve is Christus van boven afbrengen ; of wie zal in den afgrond nederdalen ? hetzelve is Christus uit de dooden opbrengen.
Neen, van een opklimmen ten hemel, om vandaar de kennis van den weg des heils te verkrijgen, is geen sprake. Maar evenmin van een nederdalen ter helle, om daar een antwoord te krijgen op de klachten uwer ziel. !
Het is beide een verloochenen van Christus. Het is eigenlijk net doen alsof Hij niet van den hemel is neergedaald om ons den volkomen wil en raad aangaande onze verlossing bekend te maken.
Het is een volkomene negatie van het groote heilsfeit, dat hij toch in den dood is ingegaan om zondaren het leven te verwerven.
Neen, de gerechtigheid, die voor God bestaan kan, moet niet zoo ver worden gezocht.
Neen, die gerechtigheid des geloofs zegt veeleer : Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart. Doch hierover een volgende maal D.V.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 juli 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 juli 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's