De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

KAN HET CHRISTENDOM ZICH VERDEDIGEN ?

Op de conferentie te Nunspeet, georganiseerd door de Ned. Chr. Studenten-Vereeniging (N.C.S.V.) heeft op den derden dag 's morgens (Woensdag 15 Juli) gesproken dr. F. W. A. Korff, Ned. Herv. pred. te Heemstede over :
Kan het Christendom zich verdedigen ?
Aan het Pers-verslag ontleenen we het volgende :
Vragen als deze zijn daarom direct al zoo moeilijk, omdat we niet zoo gemakkelijk kunnen zeggen wat „het Christendom" is. Zijn dat de Kerken, waarvan een statistiek te maken is, en waarvan allerlei goeds en kwaads gezegd kan worden ? Is dat het Christendom, waarom het bij ons gaan moet, om er mee te staan of te vallen ? Of is er nog een ander Christendom, als geloofswerkelijkheid, welke door den Christen individueel, maar ook door de Christenen saam gekend wordt, als werk en genadegift van den Drieëenigen God ? Het geloofsbezit dus van den Christen. We zouden kunnen zeggen : het Christendom heeft twee zijden, de e ene als een zintuiglijk waarneembaar iets — die van de empirische, aanschouwelijke werkelijkheid ; de andere, die van de geloofswerkelijkheid. En die twee dan ook gecombineerd, waarbij de tweede de drijfkracht is van de eerste, het geestelijk bezit de kracht van hetgeen aanschouwelijke christelijke werkelijkheid is.
Kan het Christendom, tot openbaring komend als zichtbare werkelijkheid in de Kerken, in de personen, zich verdedigen ? Is dat het echte Christendom ? Kan en moet het verdedigd worden ?
Het antwoord van deze vraag hangt af van den maatstaf, dien men aanlegt. En dan moet men b.v. niet alleen als maatstaf gebruiken : het werk van barmhartigheid. Dat is niet beslissend noch in de diepte noch in de hoogte bij deze veelomvattende vraag : wat het Christendom is, of het recht van bestaan heeft, of het zich verdedigen kan.
Hoe gewichtig ook vragen van practisch-Christendom zijn, hier gaat het meer over geestelijke vragen en om geestelijke werkelijkheid, geestelijk geloofsbezit, geestelijk kapitaal.
Het empirisch Christendom, dat we zien voor onze oogen in de Kerk, in de gemeenschap van Christenen, heeft slechts recht van bestaan, voor zoover zij de uiting en openbaring, de naar buiten treding is van een geloofswerkelijkheid.
Be geestelijke waarde van het Christendom wordt bepaald door de mate, waarin het de geloofswerkelijkheid weerspiegelt. Het empirische Christendom, een complex van menschelijke factoren, wordt eerst dan waarlijk Christelijk, wanneer het zich door God gedragen weet, wanneer het doordrongen is van de geloofswerkelijkheid, welke het zegt te belijden.
In den na-oorlogschen tijd is er veel reden voor het Christendom om zich te schamen.
En de critiek op het Christendom, dat inderdaad in velerlei opzicht schromelijk in zijn taak is tekort geschoten, bewijst het een grooten dienst, voornamelijk hierdoor, dat zij zich bepaaldelijk tegen het on-Christelijke in het Christendom kant en dit Christendom herinnert aan de waarachtig Christelijke normen. Zij doet het Christendom ontwaken uit den slaap van zelfvoldaanheid.
Het onderscheid tusschen het zintuigelijk waarneembare Christendom en het geestelijk bezit van het waarachtig Godsgeschenk — het onderscheid tusschen „Christendom" en „Christendom" was veels zins in het vergeetboek geraakt.
