De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

CHRISTELIJKE ETHIEK

7 minuten leestijd

Heraclitus, de weenende filosoof, leerde, dat alles een eeuwig „worden" is en dat achter dat eeuwig „worden" een zekere rythme, een zekere intelligentie zit. Er zit Logos in en achter alles — leerde hij.
De Eleaten (omstreeks 500 voor Chr.) — aldus wordt een school van Grieksche wijsgeeren genoemd naar het stadje Velia, eertijds Elea, gelegen aan de kust van beneden-Italië — spraken van een eeuwig „zijn" in onbewegelijkheid. Alles wat onze zintuigen waarnemen aan verandering, beweging, wording enz. is slechts schijn — leerden zij (precies het tegenovergestelde dus van Heraclitus, hoewel ze met het zelfde Kosmologische vraagstuk bezig waren). Bij het eeuwig-zijn spraken de Eleaten van eeuwige atomen of zaden (spermata). Die spermata zijn ongeworden.
Anaxagoras vroeg : hoe is nu uit de spermata of eeuwige zaden (atomen; het woord a-toom beteekent: wat niet verder verdeeld kan worden) ontstaan hetgeen nu geworden is ? Hoe staat het worden in verhouding tot het zijn ? En zijn antwoord was : de wording der dingen is bewerkt door een draaibeweging in die eeuwig-zijnde spermata of atomen. Die draaibeweging is dan bewerkt door iets, dat Anaxagoras noemde de noes of „geest". Waarschijnlijk bedoelt hij iets, dat boven-stoffelijk is en bracht hij in de materie of eeuwige stof een geestelijk, althans een niet-stoffelijk, element. Zoo zou er dus voor de wereld, die geworden is en die wij rondom ons zien, een bóven-stoffelijke oorzaak zijn ! Dat zou zoo iets zijn als „geest" (noes), „intelligentie"; verstand, overleg, — „Logos". Het zou wijzen op denken en wijsheid ! (Plato en Aristoteles zeggen, dat Anaxagoras, die het noeselement in het Kosmologisch probleem brengt, de tegenstelling tusschen stof en geest heeft gevonden).
Empedocles (± 460 voor Christus) schreef ook een boek „Over de Natuur" (evenals Anaxagoras, de vriend van Pericles) èn een boek „Over de Reiniging". Ten opzichte van het Kosmologisch probleem leert hij, dat er vier grondelementen zijn : aarde — water — lucht en vuur. Dat zijn de wortelen, waaruit alles uitgroeit. In zooverre staat hij aan de zijde Van de Eleaten, met hun leer van het eeuwig-z ij n. Door haat scheiden de elementen, ze stooten elkander af en liggen dan los naast elkander. Door liefde trekken ze elkaar weer aan en vereenigen zich ; dan is er de Al-éénheid. Zoo komen en vergaan de werelden. Er is altijd roering, komen en gaan. En de bewegende elementen zijn haat (neikos) en liefde (philia). Door haat en liefde bestaat de wereld en alles wat er in, alles wat er op is !
Bij dit alles, rakende het Kosmische vraagstuk, kwamen de vragen naar den geest, naar de ziel, ook naar voren. En de Grieksche denkers hebben er het hunne van gezegd, daarmee naar voren brengend de vragen naar het zedelijk leven, naar het hoogste geluk (eudaimonia) en de middelen en wegen, die tot bereiking van het hoogste geluk moesten dienen en medewerken.
Van de ziel des menschen werd dan geleerd, dat zij een goddelijk wezen is, die eerst in zalige toestand is geweest, toen is verbannen wegens schuld naar „de weide van het onheil", en nu tot straf en tot boete is gekluisterd aan het lichaam, dat als een kerker voor de ziel wordt beschouwd. (Denk aan het Or f isme, aan het Boeddhisme en aan latere beschouwingen van moderne religies als theosophie, spiritisme, Ster uit het Oosten, enz. enz.).
De ziel moet voor straf en tot boete héél wat doormaken en bij den dood, wanneer scheiding tusschen ziel en lichaam plaats heeft, wordt zij weder aan een ander lichaam gekluisterd (leer van de re-incarnatie, wat letterlijk beteekent, dat de geest weer in het vleesch — Latijnsch woord : carno — ingaat). Zoo leerde b.v. Empedocles van zich zelf, dat hij eerst struik, toen visch, toen vogel is geweest en Len laatste mensch is geworden (denk aan Boeddha's geschiedenis 560—480 v. Chr.).
