MEDITATIE
„Er zal geen klauw achterblijven". Ex. 10 vers 26.
EISCH EN BELOFTE ABSOLUUT
Israël wordt verdrukt, bang en zwaar is de ellendenacht, die steeds dichter het volk omhult; geen uitzicht is er meer op een blijden morgen. Het is nacht, nóg nacht, steeds méér nacht. Uit het hart van dat slavenvolk stijgt de kreet: Ontferm U onzer, naar omhoog, 't Was een bange worsteling, Israël moest ten onder. Farao haatte dat volk met een volkomen haat. Hier is op te merken de strijd aller eeuwen, dat volk was Gods volk, het volk waaruit de Christus geboren zou worden; dat volk was Satan een doorn in 't oog, aan dat volk hing de lijn der verkiezende genade Gods, wanneer dat volk maar verstikt werd tijdens zijn opgroei, dan kon uit dat volk de tweede Adam niet voortkomen, dan bleef de Hemelpoort gesloten, eeuwig gesloten en stond slechts de Helleafgrond open.
En, dat volk zou ten onder zijn gegaan en straks zou de laatste gestorven zijn en Farao zou rustig in zijn koninklijken lusthof neergezeten zijn, wanneer de Heere niet gestreden had voor Zijn erfdeel. Dat volk kon niet uitgeroeid worden ; dat arme en ellendige volk, zwoegend in de Oosterzon, gebukt bij de tichelsteenen, zwart door zijn dienstbaarheid, het is Gods volk.
Mozes en Aaron naderen tot den koning met het bevel des Heeren, met het bevel van den Goddelijken Eigenaar van dat volk, met dit bevel : Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn ! Maar het schampere antwoord luidt: Wie is de Heere, Wiens stem ik gehoorzamen zou om Israël te laten trekken. Ik ken den Heere niet en ik zal ook Israël niet laten trekken. Zwaarder wordt het juk, dat drukt op het zwoegende slavenvolk ; zwaar gaat drukken op den spotter en zijn volk 's Heeren plagen. En.... Farao begint te plooien, te schikken, hij wil met Israels God als met een aardsch vorst handelen ! Laten trekken, dat niet, maar hij gaat nu den weg bewandelen van : geven en nemen I Arglistig is 't menschelijk hart! Mozes, luister eens, gij dienstknecht Gods, gij hebt wel wat veel geëischt en ik was wel wat al te afwijzend, ik heb nu een bemiddelingsvoorstel: „Offert uwen God in dit land" (-8 vers 25). Waarom wegtrekken, gij kunt den Heere toch ook wel in Egypteland dienen ; het behoeft toch niet te komen tot een besliste breuk; we kunnen toch wel rustig blijven samenwonen. Lezers, zóó is het nóg. Satan, de Helsche Farao, fluistert in de bekommerde menschenziel, de ziel, die niet rustig meer nederligt in de woningen van de stad Verderf, waar zij bepaald werd bij de eischen, die Gods Heiligheid haar deed, fluistert in zoodanige menschenziel: Gij moet een Christen worden, dat is zoo ! O, Satan is listig, hij zegt niet tot het waarlijk bekommerde zondaarsvolk : wees vroolijk, stort u in de wereld, , dan zou de ziel hem herkennen, maar hij gaat een eindweegs mee, om zoo, ongemerkt, zich voordoende als Engel des lichts, de ziel op een dwaalspoor te brengen. De influistering : blijf in de wereld en wees zóó een Christen, waarom nu dat alles verlaten, wat vroeger de lust uwer oogen uitmaakte. Ga Zondags maar trouw naar de kerk, doe door-de-week geen slechte dingen, lees den Bijbel maar trouw en houdt u alsdan verzekerd, dat God Liefde is — en ge kunt verder rustig al 't andere bijhouden. Christus' bloed reinigt toch van alle zonde; „zondigen, opdat de genade des te meerder worde" ! Satanische influisteringen ; een offeren in Egypte!
Maar, dat kan niet. Israël moest weg uit Egypte ; zóó moet de ziel weg, de ziel over wie de goddelijke roep weerklonk : deze ziel moet uit Egypte naar Kanaan, de ziel, die overtuigd werd van zonde, gerechtigheid en oordeel. O, weet het: offeren in dit land i s geen, kan geen den Heere offeren zijn, maar is en blijft, bij alle uitwendige vroomheid, een offeren aan den overste van Egypteland — Satan !
Wat zegt 's Heeren Woord : den Heere uwen God zult gij liefhebben met geheel uw hart — niet met een gedeeld hart, een hart dat, als het er op aankomt, nog in Egypte is !
