MEDITATIE
En Hij heeft tot mij gezegd : Mijne genade is u genoeg. 2 Cor. 12 vers 9a.
GENOEG.
Genoeg. Is dat wel een woord, dat in ons woordenboek voorkomt ? Gij kunt het natuurlijk wel opslaan en vinden in een of ander woordenboek, maar beantwoordt het woord aan een bestaande zaak in uw leven ? Er zijn zooveel dingen, die worden genoemd ; maar hebben zij ook waarde en beteekenis.
De Spreukendichter spreekt ook over „genoeg", maar in ontkennenden zin. „De bloedzuiger" — zegt hij — „heeft twee dochters : Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd. Ja, vier zeggen niet: Het is genoeg !
Het graf, de geslotene baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg !"
De Spreukendichter heeft een open oog voor het onverzadigbare in de zaken, die hij opsomt. En zijn woord vol diepe wijsheid ontsluit ons een wereld, waarin het „niet genoeg" den levensregel aangeeft.
En wij kunnen de reeks van den Spreukendichter gerust voortzetten. Wie heeft er nu genoeg ? Aan geld, aan aanzien, aan macht, aan invloed, geluk, genot enz.; gij moogt die lijst zelf wel aanvullen; of liever, gij zult het zelf wel doen en dagelijks uw verlanglijst vermeerderen.
Is er een einde aan het begeeren ? Het oog wordt niet verzadigd van zien, het oor niet van hooren. Steeds hooger — ja, was het maar steeds hooger — en verder grijpen de begeerten om zich heen en nergens wordt de eindstreep van het „genoeg" getrokken.
Onder de schoone leuzen van „excelsior" en „vooruit" wordt aan de onverzadigbare begeerte voedsel gegeven, brandstof toegevoerd.
Maar wellicht maakt ge reeds een opmerking bij uzelf en zegt ge : 't is waar, van allen, die in en voor de wereld leven, maar het leven van Gods kinderen maakt op dien regel toch een zeer besliste uitzondering.
Wie toch uit de verborgen bron van Gods algenoegzame genade mag putten, heeft toch zeker genoeg. Heeft de Heere Jezus niet aan de Samaritaansche gezegd, dat Hij haar levend watet geven zou, zoodat zij nimmermeer zoude dorsten, maar stroomen des levenden waters uit haar binnenste zouden vloeien ? En heeft niet — om een ander voorbeeld te nemen — de Heere Jezus de scharen wonderdadig gespijzigd, zoo dat zij maar niet ten deele, maar ten volle verzadigd werden, meer dan overvloedig ? En zou Hij, die zoo in tijdelijke behoeften weet te voorzien. Zijn gunstvolk niet meer dan overvloedig spijzigen in geestelijken zin ; Die gezegd heeft: Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden ?
Genoeg dus, meer dan genoeg. En toch : niet genoeg.
De groote Apostel Paulus kent den strijd tusschen de werkelijkheid - en de begeerte naar volmaaktheid.
Groot ook hierin, dat hij niet is zelfvoldaan, over zichzelf tevreden.
Er kan een zoodanige slapheid van ziel zijn, dat de prikkel van het ideaal wordt verdoofd : geen strijd meer gestreden ; 't alles laat komen en gaan, zooals het komt en gaat.
Maar de heiden-apostel behoorde allerminst tot de slappe broeders. Allerminst was hij slap tegenover zichzelf. En nu laat hij ons een blik slaan in den innerlijken strijd, die hem bijkans verteert.
Een scherpe doorn in het vleesch pijnigt hem. Hindert hem iederen dag. Verhindert hem om in geestelijken zin de vleugels wijd uit te slaan en zich te verheffen naar boven.
Hij wil vooruit en hij wordt vastgehouden. Naar zijn oordeel moet de doorn weg genomen. Want deze staat hem in den weg, niet ter vermeerdering van eigen genot of eer, maar ter meerdere verheerlijking van zijn God en Koning. Zijn eigen geestelijk leven — zoo meent hij — lijdt schade door deze plaag. En hoezeer het hem ernst is in deze zaak, komt wel heel sterk hierin uit, dat de apostel den Heere driemaal gebeden heeft dat de Engel des Satans van hem zou wijken.