Christen worden stond veelal op één lijn met : „zich aansluiten bij het bestaande Christendom". Het is aan de critiek te danken, dat de Christenheid dit onderscheid beter is gaan zien. De critiek heeft den Christen wederom gericht op de geestelijke werkelijkheid, welke bron en maatstaf zal moeten zijn voor al datgene wat zich Christen noemt. Zij heeft het Christendom in een hachelijke positie gebracht. Maar deze positie past het Christendom en de goede Christen heeft haar te aanvaarden. Vaak echter luistert de Christenheid niet naar de op haar geoefende critiek en sukkelt, zij het ook met een kwaad geweten, in het oude voetspoor voort. Vóór alles verzette zich de Christen tegen gemoedelijke halfslachtigheid.
Neen, we moeten critiek op het Christendom, dat zichtbaar en tastbaar zich openbaart, niet altijd benoemen met „vijandschap" enz. Want de critiek op het Christendom in de practijk is niet zoozeer tegen het Christelijke, maar tegen het on-Chrlstelijke van het Christendom gericht. De critiek moet ons opwekken uit den slaap van zelfvoldaanheid. Wij moeten luisteren naar de critiek en ons afvragen : zijn wij wel van Christus ? We moeten 't verkeerde niet trachten goed te praten. In de macht van de zonde zijnde, volgt dan : dat het Christendom het waarneembare empirische Christendom zich niet verdedigen kan. Het is verplicht tot boete. Want het on-Christelijke in het Christendom maakt, dat 't Christendom zwijgen most met schaamte. Het is verplicht tot boete. Allerminst mag het zich prijsgeven. Dat behoeft niet, dat mag niet. Maar boete past ons. De zonde van het Christendom is veel grooter dan wij vermoeden. De van ons gevraagde bekeering zal dus veel meer omvatten dan wij thans nog zien. Moet dus veel van het empirische Christendom, dat voor oogen is, worden prijs gegeven, dit sluit geenszins in : een prijsgeven van het Christendom.
Immers dieper dan de uiterlijke verschijningsvorm ligt het wezen van het Christendom, d.i. 't werk van den drieëenigen God. Zoo worden de verschijningsvormen tot hun ware proporties teruggebracht. Hét Christendom heeft in schijn een gebroken houding, in werkelijkheid een innerlijke, sterke consequentie. Spreker betwijfelt of 't Christendom er geheel in geslaagd is deze houding te vinden.
2. En nu de tweede kwestie : Kan het Christendom als geloofswerkelijkheid, welke alleen door den Christen gekend wordt en die het werk van den drieëenigen God is, zich verdedigen ? Want de critiek richt zich óók tegen die geloofswerkelijkheid, tegen den geloofsinhoud van het Christendom, niet slechts tegen den uiterlijken verschijningsvorm. Het is de Christelijke apologetiek, die deze vraag te beantwoorden heeft. De theoretische apologetiek — aldus spreker — is in den loop der tijden bescheidener geworden. In vroeger tijden n.l. meende men door logische redeneering het bestaan van God en andere zaken, die uitsluitend op geloofsterrein liggen, te kunnen aantoonen. In plaats van de doorvoering van het Christendom met het zwaard, zooals dat in de Middeleeuwen geschiedde, was het logische geweld gekomen. Sinds Kant echter, die de onhoudbaarheid van deze verstandelijke bouwsels aantoonde, is de Christelijke apologetiek haar doel lager gaan stellen : thans beweerde zij, dat het verstand weliswaar niet het bestaan van God en dergelijke kan aantoonen, maar toch nog wel aan het geloof steun kan geven en de menschenziel heen kan helpen over de zwakke punten in het geloof, die een ieder bij zichzelf ontdekt.
Zullen we van 't woord Apologetiek maar niet geheel afzien ? Is het noodig den Christelijken geloofsinhoud te verdedigen ? God verdedigen — kan niet. Welk een zware taak wordt daarmee gelegd op de schouders van 't empirische Christendom ! Verkeerder nog is het te noemen, dat zulk een verdediging noodzakelijk is, als zou het Christendom zulks niet kunnen missen. Geloofsinhoud is 't werk van den drieëenigen God. En „God" en de gedachte „verdedigen" kan spreker voor zichzelf niet verbinden. De apologetiek richt zich met haar argumentatie tot het intellect. De goddelijke werkelijkheid moet zich verdedigen voor de rechtbank van het intellect.