O, allen, die verontrust werden, maar nog hinken op twee gedachten, blijven drijven op onderscheidene wateren, die willen geven en nemen, dat ze hierin opmerken het Satanische : Offert uwen God in dit land, opdat zij bepaald mogen worden, vanwaar die valsche schikking komt, om in dezen weg te leeren uitroepen : in dit land kan den Heere het offer niet worden gebracht! Het moet zijn buiten Egypte !
Offert uwen God in dit land. De strijd aller eeuwen. Wie is de Heere, dat wij Zijn stem zouden gehoorzamen ; de kreet der wereld, van het eigengerechtig, geen ontferming van noode hebbend menschenhart.
Voor de wereld bestaan er geen Zondagen, geen bijbels : laat ons eten, drinken en vroolijk zijn. Zoo stierf dezer dagen in ons land een man, die een bekend Hotel bezat, hij gaf het bevel, dat men zich om zijn sterven niet zou bekommeren : „doordansen, gewoon doordansen, voor mij geen hinder in de zaken", en hij stierf op Zondagmorgen. Zondag-dansen, doordansen, terwijl een ander mensch sterft, verzinkt in den eeuwigen nacht.
Maar, wees geen Farizeër ! O, kerkgangers, bijbellezers, wat is voor u het kerkgaan ; een gewoonte slechts. Zondag en dus éénmaal of tweemaal nog, ter kerk gaan; wat is voor u het openen van Gods Woord !
Ernstige vraag : de Heere schouwt uw hart; wij zien aan wat voor oogen is, dat is misschien heel vroom, buitengewoon zwaar, goed Gereformeerd Offert uwen God in dit land ; maar dat offeren, al geeft het veel vertoon van vroomheid, is den Heere een gruwel; druischt in tegen den absoluten eisch : buiten Egypte !!
Farao krijgt het bang ; hij gaat een stap verder (h. 8 vers 28) : „alleen, dat gij in het gaan geenszins te verre trekt".
Goed dan, ga offeren buiten Egypte, maar ! „niet te ver". Ge moet, ge moogt den band met Egypte niet doorsnijden, straks zult ge graag terugkeeren, want in die woestijn is het niet aangenaam voor uw vleesch ; wees dus voorzichtig met dat wegtrekken. Waag u vooral niet te ver buiten Egypte.
Ook dit is een welbekende Faraosche schikking ! Satan fluistert : ik zie, dat ge het werkelijk meent, dat ge in dit land Gode het offer niet kunt brengen, dat ge geheel de wereld en zijn begeerlijkheden vaarwel wilt zeggen, 't Zij zoo. Trek dan maar, neem echter een goeden, welmeenenden raad mee : trek niet te ver. Dat is ook niet noodig ; buiten Egypte is toch buiten Egypte ; blijf in de omgeving van de grenslijn !!
Niet te ver, en 't einde is : Egypte blijft trekken en trekt weer binnen de grenzen!
Niet te ver. Waarom dat Woord zoo absoluut, zoo volkomen het middelpunt, in Kerk, Staat, School, gezin ! Niet te ver, ge leeft toch maar één keer, ge zijt toch maar één keer jong (o, juist, dat is het: ge leeft maar één keer, ge zijt maar één keer jong — eeuwig wél — eeuwig wee).
Israël, trek niet te ver, maar Israël zal zóó ver trekken, dat de Roode Zee de scheidslijn vormt; zóó ver moet getrokken worden, dat het bloed van Golgotha's kruis is tusschen Satan en de ziel!
Niet te ver; aan deze zijde van de Roede Zee blijven, het is de dood !
Farao plooit verder (10 vers 11) : „Gij mannen, gaat nu heen en dient den Heere".
Gij mannen, gaat en trekt dan maar. Satanisch voorstel: vrouwen en kinderen bij mij blijven !
Zoo is het nog : tot den den Heere zoekenden man fluistert Satan : laat uw vrouw, uw kind er buiten ; tot de den Heere zoekende vrouw fluistert Satan : laat uw man, uw kind er buiten, en tot het den Heere zoekende kind fluistert Satan : laat uw ouders, uw broer, uw zuster er buiten. Satan is een vijand van Jozua's woord : mij aangaande en mijn huis!
De kinderen — de toekomst. Ouders, wat is voor u de groote vraag, wanneer uw kinderen het huis verlaten, wanneer uw kinderen vrienden, vriendinnen zoeken ? Is 't alleen naar tijdelijk welzijn, naar grootheid der oogen, naar eer, goed en geld — werdt ge in dit opzicht recht bepaald bij uw doopbelofte, of zijt ge een meineedige voor Gods heilig aangezicht!
Zalig het gezin, waar de ouders leven bij de vraag : kan mijn gedoopt kind daar verkeeren, kan het omgang hebben met dien jongen, met dat meisje ?
O, wij verafschuwen der Heidenen gewoonte hun kinderen den afgoden te offeren maar, wat doen veel ouders anders dan hun kinderen te offeren aan de „goden dezer eeuw" !
