STAAT EN MAATSCHAPPIJ
EEN GUNSTIG FIGUUR,
De President van de Nederlandsche Bank heeft in zijn verslag, op 23 Juni uitgebracht in de algemeene vergadering van aandeelhouders van deze bank, , naast de uiteenzetting, welke hij gaf over de huidige economische depressie (gedruktheid) in de Vereenigde Staten, Engeland, Duitschland en Frankrijk ook zijne aandacht geschonken aan den economischen toestand In Nederland.
De Bankpresident zeide daarvan het volgende :
Het spreekt vanzelf, dat een land als het onze, dat door zijn buitenlandschen handel, zijn belangen in overzeesche gebieden en zijn positie als financieel centrum zoozeer op het internationale verkeer is aangewezen, niet gespaard is gebleven voor de gevolgen der economische depressie. Geconstateerd kan echter worden, dat het economische leven van Nederland een groote mate van weerstandsvermogen aan den dag heeft gelegd, en dat de teruggang der conjunctuur zich er later en in het algemeen ook minder scherp dan elders heeft doen gevoelen.
De oorzaken hiervan zijn, behalve in het feit, dat het buiten den wereldoorlog is gebleven en dat ook van een inflatie van het ruilmiddel, zooals vele andere landen hebben doorgemaakt, ten onzent geen sprake is geweest. Nederland pleegt zijn inkomen uit een zeer gevarieerde reeks van bronnen te betrekken, terwijl het als kapitaalexporteerend land steeds kan rekenen op een vasten actiefpost van beteekenis op zijn betalingsbalans. Bovendien verkeerde het bedrijfsleven ten onzent bij het intreden der depressie over het algemeen in gezonde conditie, mede doordat een aantal niet levensvatbare bedrijven onder den invloed van de vorige crisis, die een einde maakte aan de „boom"-periode 1919—1920, ten onder was gegaan. Ook het feit dat Nederland tot dusver aan het beginsel van den vrijhandel is blijven vasthouden, heeft hier stellig een invloed ten goede uitgeoefend.
Aan deze gunstige factoren moet het te danken zijn, dat bij voorbeeld de werkloosheid ten onzent, al is haar omvang ten gevolge van de depressie aanmerkelijk gestegen, toch in de verste verte niet de afmetingen heeft aangenomen die zij in verschillende andere landen heeft bereikt. Nauwkeurige gegevens omtrent het aantal werkloozen ontbreken hier te lande, doch als hoogste schatting kan een totaalcijfer van 200.000 worden aangenomen. Zelfs met dit cijfer, dat bovendien geldt voor een tijdstip waarop de seizoen-invloeden op de werkloosheid zich het krachtigst deden gelden, maakt Nederland, vergeleken met de meeste andere landen, een gunstig figuur.
De toon, die uit de woorden van den hoogst bekwamen President van de Nederlandsche Bank hier worden vernomen, klinkt betrekkelijk optimistisch.
Zij, die uitsluitend de Nederlandsche toestanden voor oogen hebben, zullen het waarschijnlijk met de beschouwingen van mr. Vissering niet eens zijn.
Zij mogen echter niet voorbijzien, dat de President van de Nederlandsche Bank in zijn verslag het economisch leven in Nederland niet als een afgesloten geheel op zich zelf beschouwde, doch dit behandelde in verband met de economische depressie, die zich in Europa en in de Vereenigde Staten doet gevoelen.
Zoo de rede van mr. Vissering beoordeelende, heeft het woord van dezen financier van wereldreputatie ongetwijfeld groote beteekenis en stemt zijne conclusie, dat Nederland vergeleken met de meeste andere landen een gunstig figuur maakt, ondanks de gedruktheid, waarin hier te lande het zakenleven verkeert, tot niet geringe dankbaarheid.
NIET TE VER VAN DE BRON !
De bron van onze Godskennis is alleen Gods Woord. Bij alle theologische studiën zullen we telkens weer uit die bron moeten putten. Maar daarnaast mogen we ook gebruik maken van het licht en de talenten, eens door God geschonken aan die mannen, door wie het Hem heeft beliefd de Kerk te reformeeren. We denken daarbij allereerst aan Calvijn en Luther. Maar daarnaast ook aan vele Engelsche schrijvers. En mannen als Voetius en Comrie in ons vaderland zeker niet te vergeten.
Welk een diepte van gedachten ligt er, om eens een voorbeeld te noemen, in het werk van Comrie : Examen van het ontwerp van tolerantie. In den tijd, toen schrijver dezes student was, werd er voor de werken van deze schrijvers een groote prijs besteed. Kort geleden verzekerde mij een bekend boekhandelaar in een van onze Universiteitssteden, dat de afdeeling van de boeken van onze oude theologen voor een groot deel verlaten lag. Ze werden haast niet meer verkocht.
