FINANCIËN
In den loop der tijden is er heel wat gewijzigd. Waarin het verschil tusschen voorheen en thans wel sterk naar voren treedt — wij wezen daarop reeds een enkelen keer eerder — is dat van de post. Was voorheen een brief een zeldzaamheid, nu is dat zoo niet meer. Was het in vroeger dagen mogelijk dat de brievenbesteller meeleefde met wat hij bracht en was het zelfs niet denkbeeldig, dat hij van den inhoud iets mee vermoedde, dit is nu vrijwel uitgesloten. Zonder één woord glijdt de inhoud de bus in. 't Interesseert den brenger niet meer. Trouwens dit kan ook niet. Daarvoor is de hoeveelheid, welke hij te verwerken krijgt, veel te groot. Het maakt op den buitenstaander wel eens den indruk, dat de man onder zijn last schier bezwijkt.
Wat gaat er niet met de post ?
't Is een mengeling. Dag-en weekbladen, brochures en tijdschriften, brieven, kaarten, ja noem maar wat ge wilt. 't Is niet alleen een verschil in formaat, maar ook in kleur.
Om bij tarieven ons te bepalen.
Is 't een groote, een op oud-Hollandsch papier, zoo zegt ge : dat is een trouwkaart. Ziet ge een met donkeren rand omtrokken, zoo weet ge 't al van te voren : deze spelt rouw, leed ; zij spreekt van den dood. Is daar een gekleurd couvert, b.v. een groen, zoo is de rekening al opgemaakt: deze loopt over geldzaken. Hij komt van de postgiro. Alleen de gewone blanke omslagen houden hun raadsel verborgen, zoo lang het pennemes er niet wordt ingezet. Nu is het geen onaangename bezigheid om wat in de bus gleed op de tafel uit te spreiden. Gewoonlijk behoeft het geen tweemaal gezegd : „breng me de post eens even".' Ieder is nieuwsgierig naar wat uit den vreemde komt.
Eigenaardig is dit, dat het eerst wordt opengelegd wat met een zwarten rand is omtrokken. Van wie zou dat zijn ? Is 't een betrekkelijk vreemde, zoo trekt de rimpel in het voorhoofd spoedig weer glad.
Doch wat ook kan gebeuren, aat opeens alle hoofden zich heenbuigen over deze donkere tijding en de verzuchting wordt geslaakt : „Och, hij of zij is niet meer".
Een brief met een huwelijksaankondiging roept daarentegen tegenovergestelde gevoelens wakker. Deze slaat lang zoo niet in.
Met tarieven met gekleurd couvert, met zulk een groene, is dit heel anders.
Dadelijk wordt deze apart gehouden. Het is vaak alsof de verrassing, welke men hoopt te zullen ondergaan, zoo lang mogelijk wordt uitgesteld. Heel stil, zonder dat iemand het hoort, wordt gezegd : jou vind ik straks wel.
Welk een gevoeligheid blijkt er toch te zijn in het menscheiijk hart voor de stoffelijke wereld. Dwaas en gevaarlijk is het hiervoor de oogen te sluiten.
Toch wil ik over deze eigenschap van 't menscheiijk hart momentelijk niet uitweiden. Laat ons dit elkander en ons zelven geduriglijk voorhouden: bij brood alleen niet te kunnen leven, doch alleen bij het Woord Gods.
Dit alleen blijft tot in eeuwigheid.
Mocht ons hart verstrikt zitten in de strikken van het stof, zoo is er maar één hand, welke ons daaruit kan bevrijden. Doch waarover ik het nu eens met u wilde hebben is over zulk een gewonen blanken brief, een, waarvan het couvert u reeds vragend aanziet, zeggende : „raad eens wat ik u heb te zeggen ? "
't Is een enkele week geleden, dat een heel stapeltje brieven me ter hand werd gesteld, blanke brieven.
Het eerste wat gedaan wordt in den regel is even het stempel bekijken om te weten de plaats van herkomst. Dit werd ook nu gedaan. Doch één zat er tusschen, waarvan met den besten wil ter wereld niets viel af te lezen. Er stond geen enkele letter op. Wel kon worden opgemaakt dat de stempelaar zijn stempel gebruikt had, maar meer ook niet.
Nu, dan zuilen we binnen eens zien. Doch hier stond ook geen plaatsnaam aangegeven. Iets wonderlijks, zegt ge. Iets wat zelden voorkomt. Gewoonlijk wordt woonplaats en naam van den afzender niet verborgen gehouden.
Toch kan hiervoor reden bestaan.
B.v. bescheidenheid, bang van menschen geprezen te zullen worden. De vrees zou kunnen bestaan zoo van alle kanten verheerlijkt te zullen worden, dat men om dit te voorkomen, teekent met N.N.
Zoo heb ik het eens gehad, vóór enkele jaren. 'kZou de courant uit de bus halen en zie daar tusschen de bladen zat een couvert met twee briefjes van duizend voor het Studiefonds. Tweeduizend gulden.
Daarin stond ook geen plaats van herkomst, 't Was zonder postbestelling in mijn tas gedaan. De onderteekening was alleen : „de gebroeders H."
'k Heb het nooit geweten wie dit waren. 'k Heb het ook nooit geweten vanwaar deze gelden kwamen.
Dit is me tot twee reizen toe overkomen. Eerst 1000 gulden en later nog eens van dezelfde gevers de dubbele som.
'k Heb hierop geantwoord in het publiek. In de Waarheidsvriend plaatste ik een bekendmaking om de onbekende gevers, naast God, Die hun harten daartoe had geneigd, te danken.
