De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

10 minuten leestijd

Ik ben de deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. Joh. 10 vers 9.

CHRISTUS, DE DEUR.
Reeds onder den dag des Ouden Verbonds heeft de ware gemeente des Heeren telkenmale met blijdschap gegrepen naar de harp om te zingen bij haar snarenspel het lied van den Herder.
Ook in onzen dag heeft dat lied van den Herder nog niets van zijn waarde verloren.
De snaren van de harp, waarop David dit lied heeft gezongen — die snaren mogen sinds lang zijn gesprongen en aan den zanger zelf moge vervuld zijn : „Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren", toch zal zijn lied bij de aardsche woestijnreis weerklinken, zoolang daar een volk op aarde is, dat tranen leert schreien vanwege eigen bederf en ellende.
Al de rijke vertroosting van dit lied van den Herder is het machtigst tot ons gekomen, sinds de Heere Jezus Christus op deze aarde verscheen en van stonde af aan optrad als de Herder om het afgedwaalde en verlorene te zoeken.
In het hoofdstuk van onzen tekst noemt de Heere Jezus zich de goede Herder en teekent Hij ons, wat dat herderschap inhoudt.
Dat teekent Hij ook in onzen tekst.
Op den eersten klank afgaande, schijnt de Heere Jezus een ander beeld te grijpen, maar in waarheid is het een nadere preciseering, een nadere omschrijving.
Ook als de Heere Jezus zich hier de deur noemt, zet Hij de beeldspraak van den goeden Herder voort.
Om dit te verstaan, hebben wij ons in te denken wat de getrouwe herder in het Oosten deed, als de schapen bij het vallen van den avond in de schaapskooi gingen.
Weet ge wat die herder dan deed ? Dan ging die herder vóór de schapen uit naar de schaapskooi en ontsloot de deur.
En als de deur ontsloten was, nam die herder zelf plaats in de deur en liet daar de schapen alle aan zich voorbijgaan. Dan telde hij de schapen, opdat hij zeker wist dat er niet één ontbrak.
Dan waakte hij, dat er niets met de schapen insloop in den stal, dat daar niet behoorde.
Zoo deed die herder zelf dienst als deur en kon hij in overdrachtelijken zin de deur der schaapskooi worden genoemd.
Lezer, er is door Gods genade een gemeente op aarde, waarvan geldt 't woord : „Vrees niet, gij klein kuddeke, want het is des Vaders welbehagen ulieden het koninkrijk te geven".
Dat koninkrijk, of wilt gij, die Kerk des Heeren, is de stal, waarin wij allen hier in dit leven reeds moeten ingaan, willen wij eens behooren tot de schapen, die in den grooten dag aan des Heeren rechterhand zullen gesteld worden in de hemelsche schaapskooi.
Tot dat koninkrijk, tot die Kerk hier op aarde en tot dat Vaderhuis boven in den hemel is geen andere toegang dan door de deur Jezus Christus.
Eens was er een andere deur. Vóór den zonde-val was de gerechtigheid, langs den weg der gehoorzaamheid te verwerven, de deur tot het eeuwig heil.
Dat was de deur van het werkverbond. Boven die deur had God als met eigen hand geschreven : „Doe dat en gij zult leven".
Maar straks wordt die deur gesloten, als de mensch Gode de gehoorzaamheid opzegt.
En zie, nu zou de Heere rechtvaardig zijn geweest, als daar geen andere deur meer was ontsloten, als daar nooit meer een andere weg was gebaand.
Doch in Zijn grondelooze barmhartigheid heeft de Heere in Christus Jezus nog een deur der hope ontsloten in Achor's dal.
Nauwelijks toch is die deur van 't werkverbond in het slot gevallen of de belofte van het komend Vrouwenzaad ruischt door Eden's hof.
Helaas, de mensch wil in zijn blindheid van nature niet aan die ontzaglijke waarheid, dat er buiten Christus geen enkele deur meer openstaat.
De mensch tracht zich zelven deuren te maken. Al de wentelende eeuwen door is die mensch daarmede bezig geweest, maar het woord van den Christus is enkel getrouw : „Ik ben de deur".
