De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

7 minuten leestijd

In Oude Paden schrijft dr. J. J. Knap van Groningen :
„Groote figuren zijn in de wereld van religie en kerk te zeldzaam, dan dat wij ze zonder diepen weemoed kunnen zien heengaan. Zij laten zeer zeker in de vruchten van hun arbeid een lichtend spoor na, dat tot in een tamelijk verwijderde toekomst een richtingswijzer voor onze en de volgende generatie zijn kan, maar de bezielende persoonlijkheid, die achter het werk stond, moeten wij dan toch missen. De werkers gaan, het werk blijft, zegt het gevleugelde woord. Het is volkomen juist. Ieder draagt ten slotte eenige steenen voor den bouw van 's werelds cultuur aan. Maar als werk en werker schier een levende éénheid zijn, zooals bij Söderblom het geval was, stemt zijn afreis toch tot wel groote droefheid.
Zweed van geboorte, behoorde hij uiteraard tot de Luthersche kerk, waarin zijn vader geestelijke was. Hij openbaarde al jong zijn wetenschappelijken aanleg : zijn studie te Upsala in de Theologie én de Wijsbegeerte legt er getuigenis van af. Terzelfder plaatse werd hij op vijf-en-dertig-Jarigen leeftijd hoogleeraar en had toen reeds een paar werken geschreven, waaruit bleek, dat hij de religie, en inzonderheid het Christendom, niet als een half-versteend historisch verschijnsel beschouwde, maar als een levende kracht, die nieuwe bezieling aan de wereld kon geven.... en deze trek is hem bijgebleven tot aan het einde, het Christendom had voor hem niet de explosieve, maar wel de geduchte kracht van dynamiet.
Wil men hem in zijn beteekenis leer en kennen, dan is niet te vergeten, dat hij veel buiten de grenzen van zijn eigen vaderland geweest is. In de groote steden van het buitenland heeft hij den harteklop der menschheid beluisterd. Vele jaren is hij de herder der Luthersche gemeente te Parijs geweest, een metropool, waar hij in aanraking kwam met letterlijk alle geestelijke stroomingen van den tijd. En tijdens zijn hoogleeraarschap te Leipzig, die groote stad van wetenschap en handelscentrum tegelijk, is hij sterk bevestigd in zijn ruime, universeele opvattingen. Door deze levenservaringen en vele andere werd hij een man, die zich niet in het kleine, hoe belangrijk ook, kon inspinnen, zijn blik omvatte niet slechts zijn eigen kerkgroep, noch zijn eigen vaderland, maar de gansche menschheid en de gansche kerk des Heeren.
Reeds in zijn jeugd was het de begeerte van zijn hart mede te mogen arbeiden aan de openbaring van de éénheid der Christelijke kerken. Zijn woord had toen natuurlijk nog niet het gezag, dat het later zou verkrijgen. Maar door zijn wetenschappelijke werk, dat hij steeds in verband met het praktische leven zette ; door de erkenning zijner buitengewone beteekenis van de zijde der theologische wereld ; boven aldoor zijn verheffing tot hoofd der Zweedsche kerk, waarin hij tot aartsbisschop benoemd werd, trok hij ook de belangstelling van hen, die de waarheid niet in doeken gewonden, maar alleen op een troon herkennen.
Zijn hooge waardigheid, werd zoo het klankbord, waardoor zijn machtige stem over de geheele wereld gehoord en door velen ook in wat zij sprak verstaan werd. Toen de wereldoorlog nog woedde en er geen ruimte was voor de internationale gedachte, daar de volksgeest in schier alle landen verbitterd was, nam hij het initiatief tot een poging van verzoening tusschen de onderscheiden Christelijke kerken door een conferentie van de kerken uit de neutrale landen bijeen te roepen. Daar ontvouwde hij in 1917 zijn geleidelijk gerijpte denkbeeld van een samenwerking der Christelijke kerken tot bevordering eener goede internationale verstandhouding onder de volken, 't Was zeer zeker een meesterlijke greep, hoezeer ook van sommige kanten miskend. Het denkbeeld ging toch uit van de onloochenbare waarheid, dat de geestelijke arbeid der kerk ter vernieuwing van 's menschenen der volkeren gezindheid de onmisbare voorwaarde is om ook in politieken en maatschappelijken zin het vrederijk, zoo al niet te verwerkelijken, dan toch te benaderen.
