KERKELIJKE RONDSCHOUW
TOCH WEL HEEL DWAAS !
Dr. J. C. S. Locher van Leiden schrijft in „Kerkblaadje" (26 Juli 1931) een artikel „Zwitsersche Indrukken". Pas is onze Leidsche collega, die aan Zwitserland niet vreemd is, naar zijn moederland geweest. Het is hem opgevallen, dat vooral het Protestantsche gedeelte van Elzas-Lotharingen, dat thans tot Frankrijk behoort, en 't Protestantsche gedeelte van Zwitserland zoo weldadig aandoet door de vriendelijkheid, de welvaart der huizen, de zindelijkheid. Er rust nog een zegen op het land der Reformatie.
Zwingli — zoo schrijft dr. Locher, die veel van Zwingli houdt — heeft niet vergeefs geleden en geworsteld. Al is zijn droom van een éénig, Protestantsch Zwitserland vervlogen, waarvoor hij gestreden heeft en in den ongelukkigen slag bij Kappel z'n leven gelaten heeft — toch heeft Rome het in Zwitserland niet gewonnen, maar zich, evenals in Nederland, tot 2/5 moeten beperken ; en 't meest welvarende en ontwikkelde deel van Zwitserland is Protestantsch-Gereformeerd.
Ook over Calvijn heeft "dr. Locher dan een stukske.
„Daar in het stadhuis van Geneve heeft Calvijn wat moeten worstelen, omdat het er toen om te doen was dat Gods Woord werkelijk zou heerschen in Kerk en regeering, dat de tucht zou gehandhaafd worden, niet alleen onder de boeren — dat wilden zijn libertijnsche tegenstanders óók wel — maar ook onder de heeren".
„Wij zagen de kerk, waar hij het meest gepreekt heeft, waar hij het Nachtmaal weigerde te bedienen zonder tucht, hetgeen hem de verbanning kostte. We zagen de gehoorzaal, waar hij college gaf, de Schrift uitlegde, voor zoovelen uit allerlei landen, ook uit Nederland. Vandaar ging 't goede zaad de wereld in".
Als dr. Locher dan nog even over de kerk van Calvijn schrijft, zegt hij : 't Is een kleine kerk, met een preekstoel. In 't vuur van zijne rede liet hij zich eens van de leuning der trap van dien preekstoel afglijden, om te laten zien hoe de ziel, die van God niet wil weten, eerst langzaam, dan al sneller naar den afgrond gaat".
Dit stukske hadden we op 't oog, toen onze pen als opschrift boven dit artikel plaatste : „Toch wel heel dwaas !
Want wij hebben hoogen eerbied voor Calvijn. Maar deze geschiedenis hadden we nooit gehoord van den grooten Hervormer. Wij dachten, dat, hij voor zulke dingen te nuchter was ; dat hij veel te goed begreep wat bediening des Woords is, om zulke gekke, zotte, dwaze dingen te doen.
Wij weten niet of het verhaal van dr. Locher waar is. Maar als het waar is, hopen we, dat geen enkel van de predikanten en ook niet van de godsdienstonderwijzers een Calvinistische bevlieging krijgen, om zulke zotte dingen 's Zondags op den preekstoel na te doen.
DE GODSDIENSTIGE TOESTAND IN ZWITSERLAND.
In hetzelfde artikel van dr. Locher, bovenbedoeld, schrijft hij ook :
„Hoe is het in Zwitserland op theologisch gebied ?
We kunnen tot onze blijdschap mede deelen, dat er, zooals we vroeger reeds schreven, toch meer vragen komt naar de oude beproefde leer. Weliswaar nog worden veelal de belangstellenden door allerlei secten afgetrokken ; ook de perfectionisten hebben een bekwamen leider, die veel moois brengt, prachtige dingen zegt over de volmaaktheid in Christus en tegen een wettisch bestaan, maar sterk tegen de volkskerk en haren predikant scheldt en de "menschen op verkeerde geestelijke hoogten brengt. Maar onder de predikanten dier kerk begint het anders te worden ; we hoorden preeken, waar we ons van harte over verblijdden ; 't was veel flinker dan vóór een 30 of 40 jaren, 't Is zoo geheel anders dan in den tijd, toen radicaal modernisme in de Kerk overheerschte. De theologie van Barth oefent ook in diens vaderland grooten invloed uit. Daarbij komen er al meer, die zich bij de „jonggereformeerde" richting aansluiten, die ook van Nederland wil leeren en in haar orgaan soms stukken uit Kohlbrügge gaf. Diens geschriften worden ook aanbevolen in een orgaan van de Bazelsche Zending.