Hij is de éénige deur. Als de Heere Jezus zich zelven de deur noemt, dan werpt Hij zich maar niet als zoodanig op.
Neen, Hij is daartoe verordineerd door den Vader, Die Hem gezonden heeft.
Hij is daartoe verordineerd volgens het bestek door God in de stille eeuwigheid gemaakt.
Ons tekstwoord zegt, dat wij door die deur moeten ingaan. Alleen wie door die deur ingaat, zal behouden worden.
Het is niet genoeg die deur te bewonderen. Het is niet genoeg een verstandelijke kennis der waarheid te bezitten.
Wat baatte het den vluchteling in Israël, die voor den bloedwreker vluchtte, al wist hij dat er vrijsteden waren ?
Wat baatte het ook dien vluchteling, al zou hij ook bewonderend staan voor de poort van de vrij stad !
Neen, achter de poort, door de poortdeur, daar was alleen waarachtig behoud.
Het is niet genoeg, lezer of lezeres, om dicht bij die poort te zijn.
De rijke jongeling was niet ver van het koninkrijk Gods.
Koning Agrippa was bijna bewogen Christen te zijn.
Doch bijna bewogen, bijna binnen de deur is toch nog onherroepelijk buiten.
Onderzoek uzelven daarom nauw, of gij reeds door die deur zijt ingegaan.
Dat ingaan door de deur kost echter strijd. Want vlak bij de deur is nog allerlei verleiding. Daar dringen Satan en wereld niet het minst met hun verleiding aan op den mensch.
En weet ge waarom ? Omdat Satan weet, dat hij onherroepelijk kwijt is, wie door die deur is ingegaan.
Hebt ge daarbij wel bedacht, dat in de zelfde lieflijke gelijkenis van den goeden Herder de mensch wordt geteekend met het beeld van een schaap.
Dat is geen vleiende teekening, maar toch is zij waar.
Immers het schaap is zwerf-en dwaalziek, meer dan menig dier.
De Vader heeft in de stille eeuwigheid niet enkel bepaald, dat er schapen zouden zijn en een weide, maar ook, dat er een stal voor die schapen zou wezen.
En in het bestek van dien stal is slechts ééne deur opgenomen.
Jezus Christus is die deur. Hij bezit alle vereischten die voor deze deur van noode zijn. Hij is de van God gezalfde Borg en Middelaar ; Hij is God en mensch ; Hij is de Almachtige, maar ook de Getrouwe.
Zalig, wie door die deur mag ingaan. Eens wordt die deur gesloten. Als de oordeelsdag daar is, wordt die deur onherroepelijk gesloten.
Maar die deur wordt ook reeds gesloten in den dag van onzen dood, als ons hart ophoudt te kloppen.
En ja, op dien laatsten dag mogen wij als de dwaze maagden bidden en smeeken : „Heere, Heere, doe ons open !" — het wordt dan echter ook met de dwaze maagden ervaren dat de Bruidegom wèl genadig is, maar óók gestreng en rechtvaardig.
Lezer, zijt ge door die deur reeds binnengegaan ?
Ik stel de vraag eerst nog anders: „Is in uw ziel reeds de vraag geboren:waar is die deur? "
Zal die vraag echter worden gesteld in oprechtheid, dan moet eerst door genade geleerd zijn om het oor te luisteren te leg­ gen naar het woord des Heeren en het te sluiten voor de leugensprake der wereld, die ons toefluistert: „Hier is de deur, of daar, of ginds".
Neen, nog eens, er is maar één deur tot dien hemelschen schaapsstal, namelijk Jezus Christus.
Maar nu is 't niet genoeg om te weten, om verstandelijk te belijden dat er maar één ware deur is in Christus.
In mijn jeugd heb ik gezien, welk een moeite het den herder kostte om dat dwaalzieke schaap binnen de deur van de schaapskooi te leiden.
Daar was nog een groen blad, en ginds een frissche grasspriet, dat de schapen weer wegtrok van de deur van den stal.