Door een zedelijk leven, door reinigingen komt de ziel eenmaal tot den oorspronkelijken toestand van gelukzaligheid terug ! Vandaar de leeringen en voorschriften van het Orfisme en de leeringen van den Pythagoreïschen Bond met z'n kloosterorde en vegetarische leefwijze enz.
We krijgen nu de periode van Socrates (± 400 voor Christus) tot en met Aristoteles (320 voor Christus).
De Grieksche cultuur gaat zich ontplooien. Athene wordt middelpunt. We krijgen nu de Sophisten. Socrates en de vier kleine Socratische scholen. Met de drie groote systemen van : Democritus — Plato— Aristoteles.
De voornaamste Sophisten waren : Protagorasen Gorgias.
Protagoras (± 450 voor Christus), vriend van Pericles en Euripides (de strijd met Sparta — Peloponesische oorlog). Hij was geen atheïst, maar hij leerde, dat we zoo weinig van de goden weten ; het menschelijk leven is daar ook te kort voor. Hij leerde dat de mensch de maatstaf voor alles was (de z.g.n. Homomensur a-s atie van Protagoras ; homo = mensch ; mensura = maat). We zijn hier op het terrein der Kenleer. De norm, de maatstaf van alle dingen heeft de mensch in zichzelf (autonoom). Daarom is er ook bij de zintuigelijke waarneming, waarbij stuk voor stuk, atoom voor atoom van het bestaande, in ons bewustzijn wordt opgenomen en daar verwerkt. Vorm en kleur enz. wordt ten slotte sterk subjectief verwerkt. Alles wordt subjectief met den mensch als beoordeelaar.
Gorgias (aan wien Plato een „dialoog" wijdt) is de tweede groote Sophist (± 450 voor Christus). Hij gaf in Athene in allerlei les en trad op met groote deftigheid. Men noemt Gorgias den Nihilist door z'n drie stellingen:1. Er is niets ; 2. Is er al iets, dan kan het toch niet gekend worden; 3. Bestond er al kennis, zoo zou ze toch niet kunnen worden meegedeeld (de drie „nieten" van Gorgias).
In dien tijd van „Aufklarung", waarbij een modernistische geest veel wankel doet staan, treedt dan Socrates op, de Kant van de Grieksche oudheid.
Voor Socrates, die voor alles het „begrip" wil vaststellen en die naar de normen van het zedelijke zoekt, is het hoogste goed : het geluk van den mensch. Hij predikt het Utilisme (nuttigheids-leer) , want het goede valt voor hem saam met het nuttige. Het nuttige is goed en dat moet gezocht worden. In alles wat nuttig is zit ook het levensgeluk van den mensch, en dat nuttige is dus goed. Alles wat nuttig is moet gedaan worden, dan is de mensch gelukkig. Alles wat schadelijk voor den mensch is, moet worden nagelaten ; het schadelijke is het slechte.
Maar wat is nuttig, wat is goed, wat moet dus gedaan worden en gezocht worden door den mensch ?
De mensch moet er op uit zijn om het nuttige te zien en het nuttige te doen en de kennis, het inzicht van den mensch moet dat uitmaken. In den weg van d e kennis, van het inzicht, moet de mensch dus komen, door het nuttige als het goede te doen en het schadelijke als het slechte na te laten, tot het persoonlijk (individueel) geluk.
Socrates' ethiek krijgt daardoor een sterk intellectualistischen of verstandelijken bijsmaak.
Het Utilisme predikende, opwekkende niet slecht te handelen en het schadelijke na te laten, gaf hij als levensspreuk : „Ken u zei ven". Tot zelfkennis spoorde hij altijd aan. Hij wees den mensch altijd terug op zelfbedachtzaamheid. Zóó is Socrates z'n weg gegaan — door velen gehaat en fel tegengestaan. Na den Peloponesischen oorlog was Athene verarmd en Sparta bloeide. De oude Atheners zeiden, dat de Sophisten met hun nieuwerwetgche sofisterijen de schuld daarvan droegen ; ook Socrates had er deel aan.
Met de beschuldiging van afval van de Staatsreligie ; invoering van vreemde goden, en de jeugd te bederven, hebben Melytus, Anytus en Lycon een aanklacht tegen hem ingediend en hij is veroordeeld den giftbeker te drinken.
Zóó bezegelde Socrates op 70-jarigen leeftijd zijn toegewijd leven met den marteldood (339 voor Christus).

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's