KERKELlJKE RONDSCHOUW
ONZE KIJK OP HET LEVEN.
't Is niet waar, dat alles wat is, zoo geworden is in een proces van ontwikkeling en dat alles zich moet uitleven zooals het is, om te genieten wat er te genieten valt, waarbij in uitzicht gesteld wordt, dat het in den loop der jaren hoe langer hoe meer zal opklimmen tot de volmaaktheid en hoe langer hoe meer zal uitgroeien naar het licht, met meer en rijker levensgenot voor allen, waarbij de scherpe tegenstellingen zullen vervallen en 't levenslijden al minder zal worden, ook de vijandschap zal uitslijten.
Zóó leert men het aan de menschen. Zóó stelt men het voor in de romans.
Zoo wordt het in allerlei gesprekken onder de menschen gebracht.
Maar zoo is het niet. Zoo is het gelogen, valsch voorgesteld, zoo wordt het bedriegelijk geëxploiteerd hier en elders, opdat de menschen maar droómen zullen van een blij leven.
Men eet dat alles voor zoete koek op, men drinkt het als water. En dat komt, omdat men niet meer weet wat Gods Woord ons leert. Den Bijbel gelooft men niet meer. Hier en daar wil men wel een stukje lezen, men wil wel een of anderen tekst gebruiken, maar de Heilige Schrift te nemen en te achten als Gods Woord, is te kras.
Dat is het mankement van onzen tijd, voor jongen en voor ouden.
Gods Woord is niet meer de lichtopenbaring over 't leven en over de toestanden. Men gelooft alles maar, wat de menschen voordragen. Ook de gekste dingen gelooft men. Men doet nog liever aan Spiritisme, dan dat men zich schaart onder de bediening des Woords en dat men aan zit aan den disch des Verbonds. Och, dat men toch eens zóó verstandig mocht worden, om aan al de leeringen der menschen, die de wonderlijkste levens-en wereldbeschouwingen voordragen, te twijfelen. Dat men eens niet wilde zien door de oogen van anderen en niet wilde denken door de hersens van anderen ; dat men niet wilde zijn de slaaf van anderen ; maar dat men zooveel zelfkennis had om te twijfelen aan al die wonderlijke leeringen en alle menschen als leugenaars te achten, om Gods Woord als waarachtig te houden.Maar ja — dat moet men leeren. Dat moet men leeren zien, leeren gelooven, leeren doen. Dat moet men leeren door den Heiligen Geest. Dat is het geloofsbezit van Gods gemeente, de geloofswerkelijkheid van de kinderen Gods, die van God geleerd zijn.
Dan wordt het Woord van. God de lichtopenbaring over het leven en over de toestanden, waarin wij ons bevinden, waaronder wy verkeeren, hier en elders.
Dan komen we onder de hoogtezon. Dan breken de stralen des lichts door de duisternissen heen en - wat we niet zagen, leeren we zien. Dan gelooven we niet langer het gebazel der dwaze menschen, die o zoo wijs zijn in eigen oog, maar dwaas in Gods oogen. Dan gelooven we, wat we vroeger niet wisten en niet wilden gelooven.
De wereld met de wereldtoestanden komen dan open en bloot liggen voor onze oogen.
En neen, het is geen wereld die opgeklommen is uit de diepte van achterlijkheid en opgedoken is uit de laagten van duisternis, om in den weg der ontwikkeling — evolutie zegt men dan gewoonlijk — van goed tot beter, tot best en opperbest voort te varen.
Wat heeft men toch een oppervlakkige kennis van de wereld en van den mehsch. Wat hapert er veel aan onze psychologie. Een mensch is een mensch, zegt men. En men heeft er deugnieten onder en brave, goede menschen. Als men nu maar cultiveert dan komt 't in orde. De kwaden vallen uit, de goeden groeien en bloeien, dat 't een lust is. Een mensch is een goed schepsel — behoudens de uitzonderingen. De mensch is goed en braaf en verstandig. En die verstandig en goed en braaf is, leeft rustig. En zoo wordt de wereld rustig — behalve 't lawaai dat er is. Maar de wereld is goed en het leven is goed. De cultuur wat verbeterd nog en 't gaat van goed tot beter, van beter tot best en in de toekomst ligt het opperbest.
Wat spreekt de Bijbel toch anders ! En de Bijbel is het boek der wijsheid en der waarheid.
De Bijbel heeft menschenkennis.
En de Bijbel zegt, dat we leven in een gevallen wereld, in een zondige wereld en dat wij, menschen, gevallen menschen,
De Bijbel spreekt van een vloek, die over de wereld ligt. En zegt dat de wereld, dat de mensch getroffen is door den vloek niet van een mensch, maar door den vloek van den Allerhoogste, van den Almachtige, van den God der goden, van Hem, Die den hemel tot Zijn troon heeft en de aarde tot een voetbank Zijner voeten. Daarom is het ook niet waar, dat de wereld zoo vooruit gaat, zooveel beter wordt, voortvarende tot het allerbeste.
Het is gelogen, wanneer het in gesprekken, in romans voorgesteld wordt, dat de mensch zoo lief, zoo braaf, zoo goed, zoo fijn, zoo edel, zoo deugdzaam, zoo verstandig, zoo gelukkig is en dat het menschengeslacht op weg is om allemaal blije, vrije, lieve, brave schepselen te worden. Dat het leven en de levenstoestanden hoe langer hoe beter zullen worden.
De Bijbel, het boek der waarheid en der wijsheid, spreekt anders en weet beter.