Is dit niet ongerijmd ?
Eindelijk moet het werk van de Christelijke apologetiek, ook van de na-Kantiaansche, onvruchtbaar genoemd worden. Dit is na het bovenstaande zonder meer duidelijk.
Het empirische Christendom heeft dus den geloofsinhoud niet te verdedigen, het heeft dezen door te geven ; het moet van de geloofswerkelijkheid getuigen, zoowel door het woord als door zijn geheele verschijning. Kan dit getuigenis niet positief zijn, het zij aan negatief. Maar getuigen moet het. Elk Christelijk getuigenis is een aansprj^ak, meer nog : het is een aanval : het tast den ongeloovigen hoorder aan en trekt hem af van den weg, dien hij tot nu toe volgde. Het Christelijk getuigenis heeft hier een taak, waarvan, 't zich onder geen beding ontslagen mag achten.
Het Christelijk geloof draagt de zekerheid in zich dat het in overeenstemming is met de structuur van het menschelijk leven. Hoe nauwkeuriger de structuur wordt nagegaan, des te beter zal het Christelijk getuigenis zicia van haar taak kwijten. Het uhristelijk getuigenis moet met feillooze zekerheid zien het aanknoopingspunt, waar op het den ongeloovigen hoorder vatten kan. Het gaat er om, de trekken van het beeld Gods in het menschelijke op te sporen en de congenialiteit van de menschelijke ziel met het goddelijke te leeren zien Het Christelijk geloofsgetuigenis, dat in overeenstemming is met de oorspronkelijke menschelijke natuur, botst met de gevallen menschelijke natuur. Hier ligt het arbeidsveld van het Christendom en juist in deze verhouding ligt zijn intrinsieke waarde. Bij dezen arbeid plaatst het Christendom zich dus op den bodem van het menschelijke. De fout van de vóór-Kantiaansche apologetiek, die zich uitsluitend richtte tot het verstand, is hiermede overwonnen. Karl Heim spreekt in zijn laatst verschenen werk : „Glauben und Denken" van 'n „Philosophischen Grundlegung einer Christlichen Lebensanschauung". Dit is radicaal fout. Het Christelijk geloof heeft immers den grond in zichzelf. Het gaat om een Entscheidung, een keus. Het Christelijk getuigenis stelt den ongeloovige voor de keus: gelooven of niet gelooven ; een verstandelijke beredeneering van het geloof, van philosophisch, van psychologisch of van welk ander standpunt ook bezien, is steeds verkeerd.
Ons richtsnoer hier is de combinatie van het „anima naturaliter Christiana" (want door de zonde is het beeld Gods in ons wel bedorven, niet vernietigd) en het „credo, quia absurdum" (ik geloof, omdat het ongerijmd is). Verstaan is mogelijk alleen onder voorwaarde van het geloof, de verlichting en het getuigenis van den Heiligen Geest. Daarom niet de filosofie, maar het geloof is de grondslag. Resultaat van den arbeid is de : Entscheidung, dat de mensch voor de keus wordt gesteld.
Resumeerend zien we, dat op de beide in den aanvang gestelde vragen een negatief antwoord gegeven moet worden. Het tastbaar Christendom kan niet verdedigd worden, omdat het door de zonde te laag staat; het verdient niet verdedigd te worden als er zooveel aan ontbreekt. En het Christendom, in den tweeden zin genomen als geloofswerkelijkheid, behoeft niet verdedigd te worden, kan ook niet verdedigd worden, maar niet omdat het te laag staat, doch integendeel, omdat het als geestelijk bezit en werk van den drieëenigen God te hoog staat. Het heeft die verdediging ook niet noodig.
Taak van het Christendom is : boete— getuigenis—aanval.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's