Jonker van Sterrenburg
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming van den Uitgever
J. H. Kok te Kampen.
„Zullen wij eens zingen ? " vraagt Louw, als de meisjes op de banken hebben plaats genomen.
„Jongen ja", zegt Jap, en de daad bij het woord voegende, begint zij met een heldere stem :
„Vader, 'k wil gaan reizen. Geef mij geld en goed".
Maar het overige gezelschap is nog niet in de stemming.
„Toe nou, waar blijven jullie ? " gaat zij voort, straks was het alsof het zoo maar
holder de bolder met elkaar Kleiterp uit zou en nu het er op aankomt, zijn jullie allemaal stil". — „Ze zorgen hier weg, moet je rekenen", zegt Klaas Lolkes. — „Allen hebben ook niet zoo'n rijken vader als Jap, die geld en goed heeft", nijdigt Jouke, blij dat hij haar eens raken kan. Jap is namelijk de oudste dochter van Douwe Mollema, waar elk wel weet dat schraalhans keukenmeester is. — „Dat is flauw", zegt Trijn, die aanstonds merkt hoe dit bijtend woord haar vriendin pijnlijk aandoet.
Tegen hare gewoonte is de zangeres van zooeven plotseling stil geworden en heeft 't hoofd omgedraaid. Zij kan het toch niet helpen dat het thuis armoede is, waar zooveel hongerige monden moeten gevuld worden en slechts één paar handen zijn om te verdienen ?
Anneke werpt een stil verwijtenden blik naar Jouke, welke hem zegt, dat hij het er op deze wijze bij haar niet beter op maakt. „Weet je wat, draag liever dat vers eens voor, dat je onlangs in de vereeniging hebt voorgelezen", zegt Jans tot Louw, die niet weinig gestreeld is dat van deze zijde die uitnoodiging komt.
Allen stemmen met dit verzoek in, waarop Louw in de houding gaat staan om dan met de noodige en ook onnoodige gestes de volgende dichtregelen ten beste te geven :
„Daar ratelt de trein met de kracht der orkanen,
Een vuurspuwend monster der fabel gelijk. Hoe tuim'len de boomen, hoe went'len de lanen,
Hoe nemen de steden al dansend de wijk. Een menner, gekneld op den nek, houdt den leidsel.
Twee reepen van ijzer bestemmen z'n spoor. 't Gaat over de daken, 't gaat onder 't plaveisel.
Nu afgronden over, dan rotswanden door.
En koning en knecht, o, gezegend aanschouwen,
Gaan samen één weg, door de hoogte en het diep,
Als broeders vereend en gerust in 't vertrouwen
Op 't menschelijk genie, en den God die het schiep".
Dat vinden allen mooi. Zooals Louw voordraagt is er in heel Kleiterp geen tweede. Aanstonds is de vrede weer geteekend. 't Zal toch wel leuk zijn op deze manier eens met elkaar een reisje te maken. Als er nu maar een beetje haast gemaakt wordt, want zoo'n spoorweg is maar niet in een paar weken klaar.
Daar slaat de klok vier uur, hetgeen beteekent dat het meer dan tijd is om huiswaarts te gaan. Met een gullen groet en een „tot weerziens" gaat elk zijns weegs. , „Je bent niet kwaad op mij, wél ? " roept Jouke nog, als Jap de richting van de „Eendenkooi" inslaat.
„Wel nee, malle jongen", is 't antwoord, waarop met verdubbelde pas geloopen wordt om niet te laat te komen. Brandsma staat er nu eenmaal op dat er orde is in de boerderij en de koeien op tijd gemolken worden.
Wat is die Jap toch een handige meid. 'k Wou dat ik ze u kon laten zien zooals zij daar, stevig en recht van lijf en leden, op den weg gaat, om straks, met een behendigen zwaai om een hek, schuin over een stuk weiland, greppel na greppel overspringend, op huis aan te loopen. 't Is bij haar alles leven en beweging. Niet alleen dat die'bogen en mond rusteloos in werking zijn, maar zij heeft ook een paar flinke handen aan 't lyf. „Veel in den mond, maar ook veel in de bouten, en dan moet je wat over 't hoofd zien", zegt vrouw Brandsma.
Als zij daar met opgestroopte mouwen op het boenstap bezig is de koperen emmers en vaten te reinigen, dan is het een lust om te zien hoe dat gaat. 't Is alsof zij speelt met het werk. Onder de tonen van een lustig lied boent en schuurt zij het vaatwerk dat het een aard heeft, om het daarna glimmend op de emmerbank te doen drogen. En als zij met diezelfde emmers aan het juk, de stevige beenen in een paar flinke klompen gestoken, de breede handen op de heupen, landwaarts gaat om te melken, dan is het haar zóó wel aan te zien, dat zij ook daarmee over weg kan. Het beteekent soms wél wat, vooral in den herfst, als het 's morgens zoo donker is dat men geen koe onderscheiden kan, of zware regenbuien de kleeren tot op het lijf doorweken, zoodat de slaap tevens voor goed uit de oogen is, om dan met moed er op uit te gaan.
Meermalen heeft Jap de klompen al vol water gehad vóór zij nog bij het vee was, maar het komt nooit in haar op droge kousen aan te trekken, „'t Droogt nooit vlugger dan aan je lijf", zegt zij, of „rijke lui nemen immers ook wel eens een bad". Dat zij wat in de bouten heeft, zooals de boerin het uitdrukt, daar weet de kleinknecht van mee te praten.
Toen deze onlangs ruzie met haar kreeg en haar schold, omdat zij een dochter van Douwe Mollema was, heeft zij hem in een hoek van de schuur te pakken gekregen en zóó geknuffeld, dat hij wel gedwongen was aan haren eisch te voldoen en te vragen om „meisjesgenade", iets, waartoe vooral een Friesche jongen niet gemakkelijk overgaat.
Toch meent zij het niet verkeerd. Waar het met Jap zou zijn heengegaan, als ze eens in de groote wereld was gekomen, om daar bloot gesteld te worden aan al de verzoekingen van het leven, die vooral op zulke karakters van grooten invloed zijn, valt niet te zeggen, maar zoolang zij hier in Kleiterp is onder de beademing van een geest als op de „Eendenkooi" heerscht, is er voor haar geen gevaar. Zoo hopen althans de ouders, die zich anders ongerust over haar zouden maken.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's