Dit lijkt mij toch een bedenkelijk verschijnsel toe. Zeker, er verschijnen ook thans vele mooie dingen op de boekenmarkt. Schoone dingen worden gezegd. Maar toch rijst bij het lezen van de werken van de tegenwoordige Gereformeerden menige bedenking bij ons op.
Het cachet van dr. A. Kuyper staat bijna overal duidelijk op te lezen. Wat betreft de leer des Verbonds en de daaruit voortvloeiende Doops-en Avondmaalsopvatting, de leer van de pluriformiteit der Kerken, de leer van de algemeene gratie enz. enz., bemerkt men aangrijpende verschillen met de opvattingen onzer Vaderen.
Nu lijkt het ons een groot gevaar voor ons geslacht, indien onze menschen zich uitsluitend met zulke lectuur zouden willen gaan voeden.
Neen, niet op afgeleide paden ! We moeten terug naar de oude paden. Steeds meer studie gemaakt van Calvijn, Voetius, Comrie, Owen, Erskine en anderen.
Ik geef gaarne toe, dat de nieuweren het in schoonheid van stijl verreweg winnen. Die indeelingen, lichaam der predikatie, a, b, c, d, e, enz. bevallen ons maar slecht. In sommige verhandelingen had men hetzelfde kunnen zeggen op de helft of een derde van het aantal bladzijden.
Dit alles toegegeven, blijven we echter volhouden dat we bij genoemde mannen een rechte visie van de eeuwige dingen mogen bespeuren als nergens elders.
Is het 't beste om de kruiken te vullen bij de bron en niet in de ver afgeleide vertroebelde stroomen, het is ook broodleer onzer Vaderen. Aan het feit, dat die geschriften onzer Vaderen een plaats' innamen in de harten van het 'eenvoudige volk, is het voor een groot deel te danken dat, onder de leiding van Gods voorzienigheid, de Waarheid nog in ons land gevonden wordt. Het moet met schaamte en toch ook nog weer met blijdschap worden beleden, dat in tijden, toen bijkans alle predikanten in min of meer Remonstrantsche wateren verzeild waren. God de Heere Zijne Waarheid heeft bewaard onder de eenvoudigen in den lande.
Neen, waarlijk, de dominé's hebben de Kerk niet staande gehouden. Neen, helaas, honderden hebben haar verwoest en verwoesten haar nog. Maar God houdt Zijn Kerk in stand.
En nu weet ik wel dat er met 't slaafsch gebruik van oude schrijvers wordt gespot. Misschien in sommige gevallen met recht. Het verhaal is bekend, dat men op Oudejaarsavond een preek voorlas, waarin schout en schepenen werden toegesproken. En het is waar, dat er wel predikaties worden gehouden, waarboven wat vorm en indeeling betreft, het jaartal 1750 kon worden gezet of nog erger 1850, maar dat neemt niet weg, dat we toch volhouden, dat we dankbaar en nuttig gebruik hebben te maken van het licht, dat God aan onze Vaderen gaf.
Voor één ding zouden we nog willen waarschuwen. Het gebruik van den letterlijken vorm en het taal-eigen dier schrijvers kan in de twintigste eeuw niet anders dan schadelijk werken, vooral voor de jonge menschen.
Welk een dwaze kortzichtigheid, om jonge menschen van de twintigste eeuw toe te spreken in de taal van twee a drie eeuwen terug. Zoo spreekt op de Veluwe een bekend voorganger in de Oud-Gereformeerde Kerk bij een huwelijksinzegening altijd de bruid nog toe met de woorden : En gij, wijf
Men geeft dan voor, dat men zulks doet uit eerbied „voor den grondtekst".
We zullen het maar laten voor wat 't is. Zulke excessen schaden.
Dit moet echter onze aandacht niet afleiden van het hooge belang, hetwelk hierin is gelegen, dat ons volk blijve bij de oude Waarheid.
EEN UIT EEN STAD EN TWEE UIT EEN GESLACHT.
De weg ten hemel is een smalle weg en weinigen zijn er, die op dien weg wandelen.
Dit is een onomstootelijke waarheid. Het is goed, dat Gods kinderen hunne onbekeerde medereizigers naar de eeuwigheid er maar gedurig op wijzen, dat de poort nauw is.
Toch late men daarbij ook niet na om te wijzen op den rijkdom van Gods genade voor den ellendigste onder de ellendigen.
Schrijver dezes was eens op een samenkomst van menschen, die begeerden te spreken over de eeuwige dingen. Een der aanwezigen, die blijkbaar den meetstok had meegebracht, begon elk der aanwezigen te meten en striemde er met den geesel der wet op los, dat de bekommerde harten er door verslagen werden.