Als de herder dan ook de schapen had overgelaten aan zichzelf, dan zouden zij straks door het donker zijn overvallen en den nacht buiten de schaapskooi hebben doorgebracht. In onze heide-velden is dat niet zoo erg. Maar in het Oosten stond het anders. Daar sloop de leeuw en de beer. Denk maar aan David, die een leeuw en een beer doodde. Denk maar aan Simson, die op den weg naar Timnath een leeuw versloeg. Daar schuifelde de vergiftige slang, door het gras en de struiken. Daar dreigde de dood aan allen kant.
Niet eer was het schaap in veiligheid, vóór het binnen de beschuttende wanden van de schaapskooi was geborgen.
Zoo wordt ook de ziel van den zondaar door velerlei gevaar bedreigd, zoolang zij niet door Christus is ingegaan in den reddenden stal.
Dat ingaan is niet zoo gemakkelijk, want dat ingaan beteekent een breken met de wereld, een uitgaan van de plaats, waar gij van nature leeft en verkeert.
Jezus' schaapskooi is een apart terrein, waar men niet tegelijk God en de wereld kan dienen.
Alleen wie met den verloren zoon aan zijn bederf en ellende ontdekt wordt, zal ingaan door de deur Jezus Christus.
Doch Gode zij dank, ons tekstwoord zegt: „Indien iemand door Mij zal ingaan, die zal behouden worden".
Iemand, dat is niet begrensd tot het Israël van den ouden dag.
Iemand — dat is niet begrensd tot een nauwen, engen kring.
Maar iemand — dat is ruim, dat is even ruim als de genade Gods in Jezus Christus.
En sla dan nu maar Gods Woord open en speur in dat Woord maar na, wie er zijn ingegaan door die deur in de hemelsche schaapskooi.
Ik noem u een naam : Maria Magdalena. Ik noem u een anderen naam : Zacheüs, de tollenaar.
Ik noem u nog een naam : de moordenaar aan het kruis.
Ik noem u het volk dat binnengaat met den verzamelnaam, waarmee de Heere het noemt in Zijn Woord : een ellendig en arm volk, dat op den Naam des Heeren vertrouwt.
Behoort gij tot dat volk ?
Die is ingegaan door de deur Christus, hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.
Met die woorden teekent de Heere Jezus ons al het goede, dat Hij Zijn schapen doet smaken, dat de schuts van Zijn schaapskooi uit genade heeft leeren zoeken.
Hij doet hen weide vinden in de genade-middelen ; in de prediking des Woords, in de bediening der Sacramenten, in de vertroosting hunner ziel, welke Hij hun door Zijn Heiligen Geest geeft te smaken.
Hij doet hen ingaan en uitgaan en weide vinden, want Hij gaat voort leven te gunnen aan hun ziel.
Hij schenkt hun al wat zij van noode hebben op hun reis naar de eeuwigheid.
David bezingt het in den 23sten Psalm met het heerlijke woord : „De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden ; Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren.
Hij verkwikt mijne ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om Zijns Naams wil".
Jezus' schapen hebben geen gebrek aan eenig goed.
Toch moet ge niet denken, dat zij altijd een gerust leven achter de muren van de schaapskooi leiden.
Neen, ook achter die muren worden zij nog menigmaal door vreeze aangegrepen.
In het Oosten was de schaapskooi meestentijds maar gedeeltelijk overdekt.
Weet ge, wat er daardoor dikwijls gebeurde ?
Het wild gedierte trachtte in die schaapskooi ingang te vinden.
Het sloop huilend en brullend rondom die muren.
Dat brullen vervulde de schapen achter de muren met vreeze.
Weet ge wat er dan achter die muren gebeurde ?
Daar werden de schapen naar elkander toegedrongen, maar daar gebeurde ook nog iets anders.
Daar werden de schapen ook gedreven naar den herder, want de herder bleef met de schapen, ook in den nacht.
Lees maar wat David daarvan zegt, als hij spreekt over de hitte des daags en de koude des nachts, die hem verteerde.
Zie, dat is het kenmerk van Jezus' schapen. Zij worden in den nood gedreven tot Hem. En bij Hem zijn zij veilig, want wie is ingegaan door de deur, hij zal behouden worden naar Christus' eigen belofte : „En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid en niemand zal dezelve uit mijn hand rukken". Amen.

Renkum.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's