SCHRIFTVERKLARING
ROMEINEN 10 vers 8—15.
Maar wat zegt ze ? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken.
Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus en met uw hart gelooven, dat God hem uit de dooden heeft opgewekt, zoo zult gij zalig worden ;
want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid. Want de Schrift zegt: Een iegelijk, die in hem gelooft, die zal niet beschaamd worden.
Want daar is geen onderscheid, noch van Jood, noch van Griek, want een zelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die hem aanroepen. Want een iegelijk, die den naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.
Hoe zullen zij dan hem aanroepen, in welken zij niet geloofd hebben ? En hoe zullen zij in hem gelooven, van welken zij niet gehoord hebben ? En hoe zullen zij hooren, zonder die hun predikt ? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden ? Gelijk geschreven is : Hoe lieflijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen.
Wat komt de Heere dicht bij den zondaar met Zijne ruime aanbieding van genade en zaligheid. Neen, er behoeft niet in den hemel te worden opgeklommen, er behoeft niet in den afgrond te worden neergedaald. Met de lippen wordt het beleden en met het liart wordt het geloofd. Mij dunkt, dat het nooit dichter bij het schepsel kan worden gebracht: in den mond en in 't hart.
In het 9de vers vat de apostel de boodschap des heils nog eens in 't kort samen. Ik zou zeggen : hier hebt ge in weinige woorden geteekend, wat er moet gekend worden tot zaligheid.
Met den mond moet men den Heere Jezus belijden en met het hart gelooven, dat God hem uit de dooden heeft opgewekt. Wat klinkt het eenvoudig. Leg er het voorbeeld van den stokbewaarder eens naast. Op zijn vraag : lieve heeren, wat moet ik doen om zalig te worden ? luidde het o zoo eenvoudig: Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden, gij en uw huis.
Toch bedenke men, dat een bloot historisch geloof niet genoeg is. Noch het historisch geloof, noch het wondergeloof, noch het tijdgeloof zijn, zonder meer, zaligmakend.
Neen, het is maar niet het bloot geloof, dat Christus bestaan heeft. Expres voegt Paulus er aan toe „en met uw hart gelooven, dat God hem uit de dooden heeft opgewekt".
De apostel heeft dus op het oog het ware zaligmakende geloof, waardoor zondaren worden gerechtvaardigd.
Als een zondaar bij Geesteslicht leert verstaan, dat hij van zijn schuld bij God, die duizenden talenten groot is, geen penning kan betalen en dat ook al zijn gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed, dan ontwaakt de behoefte aan een Borg en Middelaar, die volkomene gerechtigheid zal aanbrengen.
Het is daarom, dat de apostel spreekt van een „geloof, dat God hem uit de dooden heeft opgewekt".
Zegt de apostel elders niet van den Heere Jezus, dat Hij is opgewekt om onze rechtvaardigmaking ? De opstanding van Christus is wel eens het Amen Gods genoemd op al hetgeen is geschied aan het kruis van Golgotha. Uit die opstanding toch blijkt, dat er niets heeft ontbroken aan Zijn werk, door Hem als Borg en Middelaar verricht.
Uwe mogelijke verwondering over 't feit, dat de inhoud van het geloof een andere is dan de inhoud van de belijdenis, zal onmiddellijk verdwijnen als ge aan het stuk der rechtvaardigmaking vasthoudt.
Vers 10 volgt dan als vanzelf : Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid. Welken nadruk ge ook moogt leggen op het geloof des harten, ook de belijdenis der lippen kan niet worden gemist.
Zegt niet de Heere : Dit volk heb Ik mij geformeerd, opdat het mijnen lof zou vertellen. En Paulus getuigt er van, dat het in geenen boek is geschied. En de Psalmist zingt: Komt, luistert toe, gij Godgezinden, gij, die den Heer' van harte vreest, Hoort wat mij God deed ondervinden ; Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.
