De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

13 minuten leestijd

DE PROFESSOR DIE VERDWEEN.
Op de vergadering van protesteerende Kerkvoogden — waartoe vele moderne, ethische, ook wel confessioneele en gereformeerde kerkvoogden behooren — heeft prof. Van Apeldoorn uit Amsterdam medegedeeld, dat hij het in de Hervormde Kerk niet langer kon uithouden.
De vergadering heeft hem Psalm 134 toegezongen.
Toen is men uit elkaar gegaan.
Zouden wij eens mogen vragen: bij welke Kerkgemeenschap prof. Van Apeldoorn uit Amsterdam zich heeft aangesloten en waarom men hem Psalm 134 heeft toegezongen ?
Als iemand ons hieromtrent eenig licht kan ontsteken, zou dat ons hoogst aangenaam zijn.
Even is gefluisterd, dat prof. Van Apeldoorn naar de Gereformeerde Kerken is overgegaan.
Maar alles wat men even fluistert is nog niet waar.
Hij zou misschien ook ergens elders heen gegaan kunnen zijn.
En vooral dat toezingen van Psalm 134 aan het adres van iemand, die zegt de Hervormde Kerk verlaten te hebben, is niet onbeteekenend in dit verband.

DE NIEUWE PROFESSOR.
Met de benoeming van Professoren kan het raar gaan. Het is een puzzle. Men kan er niet bij, niet in, niet achter komen soms. Denk maar eens aan hetgeen in den Amsterdamschen Gemeenteraad gebeurt zoo nu en dan, als er een hoogleeraar noodig is aan de Gemeentelijke Universiteit. Uit de stembus komt er een te voorschijn, dien men niet verwacht had, enz. En de Universiteit moet het er mee doen. De studenten zijn er jaren en jaren mee opgescheept.
Doch — dat is dan ook de Gemeenteraad, zal men zeggen.
Voor de Rijks-Universiteiten gaat het anders ! Daar is het de faculteit die een stem in 't capittel heeft en daar is het de Minister van Onderwijs die voordraagt en practisch de benoeming bewerkt.
Dus een Roomsche Minister van Onderwijs, die voor de theologische professoren zorgt, die mee de vorming van predikanten der Ned. Hervormde Kerk in handen hebben !
't Kan goed uitvallen, 't kan slecht uitvallen ; 't is zooals het valt; en ongelukkig als 't verkeerd valt !
Ietwat wonderlijk kan 't toegaan. In Leiden moest een theologisch hoogleeraar zijn. Wij gaven — in aansluiting van een voordracht, door studenten ingediend — een drietal : prof. Haitjema van Groningen, ds. Noordmans van Laren, en dr. Severijn van Dordt ('t was maar om onze belangstelling te toonen) en nu komt er na langen, zéér langen tijd een benoeming van een modern predikant bij de Remonstrantsche Gemeente van Utrecht, dr. L. J. van Holk.
Waarom een Remonstrant thuis gestuurd wordt, weten we niet.
Als wij Minister van Onderwijs waren geweest — hoewel de gedachte te bespottelijk is om er in ernst ook maar één seconde aan vast te houden — zouden we zeker geen niet-Hervormd predikant hebben genomen.
Maar we zitten er nu mee. En wie weet hoe lang ?
Toen op 't onverwachts prof. dr. Van Leeuwen, Nieuw-Testamenticus van Gereform. belijdenis, stierf, kwam de vraag : wie zal z'n opvolger zijn ? 't Antwoord was niet makkelijk. Er zijn helaas ! niet veel theologen onder ons, die als Nieuw-Testamentici van Gereformeerde belijdenis bekend zijn in de wetenschappelijke wereld.
Ieder ging op zoek. Dr. Lodder van Doorn werd genoemd. Ook anderen. En daar wordt na heel, héél lang wachten benoemd een professor uit Amsterdam, prof. Plooy, die pas aan de Gemeentelijke Universiteit als gewoon hoogleeraar benoemd was, daar pas zich ingewerkt had en daar sinds ook bleef, zoodat hij practisch nu hoogleeraar is aan twee Universiteiten, te Amsterdam officieel, te Utrecht nog altijd zonder openbare entree.
Men ziet alzoo, dat bij hoogleer aarsbenoemingen de verrassingen elk oogenblik kunnen komen, niet alleen in den Gemeenteraad van Amsterdam, maar óók bij benoemingen door den Minister van Onderwijs.
Nu ging onlangs prof. Visscher heen, door ontslagaanvrage. Door de aanvaarding van het lidmaatschap der Tweede Kamer was hij non-actief geworden; de colleges werden waargenomen door anderen ; zelf gaf hij onderwijs nog door bijzondere regeerings-opdracht; maar bedankte nu en kreeg eervol ontslag.
Wie zou zijn opvolger worden ? Wij gelooven niet, dat er iemand is, die er aan getwijfeld heeft wie in de plaats van prof. Visscher zou komen. De meening in deze, gezien de bijzondere constellatie te Utrecht, was algemeen : dat wordt dr. J. Severijn, emeritus-predikant van Dordrecht, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
En in den loop van de Augustus-maand kwam de benoeming, af en het was de algemeen gedachte en overal genoemde man : dr. Severijn.
Leiden en Utrecht hebben dus weer een hoogleeraar en wel voor dezelfde vakken.
Dat wij over de benoeming te Utrecht meer te vree zijn dan over die te Leiden, zal men begrijpen.
Door het overlijden van prof. Van Leeuwen was de rij der Gereformeerde professoren gedund; prof. Visscher en prof. Noordtzij waren nog overgebleven.
Daarna bleef prof. Noordtzij alleen. Nu treedt weer in de plaats van prof. Visscher z'n leerling en geestverwant, dr. Severijn.
Wij wenschen den benoemde van harte geluk. Wij weten, dat een lang gekoesterde wensch zijns harten nu vervuld is. En wij kunnen begrijpen, dat er groote blijdschap en dankbaarheid in zijn hart is.
Dr. Severijn is een wetenschappelijk man, van wijsgeerigen aanleg. 'Hij is een man, die vast houdt aan den Bijbel als Gods V/oord. Hij is een overtuigd Gereformeerd theoloog. Hij is een waardig opvolger van zijn leermeester.
En zoo is er oorzaak te over om ons over deze benoeming te verheugen.
Voor de wetenschap — ja — maar óok en vooral voor de studenten hangt er zooveel van af, wie er als hoogleeraren optreden.
Voor de Kerk, voor onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk hangt er zooveel van af, wie er als theologisch professor optreden.
Daarom verheugen we ons, dat v/eer een man, een wetenschappelijk theoloog van geref. belijdenis den hoogleeraarsstoel gaat beklimmen.
En onze hartelijke wensch en bede is, dat de Heere den nieuwen professor begenadige met alles, wat voor onze theologie, voor onze studenten, voor onze Hervormde (Geref.) Kerk zoo noodig is en tot rijken zegen kan dienen.
Welkom prof. dr. J. Severijn !