Het eigen persoonlijk geestelijk leven van den apostel is zoo diep en krachtig. De Heere heeft den machtigen strijder opgetrokken tot in het Paradijs. Onuitsprekelijke dingen heeft hij gezien en gehoord. Maar tegenover dit hoogstaand geestelijk genot komt nu te scherper uit de hevige pijn van den doorn in het vleesch.
Wanneer de werkelijkheid van dit pijnlijke hem omlaag trekt en doet zuchten, wanneer het hem tot een dagelijksche marteling wordt, is het alsof de apostel het niet langer uithouden kan en in zijn driemaal herhaalde bede hooren wij van verre, wat eenmaal plaats greep in den donkeren hof van Gethsémané.|
Paulus is geen man om spoedig te klagen. Maar nu breekt hij in bittere weeklacht uit voor het aangezicht des Heeren.
En ieder, die nu met den apostel den goeden strijd des geloofs leert strijden, zal in meerdere of mindere mate zijne worsteling verstaan.
Er is ook een geestelijk egoïsme. Hierin namelijk, dat het volk des Heeren wel alle goed in geestelijken zin zou willen bezitten, maar dan ook alle kwaad missen.
Rampen zijn er altoos te veel, meer dan genoeg. Ja, we weten de som van wat ons tegen is wel zóó te ontleden en te vermenigvuldigen, dat alle goed er tegenover in het niet verzinkt.
Genoeg te hebben in het leven, zooals God het Zijn kinderen geeft, is eerst mogelijk, wanneer God Zelf ons zegt, dat het zóó goed is. Goed is voor ons.
De apostel strijdt en worstelt in den gebede om er af te komen. Er is in zijn ziel het conflict tusschen zijn ideaal en de werkelijkheid, waarin de Heere hem plaatst.
De apostel schiep zich een eigen paradijsje — waarin hij het o zoo goed meent met zichzelf en met zijnen God.
Als de Heere nu maar doen wil, wat hij noodig en goed acht, o, dan zal hij in nieuwe lofzangen des Heeren deugden prijzen ! Er ontbreekt toch eigenlijk bij al wat hij heeft nog zooveel. Hij heeft niet genoeg, zijns bedunkens.
Zijn bede is toch ook niet onbillijk en onrechtvaardig. En daarom volhardt hij tot driemalen toe in den gebede, opdat er aan dezen jammer en hinder een einde mocht komen.
En wij kunnen maar al te zeer volharden in het gebed in wat ons hindert.
Nu, Paulus' gebed blijft niet onverhoord. Er zijn gebeden, waarop het antwoord schijnt uit te blijven. Maar in deze ernstige zaak, die de apostel den Heere voorlegt, laat de Heere hem niet in het duister tasten, maar ontvangt hij een duidelijk antwoord uit den hemel, dat niet voor tweeërlei uitlegging vatbaar is.
De apostel heeft zijn request ingediend ; maar hij krijgt nul op zijn request.
De doorn blijft en zal blijven. Wat kan de Heere ontzettend hard schijnen voor de Zijnen. Is dat een ontfermend Vader, die Zijn geliefd kind zoo groote pijn laat lijden ?
Waarom moet de Engel des Satans zijn werk voortzetten ?
De apostel heeft toch alles wel overlegd eer hij met zijn bede tot den Heere kwam.
Zoo juist het begeerde antwoord uit den hemel hem niet in elk opzicht bevredigd hebben ?
Hij heeft er stellig sterk op gehoopt, dat de Heere zijn bede in voor hem gunstigen zin zou vervullen, anders had hij niet tot driemalen toe God den Heere als geprest.
Maar God uit den hemel geeft nu eenmaal geen menschelijke, maar goddelijke antwoorden.
En die goddelijke antwoorden zijn gewoonlijk niet aangenaam voor het vleesch.
Geeft de Heere dan reden tot beklag aan den apostel ten opzichte van Zichzelven ? Moet de apostel een God dienen. Die hem pijnigt en weigert of onmachtig is hem van zijn pijn te verlossen ?