Zoo is er verandering te zien, ook in dit land, waar God in de natuur zooveel wonderen ten toon spreidt, het land der reusachtige besneeuwde toppen, der diep blauwgroene meren, der wilde rotsen en donkere dalkloven, het land der reformatie van Zwingli en Calvijn ; gelijk de wateren van hieruit in den Rijn naar Nederland stroomen, zoo was er ook de geestelijke strooming van hieruit naar Nederland en veel verder. De leer der Hervorming hebben we vooral vanuit Zurich en Geneve ontvangen, en ze bracht zegen mee.
Met weemoed zagen we op de heenreis de stad Straatsburg, waar de Reformatie zulk een heerlijk begin had gemaakt onder Bucer en Capito, waar Calvijn zoo veel zegen ontving, waar een bloeiend wetenschappelijk leven was onder burgemeester Jakob Sturm en den geleerde Johan Sturm, waar echter eerst de Lutherschen de Gereformeerden verdreven, om dan plaats te maken voor de Roomschen, toen Lodewijk XIV de stad bezette".
HET METHODISME.
Zooals er vele Gereformeerden zijn, die eerder Piëtist genoemd kunnen worden dan Gereformeerd — in hun vrome beschouwingen en betrachtingen sterk afwijkend van de gezonde Gereformeerde opvattingen — zoo zijn er ook vele Gereformeerden die Methodist moeten heeten.
Methodist — wil zeggen : van één methode uitgaan wat de bekeering des menschen en het geloofsleven der vromen betreft, 't Moet alles beantwoorden aan één en denzelfden maatstaf — die men zelf aanlegt — wat een verheffing van den vromen mensch geeft en een verachting van de vrijmacht Gods en van het werk des Geestes in Gods kinderen.
De kleine — van nature farizeesche mensch — kan zoo moeilijk opklimmen tot de grootheid Gods !
De Schrift leert het ons zoo duidelijk — en de ervaring bevestigt dit — dat, schoon de bekeering des menschen één in wezen is bij allen, de vorm zoo verschillend is naar gelang van de personen, in wie zij geschiedt en de omstandigheden, waaronder zij plaats grijpt.
Het is wel één weg, waarop alle kinderen Gods wandelen, maar zij worden daarop toch verschillend geleid en doen onderscheidene ervaringen op.
Wat verschil is er niet in de leiding, welke God met de patriarchen óf aartsvaders houdt; wat onderscheid is er niet in de bekeering van Manasse, van Paulus, van Timotheüs ! Hoever loopen niet de bevindingen van een David en Salomo, van een Johannes en Jacobus uiteen !
En diezelfde verscheidenheid treffen wij ook buiten de Schrift in het leven der Kerkvaders, der hervormers en van alle vromen aan.
Zoodra ons oog opengaat voor dezen rijkdom des geestelijken levens, leeren wij het af, anderen naar onzen kleinen bekrompen maatstaf te beoordeelen. Daar zijn menschen, die slechts ééne methode kennen, en niemand voor bekeerd houden, tenzij ze van diezelfde ervaringen spreken kunnen, die zij zelven gehad of beweren gehad te hebben. Maar de Schrift is veel rijker en ruimer dan de nauwheid van hun ingewand!
Ook hier geldt het woord : daar is verscheidenheid van gaven, doch het is dezelfde Heere ; en er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, die alles in allen werkt. 1 Cor. 12 : 4—6.
De waarachtige bekeering bestaat niet in wat menschen van haar maken, maar in hetgeen God van haar zegt: in alle verscheidenheid van leidingen en ervaringen bestaat zij dan in de afsterving van den ouden en de opstanding van den nieuwen mensch. Heid. Cat. Zondag 33.
