JONKER VAN STERRENBURGH
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming van den Uitgever
J. H. Kok te Kampen.
Maar nu wordt de nieuwsgierigheid der jongelui nog meer geprikkeld. Aanstonds weten allen dat er tusschen Jouke en Anna iets is, althans iets geweest is.
„Daar moeten wij meer van weten", zegt Klaas Lolkes, wien het niet ontgaat hoe zijn kameraad niet minder verlegen rondkijkt dan Anna, die lang niet tegen de plagerijen van haar vriendin is opgewassen, „ben je uit visschen geweest, jongen, en heb je bot gevangen ? " — „Was 't maar waar", schatert Jap, „hij heeft niet eens beet gehad". — „Zij zegt wat", tracht Jouke te schertsen, een versche sigaar uit den lederen sigarenkoker nemend, en terwijl hij een blik werpt op den nieuwen knecht van baas Grundstra, den eenigsten smid uit het dorp, die reeds den tweeden Zondag, dat hij in Kleiterp woonde, op „de Eendenkooi" een welkom onthaal vond, vervolgt hij : „'t komt, dat zij zelf zooveel van hengelen houdt". — „'k Zal het jullie wel zeggen, waarover wij 't hadden", zegt nu Trijn, die graag den vrede bewaart: „wij hebben afgesproken dat, wanneer Kleiterp aan het spoor komt te liggen, wij er met elkaar van door gaan om nooit terug te keeren". — „Dat zal me een opluchting worden", lacht Klaas Lolkes, „jammer dat het nog zoo lang duurt". — „Nou, wacht maar, jongen, d'r kunnen nog wel eens tranen van je komen te rollen als het zoo ver is", treitert Jap. — „Over jou zeker ? Nou zeg. Nee, meid, weet je wat wij doen, als het al eens zoo ver komen mocht ? Dan gaan wij jullie allen met elkander vroolijk uitgeleide doen onder muziek en zang, wat zeg jij, Jouke ? " — „Mij dierbaar", zegt Jouke, maar de wijze waarop hij dit zegt verraadt duidelijk, dat er heel iets anders In hem omgaat.
Geen wonder ook, want hij loopt al naar de drie en twintig en heeft nu eenmaal zijn zinnen gezet op Anna van Wieren, de dorpsnaaister, in de wandeling gewoonlijk „Anneke" genoemd.
Reeds van af de schoolbanken zijn zij eigenlijk al goede maats geweest. Als Anneke in die dagen geen griffel had, of aan het korte stompje een puntje geslepen moest worden, wist Jouke altijd raad. Was er eene slimme som op het bord geschreven, waarvan zij de oplossing niet vinden kon, hij wist haar wel op de eene of andere wijze te helpen, nog vóór de meester de leien kwam nazien. Was Anneke bij het een of ander spel in de minderheid, omdat haar zwak gestel belette gelijk met de anderen mee te doen, hij zorgde er gewoonlijk wel voor dat zij niet alleen bleef staan, maar zocht voor haar ander gezelschap of bleef desnoods zelf bij haar, wat de spotlust van eigen kameraden wel eens opwekte. Lag haar bal in het water, had zij behoefte aan een stel bikkels, brak de klomp in tweeën, iets wat vooral winterdag nog al eens gebeurde, als de taaie klei de voetbekleeding zoo vasthield, Jouke wist altijd een middel dat hielp. En wanneer na strenge vorst de Kleiterpster vaart sterk genoeg was om de vracht te dragen en al wat kon op de schaats ging, waren zij beiden nooit ver van elkaar.
Later, toen zij ouder werden, was deze verhouding wel eenigszins gewijzigd, doch de genegenheid gebleven. Omdat zij niet sterk was, hadden de ouders besloten dat Anneke naaister moest worden en aanstonds had Jouke het bij zijne moeder klaar gekregen, dat zij ook daar eenmaal per week voor het verstelwerk komen zou. Hij zelf werd ondertusschen de hulp van zijn vader bij het slachten van het vee en het scheren van de schapen.
Zoo hadden zij dus steeds op goeden voet met elkander geleefd. Ook daarna ontmoetten zij elkander geregeld zoowel aan huis als op straat, bij de kerkdeur of op de jaarfeesten van de Jongelings-of Jongedochtersvereeniging en het stond bij oud en jong vrijwel vast, dat slager's Jouke en Anneke vroeg of laat een paartje zouden worden.
Zoo waren de jaren rustig voorbij gegaan, alleen hiermede afgewisseld, dat hij gedurende eenige maanden het soldatenpak had moeten dragen. Een enkele maal had hij haar in dien tijd een prentbriefkaart gestuurd, die echter gewoonlijk onder niemands oog kwam dan onder het hare alleen en natuurlijk dat van den brievenbode, die zoowat alles wist en de heele correspondentie van Kleiterp in z'n hoofd had, voor zoover die niet verzegeld was in een gesloten enveloppe. Daarna had de groote wereld hem in beslag genomen en kwamen er ook wel tijden dat heel Kleiterp hem onverschillig was, maar toen hij eindelijk met onbepaald verlof naar huis kon gaan, en zich opnieuw aan het rustige dorpsleven gewend had, kwam de oude liefde weer boven.
Zoo had hij dan besloten Anneke te vragen. Zonder haar eerst te polsen trok hij de stoute schoenen maar aan en ging, naar Friesche zede, op een Zondagavond, toen de vergadering der Jongelingsvereeniging geëindigd was, het eenvoudig huisje van Anneke's ouders binnen met het doel om Anneke te vragen. Toevallig was Jap daar ook. Omdat zij dien avond vrij van melken had, was zij na de gewone wandeling mee gaan theedrinken en vervolgens op aandringen van hare vriendin blijven praten, om eerst na de boterham den terugweg naar „de Eendenkooi" te ondernemen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's