„DES HEEREN WET NOCHTANS".
Wij hadden ons stukje over „den tempel van ongekorven hout", in ons vorig nummer, een paar dagen te voren geschreven, toen we in „De Wachter", weekblad tot steun van de Theologische School te Kampen, onderstaand verhaaltje lazen, dat we even uitknippen en hier overnemen. Het stond onder „Kerknieuws" en luidt aldus :
De tempel der natuur. Uit het leven van wijlen ds. A. T. van Dijken, laatstelijk Gereformeerd predikant te Amsterdam-Zuid, wordt het volgende medegedeeld:
't Moet gebeurd zijn op Marken, zijn eerste gemeente.
't Was een stralende, zomersche Zondag. In den middagdienst preekte hij over een der tien geboden, naar de verklaring van den Catechismus. Maar van de anders zoo trouwe kerkgangers hadden er enkelen, door het mooie weer verlokt, hun plaats ledig gelaten.
Des avonds, op weg naar een zieke, kwam ds. Van Dijken één van hen tegen en informeerde aanstonds naar de reden van zijn afwezigheid.
De stoere visscher, heelemaal niet verlegen, zei: „Vanmiddag ben ik opgegaan naar den tempel der natuur, dominee ; daar spreekt God óók. De psalmist zegt immers :
„Het ruime hemelrond. Vertelt met blijden mond, Gods eer en heerlijkheid".
„Juist, broeder" — sprak de jeugdige pastor — „zoo is het, zoo is het, doch wat ik u vragen wou : weet ge ook wat de psalmist er op volgen laat? "
De visscher schudde het hoofd.
„Dan zal ik het u zeggen" — ging ds. Van Dijken voort:
„Des Heeren wet nochtans Verspreidt volmaakter glans, Dewijl zij 't hart bekeert".