O ! wat een wonder boek. Neen, dat is geen gewoon boek. 't Is niet zóó, dat als er 99 boeken liggen in de studeerkamer en we leggen er een Bijbel bij, dat we dan kunnen zeggen : nu liggen er 100 boeken.
Zóó is het niet! Bij en naast de 99 boeken is en blijft de Bijbel het ééne, bijzondere boek. Het Boek. Het boek des Heeren, het Woord onzes Gods, het boek des Heiligen Geestes.
Zóó moeten we dat Boek beschouwen en ter hand nemen en lezen. Het heilige Boek. Biddend lezen, om door den Heiligen Geest in dat Boek des Geestes te worden onderwezen, opdat ook wij door den Heiligen Geest mogen leeren wandelen in alle waarheid.
Dat Boek des Heiligen Geestes vertelt ons wat er met den mensch gebeurd is. En dan lezen we daar, dat de mensch zich maar niet zoo, zooals hij is, moet uitleven, t Moge dan al zijn, dat Gods genade de ketenen verzacht, de banden verlicht, het juk opheft, opdat het niet zoo alles doordringend pijnlijk drukt — maar zooals de wereld nu is, sinds den zondeval, ligt zij onder den vloek en midden in den dood. 't Is maar niet vrijheid, blijheid. En de mensch, de volkeren — ze zijn zondaren, onbekwaam tot eenig geestelijk goed (al schenkt de Heer e in Zijn rijke algemeene genade veel goeds) en geneigd tot alle kwaad (al bewaart de Heere nog voor veel ongerechtigheid).
De wereld ligt in het booze, ligt in ketenen, ligt onder den vloek. En de menschen, alle menschen, zijn zondaren.
Dan moeten we wel acht geven op hetgeen de Heere doen wil en gegeven heeft om het kwaad te beteugelen, om ons te leiden, om ons in rechte wegen te brengen en daar te houden, opdat wij niet reddeloos uitvallen.
Daarvoor heeft de Heere vele ordeningen gegeven en vele machten gesteld en vele wegen ontsloten, voor ons persoonlijk leven, voor ons gezinsleven, voor 't maatschappelijk bestaan: dat we ons maar moeten uitleven en dat het alles zoo lief, zoo goed en zoo braaf is.
Maar de Heere heeft Zijne ordeningen gegeven, Zijne wetten gesteld. Zijne machten geordineerd.
En wee, indien we nu zoo dwaas-zondig zijn, dat we die ordeningen Gods en die machten Gods, ons ten goede gesteld, onderstboven willen loopèn en gaan weg'werken, met de pretentie, dat de mensch het niet noodig heeft en dat hij zich zelf wel helpen kan in eigen wegen, los van God, los van het Woord, los van de inzettingen des Heeren !
Men omsluiert dan den waren toestand, van zonde en vloek.
En men doet het, om God weg te werken. Zijn Woord en Getuigenis op zij te zetten en krachteloos te maken.
Waarbij de wereld, waarbij de menschheid wèg zinkt, om reddeloos zonder God te vergaan.
Daarom spreekt de Christen ook van gegrepen worden, veranderd worden, verlost worden, waarbij twee dingen altijd op den voorgrond treden en wel : verzoening en verlossing.
Dat zijn twee onderscheiden dingen, elk van het grootste belang en niet van elkaar te scheiden.
Zonder verzoening is er geen verlossing. De schuld, de zonde moet verzoend worden. Alle menschen liggen — zegt onze Catechismus in de belangrijke 7de Zondagsafdeeling — in Adam gevallen en verdoemd, schuldig, veroordeeld voor God. En die schuld en die zonde moet worden weggedaan. Het oordeel moet worden opgeheven. De vrijspraak moet komen, in gerechtigheid. Want God is een heilig en rechtvaardig God. En dat ligt in den Middelaar, in den Losser, in den Verzoener Jezus Christus. Die met een oprecht geloof als een arm, verloren, veroordeeld, verdoemd zondaar Hem leert ontmoeten en aannemen — onze Ned. Geloofsbelijdenis spreekt in artikel 22 van het omhelzen van den Heiland — die vindt verzoening. De vrede wordt gesloten. Er wordt een nieuwe, verzoende staat met God verkregen voor den mensch, die in zichzelf zondaar is.
En dat werkt ook de verlossing uit den greep van Satan, hel en dood. Dat maakt vrij. Dat brengt tot de erfenis der kinderen Gods. Dien de Zoon zal hebben vrijgemaakt, zal waarlijk vrij zijn. Dat is gewerkt niet met goud of zilver, maar met het dierbaar bloed van Jezus Christus.
Duur zijn de geloovigen gekocht en daar om hebben zij dan ook hun leven lang in een nieuwe gehoorzaamheid te wandelen en niets anders te doen dan God verheerlijken, Zijn lof verkondigen.
Daarbij is de Wet des Heeren, met de richtsnoeren des levens, aan de kinderen Gods naar den inwendigen mensch, lief. Dat is hun element geworden in de wedergeboorte Die Wet als Gods wil, in hun hart ingeschreven door den H. Geest. En als de ziele welgesteld is, bekent Gods kind : „hoe lief heb ik Uwe Wet, zij is mijne betrachting den ganschen dag".
De goddelooze ergert zich aan de Wet, botst er tegen aan, wil haar wegwerken en vertreden onder den voet, om vrij eigen weg te wandelen, waarvan het einde de dood is.
Daarom dient de Wet Gods voor den goddelooze tot waarschuwing en voor Gods kinderen tot levensregel. 't Hangt er dus maar van af hoe onze kijk op het leven is. En Gods Woord is hier het beste boek van onderwijzing en opvoeding.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's