Het antwoord des Heeren is een antwoord van boven.
En dat spreekt van „genoeg". En als de Heere zegt, dat het „genoeg" is, dan zal het u en mij „genoeg" moeten zijn.
En al Wat de Heere zegt is wijs en goed. Niet aan onze kortzichtige dwaasheid komt de Heere tegemoet, maar Zijn verborgen goddelijke wijsheid brengt Hij aan het licht.
Genoeg. Wat genoeg ?
„Mijne genade", zegt het antwoord. Genade is genoeg. Heeft wel ooit een van Gods kinderen de letters van dit eene woordeke „genade" leeren spellen, en niet tevens bevonden dat de genade Gods genoegzaam is ?
O, wat een oceaan van zegeningen en weldaden opent de Heere voor het zielsoog van den apostel, wanneer Hij hem plaatst voor „Zijne genade".
De genade is zoo groot, als de Heere Zelf groot is.
Die genade strekt zich zoo ver en zoo lang uit als de Heere Zelf wil.
Wie maar iets mag proeven van de zaligmakende genade die is in Christus Jezus, zal met een David uitroepen : Mijn beker is overvloeiende.
Als de genade Gods niet genoeg is, dan is er niets genoeg. Al zou de Heere al üw begeeren geven, zonder genade is 't grootste in uw leven niets ; maar mèt genade wordt het allerkleinste groot.
Zonder genade brengt de lichtste smart u tot opstand ; mèt genade zingt ge met den psalmdichter :
„In de grootste smarten, Blijven onze harten In den Heer gerust".
O, wat een heilzaam antwoord.
Genade en genade alleen is genoeg: op aarde en in den hemel; in leven en in sterven ; in vreugde en in smart; in overvloed en bij gebrek.
En laat ons dan ook niet dit vergeten : de Heere zegt: „is ü genoeg".
Wij staan soms verlegen om een passend geschenk aan te bieden ; een voldoend antwoord te geven. Hier hangt veel af, wien 't geschenk moet gegeven ; wie de vrager is.
Paulus was toch niet de eerste, de beste. Welk een rijk begenadigd kind des Heeren. Een ster van de eerste grootte in het Koninkrijk Gods.
En nu zegt de Heere tot dezen groote : Mijne genade is u genoeg.
De genade Gods moet ook den apostel Paulus genoeg zijn. Er bestaat voor God geen kring van bijzonder verlichten, die het ten slotte ook zonder genade zouden kunnen stellen. Geen geestelijke opgeblazenheid duldt de Heere.
Daarom : u. U, klagende en vragende apostel. Hoe klein houdt de Heere al de Zijnen, wie zij ook mogen zijn, diep-ingeleid of aan den aanvang van den weg des levens staande : allen moeten drinken uit den geestelijken steenrots : Christus.
En om met de eerste woorden te eindigen : het is niet zonder beteekenis, dat er staat : de Heere heeft tot mij gezegd.
Er worden nog wel eens dikwijls goddelijke antwoorden verzonnen.
Maar de inhoud van dit antwoord laat den apostel geen twijfel over de vraag of het van hem zelf is of van den Heere.
Het antwoord des Heeren draagt een eigen kenmerk en watermerk.
En de apostel heeft het antwoord Gods verstaan. De Heere richt zijn leven naar Zijn vastgemaakt bestek. En al slaat hem nu een Engel des Satans met vuisten, toch zal hij ervaren dat Gods genade genoegzaam is om deze pijniging te dulden, te dragen, te verdragen.
Het antwoord des Heeren geeft uitzicht op uitnemender heerlijkheid hiernamaals.
Tegenover de uitnemende openbaringen hier beneden past den apostel een tegenwicht, opdat hij zich niet te zeer zou verheffen.
En nu is het den apostel genoeg. Hij bidt den Heere niet meer in deze zaak.
De Heere heeft er een volkomen einde aan gemaakt.
Wie zal Gods wijs beleid doorgronden ? Laat de algenoegzame genade Gods uw ziel vervullen, en gij zult, wat kruis de Heere ook u te dragen geeft, het dragen met opgeheven hoofde, verwachtende de kroon der rechtvaardigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's