Dus — zoo was mijn gedachtengang — kan dit ongeteekend epistel, eveneens zonder plaatsnaam, ook niet onbeantwoord worden gelaten.
Aan mij zelven kan ik het merken, dat ge niet weinig nieuwsgierig zijt of in dit blanke couvert ook weer een of ander biljet zat ingesloten.
'kZeg het u dadelijk nog niet.
Er zat geen biljet in van eenige handelswaarde. Ik zou er geen geld op kunnen halen. Wanneer ik bij een of anderen betaalmeester me vervoegde, zou hij mij even arm of rijk als ik ben, laten gaan. Dus dat is de zaak niet.
Maar wat voor waarde school dan in dat epistel ?
Deze. Hij gaf mij een wijzen raad. En ziet, daarvoor ben ik uitermate gevoelig. Hij wees mij n.l. den weg om de gelden te kunnen betrekken, waarvan onze candidaten genoegzamen steun zouden kunnen verkrijgen. En dat is iets, wat niet licht overschat kan worden. Als Penningmeester heeft dit mijn volle opmerkzaamheid. Wat hij schreef, leg ik natuurlijk in zijn geheel niet over. Dit zou ganschelijk niet strooken met de wijze van doen, door den schrijver betracht.
Hij wees mij naast de richting, waar ik het zoeken moest, óók waarvan ik het heelemaal niet had te wachten.
Dit laatste zal ik met name noemen.
Immers het eerste heeft eenig gevaar in. Ge begrijpt, nietwaar, als ik dit aan de klok hing, als ik dit wereldkundig ging maken, dat iedereen, die gelden noodig heeft — en dat zijn er in onze dagen niet weinig — daar onmiddellijk zou aankloppen. Dus dit punt houd ik zeer streng verborgen.
Hij schreef : ge moet heelemaal niets meer wachten van de arme boertjes. Die zitten zoo diep in de misère. Die zijn zoo van alle kanten te beklagen. Die hebben zoo heelemaal niets meer, dat naar hen, zelfs niet met een blik, het hoofd mag worden gewend.
Nu leef ik te veel mee met ons volk, dan dat ik hiervan heelemaal onkundig ben gebleven. Ik zie te duidelijk hoe alles in donkerheid en druk verkeert. De landbouwende bevolking, inzonderheid heeft kwade tijden, welke zij doormaakt.
Maar waarin ik met den schrijver van het epistel in gevoelen verschil, is, dat zij niet zouden meeleven met de zaak des Heeren ; dat zij van het kleine dat zij hebben, niet iets zouden durven offeren voor Gods Koninkrijk. Wanneer één groep van ons Gereformeerde volk iets over heeft voor deze dingen, zijn zij het. Beschamend veel, durf ik te zeggen.
'k Was verleden Zondag in Wierden, in den Achterhoek van Overijsel. 'k Preekte daar in hun mooie nieuwe kerk, waarvoor sommen waren besteed. En wat het mooiste was ? In een jaar tijds waren de schulden vlakgestreken. Meer dan een halve ton had men hiervoor tezamen gebracht.
Neen, die boertjes beschamen menig stadsmensch.
Welk een liefde zit vaak verborgen in hun kleine giften. Welk een pracht-collecten worden hier vaak tezamengebracht. Ik noem niet graag namen, want dit is een gevaarlijk werk. De mensch wordt er vaak iets door. En Gode alleen komt de eer toe. Wanneer Hij de harten ontsluit, worden vanzelf de beurzen ontsloten.
Wij zijn heelemaal niet bevreesd verkeerde wegen te bewandelen, wanneer wij zeggen : alles wat de Waarheid, naar Gods Woord, liefheeft, ieder die uit ons heerlijk beginsel leeft, leeft met ons mee en toont dit met woord en daad.
Volge thans ons overzicht.
1. door mej. v. D. te Utrecht werd mij ter hand gesteld., voor het Studiefonds ƒ 3.50
|2. door den heer Van. Kooten te Groenekan van mej. W., voor het lezen van de Waarheidsvriend „ 1.—
3. door den heer Versluis te s-Gravenhage uit den spaarpot van zijn kinderen bij hun eersten en tweeden verjaardag 1.—
4. door ds. Kleijne te Willige-Langerak een gift, hem ter hand gesteld uit de gemeente „ 3.—
5. van de wed. A. Troost te s-Gravenhage voor het Studiefonds „ 2.50
't Verblijdt mij ten zeerste uit de Residentie-stad een tweetal giften te mogen verantwoorden. Bij 't jubileum van ds. Van Dorp hebben zij het heel goed kunnen merken hoe warm het hart klopt, inzonderheid van onze menschen, voor de Gereformeerde prediking.
6. door ds. Enkelaar te Leerdam. Bij eene huwelijksinzegening in Ouderkerk a.d. IJssel hem van een zuster der gemeente ter hand gesteld „ 2.—
7. door ds. Van der Kooij te Maarssen, hem ter hand gesteld „ 1.—
8. van den heer C. Bardelmeijer te Zegveld, uit het bekende busje , 3.46
9. van N.N. te M., mij persoonlijk ter hand gesteld ...; „ 10.—
10. door den kerkeraad te Wierden mij ter hand gesteld uit liefde en dankbaarheid voor het Studiefonds „ 20.—
11. En tenslotte door ds. Vreugdenhil te Gorinchem in zijn tarievenbus gevonden een gift van 100 gulden, van een lid der gemeente, waarvan 50 gulden bestemd voor het Studiefonds , 50.—
Alzoo tezamen 97,46.
Met heel veel dank.
Gode bevolen.
Utrecht.
Ds. J. GOSLINGA.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's