Als vrucht van deze samenspreking werd de Wereldbond der kerken geboren. Organisatorisch gesproken was deze naam misschien minder juist. Vergissen wij ons niet, dan sloten de officieele kerken zich daar niet aaneen, maar een groep losstaande personen. Bij zulke bewegingen komen organisatorische vragen echter meermalen eerst in de tweede plaats, 't Is er om te doen een begin te maken, waarbij het persoonlijke initiatief steeds vooraan komt, en de te hoog gegrepen naam is dan minder bedoeld als formuleer; nog van wat er op het oogenblik is, dan wel als de expressie van het ideaal, waarnaar men streeft, en dat tot werkelijkheid moet worden.
Van omvangrijker aard was de tweede inderdaad internationale conferentie in 1925, toen de verbitterde geesten tot rust gekomen waren, en die haar naam aan de „Stockholm-beweging" gegeven heeft. Vele kerken zochten en vonden elkaar. Er ontstond een begin van internationale samenwerking, vooral op praktisch terrein. Overal in de wereld werden comité's opgericht om de Stockholm-gedachte tot verder ontwikkeling en toepassing te brengen, en in dien weg te arbeiden aan de zoo noodige verbroedering der volken.
Het stemt tot dankbaarheid, dat dit streven van Söderblom schitterend erkend is, toen hem in 1930, één jaar voor zijn dood de Nobel-prijs voor den vrede toegekend werd. Een hooge onderscheiding. Te hooger, omdat hij geen staatsman of diplomaat van levensstaat was, maar een „geestelijke", zij het van den hoogsten rang. Door deze onderscheiding werd de groote beteekenis der kerken voor den wereldvrede publiekelijk erkend. De kerken zijn in dat opzicht niet verwend. Makr hier werd het openlijk'(en met-nadruk uitgesproken, dat de volken heel wat aan de kerken te danken kunnen hebben, indien zij getrouw hun roeping vervullen, en elkaar niet in den weg treden, maar met éenparigen schouder arbeiden om den volksgeest om te zetten naar den eisch van het levende Christendom.
Wij zijn dankbaar, dat Söderblom gesproken heeft.
En verslagen, omdat zijn stem voortaan zwijgt.
Men behoeft het in alle opzichten volstrekt niet met hem ééns te zijn om zijn levenswerk op prijs te kunnen stellen. Men kan bezwaren hebben tegen het pompeuze, dat hij door veelkleurige processies en dergelijke, in den dienst des grooten Konings althans in eigen land invoerde. Bezwaren ook tegen zijn meening, dat men voor de , kerk-reclame moet maken, zooals dit in den handel geschiedt. Men kan ook vragen, of het Stockholm-werk wel op voldoend stevigen grondslag rust wat de belijdenis betreft. Maar de mogelijke bedenkingen tegen de door hem voorgestane manier van toepassing zijner denkbeelden, tasten die denkbeelden zelf niet aan : samenwerking der kerken op federatieve wijze, zoodat elke kerk naar belijdenis en kerk blijft wat zij is, tot heil van volk èn menschheid !
Deze idee zal verder moeten doorwerken.
En zich moeten verwezenlijken.
Er gaat geen rustdag voorbij, waarop wij niet ons geloof belijden aan de ééne, algemeene of katholieke. Christelijke kerk. Zij is er in geestelijken zin. Maar 't zal moeten worden, dat er óók iets van blijkt .... in tastbaren zin, zonder dat er ook slechts één kerkgemeenschap iets behoeft prijs te geven van haar belijdenis.
Er bestaat een breed terrein, waarop samenwerking mogelijk is. Wie den Bijbel beschouwt als het Boek, waarin ons niets anders gezegd wordt, dan hoe de mensch persoonlijk zalig kan worden heeft hiervoor geen oog. Wie Gods Woord echter ziet, zooals het werkelijk is, als het Boek, dat grondbeginselen geeft voor de zuivere inrichting en opbouw van het gansche menschelijke leven : voor het politieke-, huwelijks-en huiselijke, ook voor het maatschappelijke leven, voor het terrein van den arbeid, de kunst, de wetenschap, de opvoeding, in één woord voor alle menschelijke verschijnselen, — die moet toch inzien, dat die beginselen nooit een heerschende macht in de wereld zullen worden zoolang de religie haar volle kracht niet doet gelden. En hoe zou dit mogelijk zijn, indien de kerken de handen niet ineenslaan ? Hoe zou het vooral in dezen tijd mogelijk zijn, nu juist de grondbeginselen op elk gebied ondermijnd worden, en men de vraag reeds stelt, of het niet raadzaam kon zijn de zwak-geboren kinderen eenvoudig te dooden naar heidensche wijze, om een sterk ras te kweeken ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's