JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever
J. H. Kok te Kampen
Ternauwernood behoeft gezegd, dat hij onder deze omstandigheden in den laatsten tijd weinig deel neemt aan het publieke leven, 't Is een hooge uitzondering, als de adellijke bank vlak voor den preekstoel in de groote kerk des Zondags wordt ingenomen. In de meeste gevallen blijft de bruin lederen bijbel met koperen sloten, welke op den eikenhouten lessenaar ligt, tevergeefs op den eigenaar wachten.
Toch is de Jonker niet kwaad. Daar weten Lettinga en Yntema en al de andere huurboeren van te spreken, die op een zijner boerderijen wonen. Tweemaal in het jaar moeten zij allen op „Grovestins" verschijnen met de huurpenningen, waarbij hij hen dan zelf te woord staat en met belangstelling vraagt hoe het lijkt met het gewas en hoe de veestapel 't maakt. Blijkt het dan dat noodige herstellingen dienen aangebracht aan de woningen, of dat de dijken of dammen moeten herzien, of de watermolen moet vernieuwd, of dat deze of gene namens de boerin iets heeft te vragen, dan moet het al heel erg zijn als een verzoek in die richting geweigerd wordt. En wanneer eens door misgewas, 't zij ten gevolge van langdurige droogte of door overvloedige regens, de oogst voor een deel mislukt, dan kan het wel eens gebeuren dat een deel van de pachtsom wordt teruggegeven.
Geen wonder dus, dat de hofsteden van „Grovestins" nooit op een bewoner behoeven te wachten. Er zijn altijd liefhebbers in overvloed, als eens door versterven of ouderdom een plaats vacant raakt en wanneer dan ook van een der boeren gezegd wordt: hij woont op een Jonkerplaats, dan beteekent dat zooveel als : hij is, naar den mensch gesproken, voor zijn leven geborgen. "Want wie zijn best doet en op zijn tellen past, behoeft niet te vreezen voor een ander zijn plaats te moeten ruimen.
Niet alleen echter 't boerenbedrijf, maar ook de schipperij profiteert van de rijkdommen, over welke Jonker Van Sterrenburgh te beschikken heeft. Hoeveel booten en tjalken, vracht-en zeilschepen zoo voor en na al op naam van hem in de binnen-vaart zijn gebracht, is bijna niet na te gaan. Wanneer daar een verlegen schipper is, wiens tuigage alle sporen van verval vertoont of wiens waartuig alleen maar met pompen boven water kan blijven, is gewoonlijk de toevlucht tot den heer van „Grovestins", en als dan blijkt dat de man waardig is geholpen te worden, kan hij meestal tegen een billijke rente en op afbetaling zooveel geld krijgen als noodig is om uit de moeite te geraken.
Vandaar dat ook onder de schippers — en het waterrijke Friesland telt er vele — de naam van den Jonker met eerbied genoemd wordt. Voor de rest evenwel blijft elk, die geen boodschap heeft, vreemd op het Slot, gelijk de bewoner voor velen een vreemde is.
Ook thans zit hij weer in diepe mijmering. Voor de zooveelste maal denkt hij na over een onoplosbaar probleem — het probleem van het leven. Want hij heeft veel gestudeerd en het mag gezegd, nauwgezet gestudeerd, maar dit raadsel bleef voor hem onoplosbaar. Naast hem ligt het werk van Nietzsche : Also sprach Zarathustra. Ein buch für Allen und Keinen.
Met gretige hand heeft hy indertijd naar dit Godonteerend werk gegrepen, in de hoop dat de hier gepredikte „Uebermensch" die door het lijden verhard boven het lijden komt te staan, om zoo in koud stoïcysme zich zelf te overwinnen, zijn ideaal zou kunnen zijn.
Helaas, Nietzsche heeft ook hem, als zoo velen, teleurgesteld. Omdat hij schijnbaar iets geeft, maar nog veel meer ontneemt. Omdat hij, gelijk al de wijsgeeren uit den ouden tijd en ook tal van materialistische schrijvers en schrijfsters uit het laatst der 19e eeuw, het aantal vraagteekens voor hem nog oneindig grooter maakt.
Noch het Atheïsme, noch het Pantheïsme, noch het Deïsme, noch het Theosofisme en Spiritisme heeft hem gegeven wat hij zoekt.
Vanwaar ben ik en wie ben ik ? — aldus peinst hij. Hoe lang was ik en hoe lang zal ik zijn ? Ben ik enkel stof en kracht, of heerscht in mij ook nog iets onstoffelijks, iets geestelijks, iets, dat door velen „ziel" genoemd wordt ? En zoo ja, vanwaar dan die ziel en waarheen gaat zij ? Waar zijn dan de zielen van die voorvaderen, wier beeltenissen daar aan den wand in de toenemende donkerheid hem zoo ernstig schijnen aan te staren, alsof zij hem willen uitnoodigen te onderzoeken waar zij nu zijn.
Hebben die zielen zich opgelost in het groote onbekende „Niet", toen de mokerslag van den dood de tijdelijke woning stuk sloeg, of is er een reïncarnatie, waardoor hetzelfde leven misschien tien, misschien honderdmaal achtereen verschijnt, telkens in anderen vorm, telkens in een ander lichaam van mensch, of dier, of plant, al naarmate het vorige leven meer of minder goed was ? Of is het leven achter den dood een etherisch leven in altijd hoogere regionen, totdat het eindelijk na eeuwen, na millioenen jaren misschien zijn toppunt bereikt heeft in een levensvolheid, die niets meer te wenschen en te vragen heeft, omdat zij het volmaakte heeft verkregen ?
Waarom leeft hij toch ? Heeft het leven beteekenis voor de toekomst of is alles uit met den dood ?
Teneinde zoo mogelijk te komen tot oplossing van dit raadsel zijn tal van citaten van verschillende schrijvers door hem bijeenverzameld.
Is het waar wat Lenau in zijn troostlied bezingt:
O menschenkind, wat 's uw bestaan ? Vol raadselen geboren, En pas begroet, verloren.
Om onherroep'lijk te vergaan ?
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's