Het laatste schikkingsvoorstel van Farao (10 vers 24) : „Gaat heen, dient den Heere, alleen uw schapen en uw runderen zullen vastblijven I" Dus : gebruik uw bezittingen niet in den dienst des Heeren, laat dat in Egypte maar wat dan, zoo het hart terug verlangt naar dat in Egypteland achtergelaten goed, en bovenal: wat heeft de mensch, dat hij niet ontvangen heeft. Is hij geen rentmeester ? ! Zeker, ieder heeft te zorgen voor de zijnen in den middellijken weg, maar een voorrecht is het wanneer men mildelijk mag en kan afdragen voor den dienst des Heeren ! Ontzettend is het, wanneer „rijke" Christenen, vooral wanneer zy zich nog bovendien „Gereformeerd" laten noemen, geld en goed hebben dat in Egypteland achterbleef en zij er bitter weinig voor gevoelen om „den Heere te offeren buiten Egypte".
Het geld en goed moet mee u i t Egypte..., doodelijk is het Satanische schikkingsvoorstel : alleen uw schapen en uw runderen zullen vastblijven !
Wat is de absolute eisch des Heeren : „Er zal geen klauw achterblijven"; dus :
niet één stuk vee, alles of niets ! Geen plooien, geen schikken mogelijk ; de Heere is een God, Die Zijn Eer niet met anderen kan deelen; de Heere is een God, Die toornt op een volk, dat in Egypte wil offeren, een volk, dat niet te ver wil trekken, een volk, dat zich niet bekommert om man, vrouw of kind, een volk, dat niets missen kan voor 'sHeeren dienst.
Absoluut de eisch des Heeren; ontzaglijk de eisch des Heeren;
verpletterend de eisch des Heeren ! En nu zijn er velen, die daar niets van kennen, die rustig voortleven; en nu zijn er velen, die aan het plooien en schikken gaan; en nu zijn er velen, die zeggen : ja, zóó is het, maar de mensch is nu eenmaal onmachtig en onwillig, en heel vroom slapen ze door! Maar, Gode zij dank, er is ook een volk, dat door de onnaspeurlijke werking des Geestes bij deze dingen bepaald werd, een arm en ellendig volk, een volk, dat verschrikt werd aan den voet van den Sinaï vanwege den donder der Wet, vanwege het geweldige van Gods' onherroepelijken eisch, vanwege het rechtvaardige van dien, den zondaar verpletterenden eisch ! Dat volk luistere : er is vergeving uwer overtreding ! Christus heeft 't al volbracht ; aan den voet des kruises weerklinkt de vredessprake : Komt, vermoeide en beladene, komt tot de rustplaats ! En wanneer er in het midden van dat dusdanig geleide volk rijst de klacht: ik zal nog omkomen, ik arme — o hoort de absolute belofte : Er zal geen klauw achterblijven !
De Heere Zelf staat in voor het behoud van dat arme en ellendige volk. Hij leidt uit, door en in ! Hij is Zijn Woord kwijt aan dat volk, Zijn Woord : „Ik zal u niet begeven. Ik zal u niet verlaten".
Er zal geen klauw achterblijven, want: „Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder. Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen en in Zijnen schoot dragen; de zoogenden zal Hij zachtkens leiden".
Zalig het volk, dat, bepaald bij het absolute van den eisch : „gansch hulpeloos, arm" gevloden kwam en ervoer, de Heere is mijn Redder ! O, dan wordt het ervaren : geen klauw zal er achterblijven ; laat het hier zijn een woestijnreis, weet het : Kanaan wenkt!
O, allen, die nog in het donker gaan, is er ook bij u soms nog dat plooien, dat willen verbinden : Gods absolute eisch én eigengerechtige zelfhandhaving, (wat het ook moge zijn). De eisch — absoluut — maakt arme, ledige menschen, geschikte voorwerpen voor de belofte !
Ik las van een man, hij lag op zijn sterfbed ; de dominé zat bij hem en vroeg : willen we bidden ? Geen antwoord, strijd te lezen op het gelaat — en hij stierf ! Toen het dek werd weggeslagen, zag men waarom die man niet kon bidden, zijn hand hield omklemd den sleutel van de brandkast! Bidden, handen vouwen, beteekende dien sleutel loslaten !
Ontzettend !! Lezer (es), is onze hand ledig? Absoluut is de eisch.
Doodelijk is het plooien ! De dood komt en breekt u alles uit handen, en de mensch staat ledig voor God !
Zalig, die in het heden der Genade ledig voor God kwamen te staan, ontbloot van elke gerechtigheid, in zichzelven vol van zonde en verwerpelijkheid — om in dien weg te ervaren :
Aan armen uit gena Zijn hulpe ter verlossing toonen !
Amen !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 augustus 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 augustus 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's