Toen het gesprek kwam op het groote getal avondmaalsgangers, die bij ds. X. te y. aan den disch hadden gezeten, werd er door genoemden persoon opgemerkt, dat zulks onmogelijk was, dat er 40 avondmaalsgangers in een gemeente, al was het dan ook een tamelijk groote gemeente, konden wezen.
Zulks geschiedde met een beroep op Gods Woord, dat in Jeremia staat geschreven ; Ik zal u aannemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion.
O, o, wat kan er toch een onkunde heerschen.
Inlegkunde inplaats van uitlegkunde. Van een bemoedigend woord, maakte men een afschrikkend woord.
De plaats, waar het stond; wist men natuurlijk niet. Over het verband, waarin het voorkomt, had men zich volstrekt niet bekommerd.
Het zou anders de moeite wel waard geweest zijn om het eens te onderzoeken.
Het staat in Jeremia 3 vers 14 : Bekeert u, gij afkeerige kinderen, spreekt de Heere, want Ik heb u getrouwd ; en Ik zal u aannemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion.
Het is dus eigenlijk een bemoedigend woord. De Heere noodigt het afkeerige Israël, dat het tot Hem zal wederkeeren. De grond, waarop Hij dit mocht eischen was, dat Hij het getrouwd had. En nu laat de Heere op dien eisch, dat ze tot Hem zouden wederkeeren ook liefelijk volgen : En Ik zal u aannemen, één uit een stad en twee uit een geslacht.
Neen, wat de Heere eenerzij ds belooft, trekt Hij niet onmiddellijk daarop zoo maar terug. Neen, Hij wil veeleer de enkelingen bemoedigen. De Heere roept er velen : als er echter maar enkelingen gehoor zouden geven aan de liefelijke noodiging, dan zal de Heere die enkelingen niet afstooten.
Een generaal zal op den mobilisatieoproep vele soldaten verwachten ; met enkelingen bereikt Hij niets. Niet aldus de Heere. Al kwam er maar één uit een stad, of twee uit een geslacht. Hij zal ze aannemen. Neen de Heere trekt en stoot niet af.
Het meer van Geneve en Calvijn.
Over Calvijn en het meer van Geneve heeft prof. dr. H. H. Kuyper jaren terug een beschouwing gegeven, in den Almanak van het Studentencorps aan de V.U. (1907) dat wij hier overnemen.
Het luidt aldus :
„Diep aan den voet van den bergwand glanst in azuurblauwe pracht, een reuzen saffier gelijk, het meer van Geneva, dat, in halve maanvorm gebogen, zijn breede zijde naar u toewendt. En Ge weet niet, wat Ge méér bewonderen zult, die wondere transparant-blauwe kleur van het water, met zonneglansen als goudloovers doorvonkeld, waarop helwit zich afstippen de hoog opstaande zielen der booten, zwanenvleugelen gelijk, — die zachtglooiende oevers, waar, tusschen wijngaarden verscholen, de dorpen als gezaaid liggen, steden haar trotsche cathedralen omhoog heffen, en alles van welvaart en vruchtbaarheid getuigt — of die hemelhoog opsteigerende bergketen, die als een muur van graniet den horizon afsluit en wiens met eeuwige sneeuw bevrachte toppen weerspiegelen in 't grondeloos blauwe diep. Zwitserlands meren zijn zoovele juweelen in den diadeem, dien Helvetia draagt, maar onder die alle spant het meer van Geneve de kroon.
Het overtreft in breedte van oppervlak zelfs het meer van Constanz en het daalt dieper in den rotsbodem weg dan het meer der Vierwoudsteden ; zijn water heeft de zuiverste saffierkleur van al Zwitserlands meren, een weerglans van des hemels smetteloos blauw; en de Monarch van Europa's bergen, de Mont-Blanc, heft zich hóóg boven het voorgebergte op, om in 't hart van Geneve's meer zijn spiegelbeeld te vinden.
Het meer van Geneve dankt zijn ontstaan aan de Rhónerivier. Ontsprongen in het hart van Zwitserlands bergen, waar bij den Turka de Rhóne-gletscher als een bevroren waterval zich heen stort over den rotswand, voert de wilde bergstroom zijn met slib bezoedelde wateren door de Rhóne-vallei naar het breede waterbekken van Geneve's meer, dat als een reinigingsbad dienst doet. Het slib, in onstuimige vaart van de bergwanden meegesleurd, bezinkt hier. De woeste bergstroom wordt gezuiverd, tot kalmte en rust gebracht, om straks bij den Pont du Mont-Blanc te Geneve uit het meer weer te voorschijn te treden, nu een kristalheldere rivier, waarin ge elken steen op den bodem ziet schitteren, elk zilvergeschubd vischje ziet flikkeren in de zonnestralen. En de Rhónestroom, tot een der machtige rivieren van Europa geworden, breekt door de scheidsmuren van Zwitserland heen, om vér in vreemde landen zegen en vruchtbaarheid te brengen, de door zonne-hitte geblakerde vlakten van zuidelijk Frankrijk met milden watervloed te lesschen, machtige koopmanssteden bij zijn oevers te zien geboren worden en eerst rust te vinden wanneer hij zijn wateren uitstort in de Middellandsche Zee.
