De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

5 minuten leestijd

DE KOMENDE TROONREDE.
|
Zaterdag over een week wordt, zooals de Grondwet dit bepaalt, de gewone zitting der Staten-Generaal gesloten. Daarna zal op Dinsdag dienaanvolgende als naar gewoonte de nieuwe zitting op plechtige wijze met het uitspreken der Troonrede, naar wij hopen ook op 15 September, door de Koningin worden geopend.
Voor hetgeen Hare Majesteit jaarlijks in de Ridderzaal tot Haar volk heeft te zeggen, is altijd groote aandacht.
De Troonrede toch doet gewoonlijk allerlei mededeelingen over den toestand, waarin het Rijk in Nederland en in de Koloniën verkeert, en kondigt verder de voornemens der Regeering aan, die nader in den loop van het nieuwe zittingsjaar in ontwerpen van wet worden belichaamd.
Dat ditmaal de Troonrede met bijzondere belangstelling zal worden tegemoet gezien, behoeft niet te verwonderen, nu ons land en ook de Koloniën tengevolge van het aanhouden van de wereldcrisis in steeds moeilijker omstandigheden gaan verkeeren. Op drie punten zal de Troonrede ongetwijfeld de aandacht vestigen.
In de eerste plaats op de moeilijkheden, waarin op dit oogenblik landbouw, handel en nijverheid zich bevinden, welke moeilijkheden gaandeweg een ernstiger karakter aannemen.
In de tweede plaats op de voortdurende stijging van het aantal werkloozen, welk verschijnsel vooral in den komenden winter veel zorg voor de rijks-en gemeentelijke Overheid zal baren.
En eindelijk op de noodzakelijkheid van het in evenwicht houden van de rijksuitgaven met de rijksinkomsten.
Vooral wat het laatste punt betreft, mag er op gewezen worden dat wat de opbrengst der middelen betreft, blijkens het overzicht dat maandelijks in de Staatscourant verschijnt, naar luid der cijfers, welke het officieele rijksorgaan van 17 Augustus 1.1. gaf, het in de eerste plaats vaststaat, dat deze opbrengst over de eerste zeven maanden van 1931 meer dan 31 millioen gulden ten achter was bij de opbrengst in het gelijke tijdperk over het jaar 1930. En voorts, dat de opbrengst der middelen over de genoemde eerste zeven maanden bijna vijf millioen gulden lager was dan het 7/12 der raming, zooals deze bij den aanvang van het loopende jaar werd vastgesteld.
Gaat het met dezen tragen gang van 't binnen komen der inkomsten in 's Rijks schatkist zóó voort, — en hierin is voorshands geen verbetering, maar eerder nog grooteren achterstand te verwachten — dan is het duidelijk, dat het evenwicht tusschen de rijksuitgaven en de rijksinkomsten, zoo deze al op dit oogenblik niet mocht verbroken zijn, dan toch zeer binnenkort zal zijn teloor gegaan.
Daarom zal de regeering maatregelen hebben te treffen om de financiën des Rijks op gezonde basis te regelen en te ordenen.
Daarbij komt dan nog, dat, én de hulp, die zal moeten worden verleend aan landbouw, handel en nijverheid, om de crisis door te komen, èn de voortdurende stijging der uitgaven ten behoeve van de voorziening in den nood der werkloozen, aan het Rijk en de gemeenten handen vol geld zullen kosten.
Wat in Duitschland dezen zomer, en In Engeland in de laatste weken geschied is. moet voor onze regeering een waarschuwend teeken zijn.
Er kan niet dikmaals genoeg de aandacht worden gevestigd op de noodzakelijkheid, dat ons volk, vooral in de benarde tijden, welke wij beleven, zijn leefwijze versobert. Die versobering moet in alle rangen en standen der bevolking plaats hebben, wil de evenaar in het huisje kunnen worden gehouden.
En wat in de gewone huishouding behoort plaats te hebben, zal ook in de Rijksen Gemeentelijke huishouding behooren te geschieden.
Alle onnoodige uitgaven zullen moeten worden vermeden. In dien geest — wij twijfelen er geen oogenblik aan — zal ook de Troonrede spreken.
Met groote belangstelling zien wij uit naar wat de Koninklijke mond op 15 September zal te zeggen hebben. 

BELANGRIJKE CIJFERS.
In Het Onderwijs, het orgaan van de Vereeniging van Hoofden van Scholen in Nederland, wordt in het nummer van 22 Augustus onderstaand belangrijk staatje gegeven betreffende het aantal leerlingen der Openbare en Bijzondere Scholen in de jaren 1920—1929.
Van deze cijfers zegt het orgaan van Hoofden van Openbare Scholen :
In negen jaren tijds daalt de bevolking onzer openbare school van 560 duizend tot op 480 duizend, verliest alzoo 80 duizend leerlingen; de bijzondere daarentegen stijgt van 479 tot 737 duizend, wint dus het enorme aantal van 258 duizend discipelen.
Mochten we einde 1920 nog ongeveer 54% der kinderen binnen onze muren ontvangen, eind 1929 moeten we ons met nog geen 40% tevreden stellen. De totale toename van 178 duizend, die voor % na 1925 komt, marcheert onze deuren voorbij niet alleen, maar voert op haar trek nog 80 duizend der onzen mee.
En als we hier nu nog aan toevoegen dat er geen enkele gegronde reden is om aan te nemen, dat in 1930 of daarna „der Weg zurück" voor het bijzonder onderwijs is aangebroken, dan staat ieder onzer toch een oogenblik stil om zich een en ander goed te realiseeren.
't Eenige lichtpunt bestaat hierin, dat in 1929 de absolute daling, die in 1928 bijna tot staan kwam — slechts een kleine duizend telden we minder — in 1929 heeft moeten plaats maken voor een stijging van 8000 leerlingen.
In 1928 echter wonnen onzen tegenstanders „slechts" 37 duizend leerlingen, in 1929, waarin wij zoo gelukkig zijn 8000 winst te boeken, stijgt de tegenpartij maar even met niet minder dan 54 duizend.
Is het wonder, dat de schrijver van deze beschouwingen in Het OnderwiJs nog de opmerking maakt: dat bij het tot stand komen van de Lager Onderwijs-wet 1920 de voorstanders van de Openbare School wel begrepen, dat de Openbare School een veertje zou moeten laten, doch dat er echter zoovele veeren zouden worden geplukt, als het bovenstaand overzicht doet zien, had geen enkele voorstander van de pacificatie kunnen voorzien.
Wat ons betreft, wij zijn er dankbaar voor, dat het Bijzonder Onderwijs zulk een hooge vlucht heeft genomen als de cijfers in het staatje aangeven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's