Neen, de belijdenis der lippen kan niet worden gemist. Voor een tijd moge men het hartewerk voor den naaste willen verborgen houden, er komt in het leven van elk, die den Heere vreest, een tijd, waarin men er niet van zwijgen durft.
En dat geloof in Christus' genade, waarvan men met de lippen belijdenis doet, is genoegzaam tot zaligheid, want de Schrift zegt zelf : een iegelijk, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden. De apostel haalt hier het Oude Testament aan naar de Grieksche vertaling van de zeventigen. In den Masoretischen tekst staat in Jes. 28 vers 16 eigenlijk : wie gelooft, zal niet haasten. Dit maakt echter niet veel verandering. Dat „zal niet haasten" beteekent immers, dat men geen haast zal hebben om op zelfgekozene wegen zijn heil te zoeken, maar dat men het zal verwachten van den Heere.
En nu is er geen onderscheid van Jood, noch van Griek, want een Zelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen. Neen, de Heere maakt geen onderscheid tusschen Jood of heiden. De muur des afscheidsels was verbroken. Indien God had gedaan naar recht, zou Hij zijn hand van Jood en heiden hebben kunnen aftrekken, maar nu wil Hij zoowel den Jood als den heiden nog redden en zaligen, zich betoonend als een verzorgend God, dié rijk is over allen, die Hem aanroepen.
Wat is de Heere rijk in genade over allen, die Hem aanroepen.
Neen, de Heere is geen karig God. Hij geeft menigmaal een volgestorte, ja, een overloopende maat. Er worden rijken ledig weggezonden, armen daarentegen worden met goederen vervuld. Er is nog nooit een arm zondaar van den troon der genade verwezen. Neen, met recht mag de apostel in het 13e vers getuigen, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.
En., dat roepen zal geboren worden door de werking van Gods Geest in het hart van allen, die aan hunne zonden en ongerechtigheden werden ontdekt. Daarom spreken we ook van den Heiligen Geest der gebeden.
En God verhoort de roepers. Roep Mij aan in den dag der benauwdheid. Ik zal er u uit helpen en gij zult Mij eeren.
Ja, de Heere is vlak bij u, o bidders en bidsters. Hij is nabij allen die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in waarheid.
Maar zal Jood en heiden dat ervaren, dan is het ook noodig dat ze zullen worden bekend gemaakt met den weg des heils. „Hoe zullen ze Hem aanroepen, in welken zij niet geloofd hebben, en hoe zullen ze in Hem gelooven, van wien ze niet gehoord hebben, en hoe zullen ze hooren, zonder die hun predikt. En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden ? Gelijk geschreven is : hoe lieflijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen".
De profetie van Jesaja is vervuld geworden.
Hoe lieflijk waren de voeten der Zendelingen, die aan Jood en heiden het evangelie der genade hebben gebracht. De Heere heeft bij de uitbreiding van Zijn Koninkrijk niemand noodig. Noch hij, die plant, noch hij, die natmaakt, is iets, maar de Heere alleen geeft den wasdom. Nochtans wil de Heere zich van menschen als middelen bedienen.
Hoe vele eeuwen zijn verloopen, eer de boodschap des heils in ons vaderland door mannen als Bonefacius en Willebrordus is gebracht. Hoe vele eeuwen zijn voorbij gegaan, sedert Christus beval, dat het evangelie aan alle creaturen zou worden verkondigd, en nog zijn er millioenen heidenen, die van de boodschap des heils nog niet hebben gehoord.
Indien ooit, dan mag nu wel worden geluisterd naar het woord des Heeren : De oogst is zoo groot en de arbeiders zijn weinigen. Bidt dan den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders uitstoote.
Het werk der Zending, inwendige zoowel als uitwendige Zending, hebbe voortgang, opdat menigeen moge komen tot dien vrede, die alle verstand te boven gaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 augustus 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 augustus 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's