Het Methodisme — en wie is er vrij van ? — wortelt in de bekrompenheid van den mensch. Vindt ook oorzaak in den vleeschelijken hoogmoed van den mensch, die zoo gaarne wat te zeggen wil hebben. En in de derde plaats schuilt om den hoek 't verschrikkelijke : dat de mensch van nature z'n naaste haat en op z'n naaste afgunstig is, zoodat hij dus ook eigenlijk aan z'n naaste niet gunt, dat deze iets goeds ontvangt. Men begint met achterdocht en alleen wanneer het in onze kraam past en in ons schuitje overkomt, willen we wel zoo vriendelijk zijn, om te gaan veronderstellen, dat het wel iets goeds zou kunnen zijn !
Waarom moeten wij de eerste zijn ?
Is niet God de eerste en is de Heere niet de vrijmachtige, alles werkende God, die alles doet naar Zijn welbehagen, naar redenen uit Zich zelf genomen ? Het Methodisme past niet in het kader van het Gereformeerd-Protestantisme.
AFKONDIGING HUWELIJKSINZEGENING.
Meer dan eens is ons gevraagd of het verplichtend is, dat de namen van hen, die kerkelijke huwelijksbevestiging en inzegening vragen, tevoren van den kansel moeten worden afgekondigd.
I Wij zouden zeggen : zulk eene afkondiging dient zeker plaats te hebben, opdat de Gemeente wete wie er in het huwelijk treden en kerkelijke inzegening van hun I huwelijk vragen en in de tweede plaats, opdat' uit het midden der gemeente eventueel bij den Kerkeraad bezwaren zouden kunnen worden ingebracht., 't Meest opdat de Gemeente meeleve met degenen, die gaan trouwen en hen in 't gebed gedenke !
(Ontbreekt het gebed voor elkander misschien geheel onder ons ? dat zou vreeselijk zijn ).
Wat nu het reglementaire voorschrift aangaat, lezen we in art. 14 van het Syn. 1 Reglement voor de Kerkeraden : „aan den (bijz.) Kerkeraad is opgedragen de bevordering van alles, wat het godsdienstig leven in de gemeente kan verhoogen, met name ook van de kerkelijke inzegening des huwelijks. (Art. 14 al. 4).
Waarbij we deze aanteekening lezen :
„De Kerkeraad dient te zorgen voor openlijke afkondiging van dag en uur."
[Wat de trouwacte betreft, staat er deze notitie in ons Syn. Reglement: „De trouwacte, welke vóór de inzegening aan den dienstdoendèn predikant moet worden getoond (Art. 449 Wetboek van Strafrecht) behoeft niet — zooals vroeger — gezegeld 1 te zijn en wordt, kosteloos uitgereikt".] Men ziet dus : dat de Kerkeraad er 1 voor moet zorg dragen, dat de openlijke afkondiging, d.w.z. de afkondiging in de openbare godsdienstoefening, plaats hebbe. Waaruit tegelijk blijkt, dat de huwelijksinzegening geen liefhebberij is van den predikant, maar een zaak die den Kerkeraad en die de Gemeente raakt.
Wel is de huwelijksinzegening in de Protestantsche Kerken geen sacrament; maar het is toch wel degelijk een zaak, die den Kerkeraad en de gemeente raakt.
De Kerkeraad heeft dan ook de beschikking over het kerkgebouw.
Alleen kunnen door bizondere maatregelen, die getroffen moeten worden. Kerkvoogden een soort „tarief" maken, doch nooit kan of mag de-huwelijksinzegening zelve afhankelijk gesteld worden van extra-betaling.
De gewone huwelijks-inzegening is iets wat tot het gewone gemeenteleven, tot het gewone kerkelijke leven behoort — evenals de doopsbediening, de avondmaalsviering, de prediking, de catechisatie enz.
Juist omdat de kerkelijke huwelijksinzegening helaas ! betrekkelijk zoo weinig — althans in zeer vele gemeenten — voorkomt ligt voor de Kerkeraden — met name voor den predikant en de ouderlingen — ook hier een taak, waaraan met ernst gedacht moet worden.
Zouden we het huwelijk mogen ingaan zonder in Gods huis des Heeren aangezicht te zoeken en het verbond met Hem te vernieuwen ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 juli 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 juli 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's