NIET MEER IN HET AMBT.
Wij hebben vroeger al eens geprotesteerd tegen de combinatie van allerlei betrekkingen door hen, die dominé zijn geweest, terwijl ze dan maar rustig als emeritus-predikant weer in den dienst des Woords en der Sacramenten "voorgaan. Er zijn dominees die „in de politiek'', gaan — gelijk men dat ons ook meer dan eens heeft verzocht en aangeboden. En als ze dan „in de politiek" gaan, willen ze liefst zooveel mogelijk combineeren en dan zelfs ook nog dominé zijn en blijven, al is het dan maar om 's Zondags te „preeken" enz. Ze kunnen dan lid van de Tweede Kamer zijn, lid van de Provinciale Staten, lid van den Gemeenteraad, wethouder enz enz.
En dan ook nog dominé.
Dat is natuurlijk niet goed. En het is zeker niet Gereformeerd ; 't is stellig in strijd met het Gereformeerd Kerkrecht, 't Komt de eere van het ambt te na.
In de Gereformeerde Kerken" (waar 't nog niet voorkwam dat een dominé z'n ambt neerlegde voor de politiek), doet men dan ook anders.
En ook wanneer er veel kalmer, rustiger verandering van werkkring en ^wisseling van levensstaat plaats grijpt bij een dominé, is het in „de Gereformeerde Kerken" „uit" met het predikambt. Gelijk de Synodes van Leeuwarden en Arnhem nog eens hebben uitgesproken en bevestigd.
Deze kwestie is onlangs weer naar voren gekomen, toen aan prof. dr. A. A. van Schelven, oud-predikant en nu hoogleeraar in de letteren aan de Vrije Universiteit, door de Classis Haarlem „oefenaarsbevoegdheid" is gegeven. Noch prof. Van Schelven, noch prof. Vollenhoven — om van prof. Noordtzij in Utrecht niet te spreken — mogen in de Gereformeerde Kerken als predikant optreden. Ze zijn tot „een anderen staat des levens" overgegaan en dan is het, naar Gereformeerd Kerkrecht, met de hooge opvatting van het ambt, voor zulke menschen die uit het ambt zijn gegaan, „uit" met hun bevoegdheden als dominé.
Daarom is er nu ook weer stof opgejaagd door 't besluit van de Gereformeerde Kerken in Indië, waarbij aan dr. D. K. Wielenga. Gereformeerd predikant te Bandoeng, en leeraar aan het Chr. Lyceum aldaar, eervol emeritaat is verleend, met behoud van „de rechten en de eere van predikant", nu hij het ambt heeft neergelegd en zich geheel aan het leeraarschap gegeven heeft.
Dr. K. Dijk schrijft daarover in het Kerkblad van de Gereformeerde Kerken van 's-Gravenhage :
„Ik kan het niet anders inzien, dan dat het besluit van de Classis Batavia ten opzichte van dr. D. K. Wielenga, hoe gaarne ik hem ook dit emeritaat zou gunnen, in stryd is met de besluiten van Leeuwarden en Arnhem, en niet in overeenstemming met de handhaving van ons Kerkverband. Evenals de Classis Haarlem door aan prof. Van Schelven oefenaarsbevoegdheid te verleenen, lijnrecht ingaat tegen deze uitspraak van Arnhem's Synode : bij de kerken er op aan te dringen, dat ze geen voormalige dienaren des Woords, welke tot een anderen staat des levens zijn overgegaan, uitnoodigen om voor te gaan in den kerkedienst. Zoo gaan de deuren open voor independentisme".