Dat schitterend natuurtooneel uit Zwitserlands bergwereld heb ik voor 't oog uwer verbeelding geteekend, omdat aan den oever van dit meer de rijkst begenadigde onder de Reformatoren geleefd en gewerkt heeft, omdat Geneve, de stad van Calvijn, haar kerk de bakermat van het Calvinisme geworden is. Toch was het mij niet alleen te doen om den achtergrond van mijn historisch beeld, naar den trant der Italiaansche Schildersschool, met een berglandschap te stoffeeren. 't Landschap is hier méér dan een ornament. Hij, door wien te voren onze woonplaats verordend is, heeft Geneve voor Calvijn en Calvijn voor Geneve bestemd. En in de wondere sprake van Geneve's meer ligt een heerlijk symbool van wat God in Calvijn aan Zijn Kerk heeft geschonken.
Wie het Geneve van onzen tijd bezoekt om op de plek zelf, waar onze groote Reformator werkte, onder den indruk van zijn machtige persoonlijkheid te komen, wordt wel bitter teleurgesteld. Van het oude schilderachtige Geneve met zijn torens en wallen, dat Doumergue's kunstwerk herleven deed, is schier niets meer over. Er zijn weinig steden in Zwitserland, die zóó volkomen als Geneve haar middeleeuwsch gewaad hebben afgelegd en een kleed van nieuw-modischen snit hebben aangetrokken. Toch is dit niet, wat het meeste u ergert, al betreurt Ge, dat menig kostbaar overblijfsel uit vroeger tijden door vandalen-handen viel. Ge zoekt in Geneve niet kunstgenot, maar Calvijn. Ge wilt zijn woning zien, waar hij geleefd en geleden heeft; 't studeervertrek, waar hij zijn machtige werken schreef; zijn sterfkamer, waar hij zoo aangrijpend afscheid nam van Geneve's syndics en predikanten. Maar wat uw gids in de Rue des Chamoises — thans Rue de Calvin — als Maison de Calvin u toont, heeft met Calvijn's woning niets dan den naam gemeen. Calvijn's huis werd tot den grond toe afgebroken en vervangen door een nieuwerwetsch gebouw, dat dienst doet — o, ironie der historie — als „bureau de salubrité" (gezondheids-bureau). Ook een tocht naar het kerkhof Plain Palais, om de plaats te bezoeken waar Calvijn begraven werd, is te vergeefsch. En al bewondert Ge Calvijn's ootmoed, die geen marmeren zerk met pronkend opschrift wilde op zijn graf. Ge vergeeft het een ondankbaar nageslacht toch niet, dat het zelfs de plek vergat, waar Calvijn's gebeente rust. Die ergernis stijgt, wanneer Ge op Geneve's breede pleinen en trotsche kaden te vergeefsch zoekt naar een gedenkteeken van Geneve's grootsten burger, die het kleine, onaanzienlijke stedeke aan het Lac Léman, vóór dien tijd nauwelijks bekend, door zijn naam en invloed tot een der machtigste steden van Europa verhief, haar een bloeienden handel schonk, haar stedelijke regeering tot een model van wijze staatsinrichting maakte, haar met een hoogeschool begiftigde, die eeuwen lang haar trots en glorie was.
En zeg nu niet, om het ondankbare Geneve te verontschuldigen, dat Calvijn en het Calvinisme te spiritualistisch zijn aangelegd om aan huis of graf, gedenkteeken of standbeeld te hechten. Want zooals het met elk stoffelijk aandenken aan Calvijn ging, zoo ging het ook met zijn geestelijken invloed. Het moderne Geneve, liberaal in merg en been, opgaand in levensgenot, en viTuft van zeden, vertoont u niet één punt van overeenkomst met het puriteinsche Geneve, dat eens Calvijn's schepping was. De oude libertijnsche .geest, L'esprit .Genèvois, hoe krachtig ook door Calvijn' s ijzeren vuist bedwongen, sprong uit den band en nam wraak. Een kind, uit hetzelfde Geneve geboren, zoon van een geslacht dier geloofshelden, die eens als Calvijn om der religie wille uit Frankrijk verdreven waren, werd de vader van het nieuwe Geneve.
Jean Jacques Rousseau.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's