HET UITSTERVINGSSYSTEEM.
De tyran Farao wist het wel: die de kinderen van het volk doodt, vermoordt het volk. Israël zou dan ook zijn uitgeroeid, ware de Heere, de God van Abraham, Izaak en Jacob, Sions Bonds-God, niet wonderlijk tusschen beide gekomen.
De moderne cultuurwereld, die zich vergaapt aan de beschaving en zich dood rookt en dood danst en dood filmt — gaat zich nu ook dood maken door de geboortebeperking.
Pas nog hebben we er aan herinnerd dat het Nederlandsche volk per jaar 187 miljoen gulden verrookt, vooral aan cigaretten het geld wegsmijt. Deze week konden we in ons Bondsorgaan lezen, dat alleen in Amsterdam 5 miljoen gulden per jaar betaald wordt aan entree-gelden voor schouwburg, concerten en bioscopen.
Zoo komt er ook door den accijns op wijn, bier en gedistilleerd ruim 50, bijna 60 miljoen gulden in één. jaar-in de schatkist (dus alleen aan „accijns" — wat zal het bedrag van het verbruik dan wel niet zijn !!!)
En nu lezen we in het „Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur" in een stukje van de hand van prof. dr. H. Th. Obbink, naar aanleiding van een Duitsch boek, dat in Duitschland, bizonder in Berlijn, de geboorte van kinderen zóó onrustbarend terugloopt, dat we gerust kunnen spreken van het uitstervingssysteem.
Vooral na den oorlog — toen ook de weelde-uitgieting met allerlei uitspattingen onder alle volkeren van Europa werd gezien, ook in Nederland, — is het bijna overal op te merken dat het aantal kinderen, dat geboren wordt, zéér, zéér gering is. Was het in de vorige eeuw, door elkaar genomen, dat vier kinderen regel was, na den oorlog werd het twee kinderen, en nu is het één of — geen kinderen.
Geen kinderen wordt regel. De ledige wieg.
En de bioscopen zitten vol. De danszalen zijn tot stikkingstoe vol. Maar de huiskamer is leeg. Man en vrouw vindt men er maar zelden. En kinderen zijn er heelemaal niet meer.
Dat de volkeren toch oogen mochten krijgen om te zien : dat er een wederkeeren tot den Heere mocht komen.
Dat ook Nederland, overigens nog bevoorrecht, wandelen mag in de wegen Gods, waarin beloften liggen voor het tegenwoordige en toekomende leven! „Kinderen zijn een erfdeel des Heeren !"

DAT IS OOK EEN STANDPUNT.
De Roomsche Kerk kwam in de dagen der Hervorming in groote moeilijkheden. Welken kant moest zij uit ? Vooral ten opzichte van den Bijbel raakte ze in groote moeilijkheden. De Reformatie leerde: Gods Woord is bron, gids, regel voor leer en leven. De Roomsche Kerk sprak van de traditie, van de leer. der Kerk. Wat de Paus, wat de priester leerde was waarheid — en daarmee uit. De priester was ook de eenige uitlegger van de waarheid ; daartoe was hij gewijd en had hij de gave ontvangen in het Sacrament van de priesterwijding. Dan ontvangt hij die groote genade en gave : dat hij in de biecht de zonde kan vergeven ; en in de tweede plaats, dat hij in de Mis het brood kan veranderen in vleesch en den wijn in bloed. Die goddelijke gaven ontvangt hij — volgens Rome — als hij het Sacrament van de priesterwijding ondergaat.
En dus heeft de Roomsche leek niets anders verder noodig. Als hij den priester, als hij de Kerk heeft, dan is het genoeg. En wat de priester leert en doet is goed — daarmee uit!
Toen dan in de dagen der Reformatie werd aangedrongen op het gebruik van de H. Schrift, toen beweerde een Roomsch priester, J. Latomus, in een dialoog of samenspreking (1519) dat de Christelijke vroomheid niet aan de letter der Schrift gebonden is en dat derhalve de kennis van de Heilige Schrift en van de drie talen, Hebreeuwsch, Grieksch en Latijn, voor den Christen niet noodig was. (Men had in de Middeleeuwen over 't algemeen weinig kennis van de klassieke talen ; zelfs Thomas vanAquino verstond geen Grieksch). En in die lijn voortgaande zei Latomus : „Voor de goddeloozen is de Schrift nutteloos en voor de vromen niet noodzakelijk".
Dus: de goddeloozen hebben er toch niets aan en de vromen hebben de Schrift niet noodig.
't Is wel geestig bedacht. Maar 't fatale van zoo'n standpunt springt aanstonds in het oog.
De Heilige Schrift kwam op non-activiteit.
De Roomsche had den Bijbel niet noodig ; die had aan de Kerk, aan wat de priester leerde, genoeg !
Practisch werd de Bijbel dan ook niet gebruikt en steunde alles enkel en alleen op de traditie, op de Kerkleer — die op die manier ook gemakkelijk geheel los-van den-Bijbel kwam staan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's