UIT DE PERS
Zuid-Hollander in hart en nieren.
In „Het Vaderland" van 1 September j.l. stond een artikel over den jubileerenden ds. Van Dorp, van Den Haag, dat zóó eigenaardig gesteld is. en zoo interessant van inhoud, dat wij het hier gaarne overnemen. Natuurlijk zijn hier en daar wel dingetjes waarbij een vraagteekentje kan worden gezet — maar het geheel is zóó oriënteerend, ook voor de kerkelijke toestanden, dat wij gaarne het artikel van K. S. overnemen.
K. S. schrijft dan :
„Op 2 September zal het, gelijk bekend, 25 jaar geleden zijn dat ds. Sijmen van Dorp te Zegveld de Evangeliebediening aanvaardde. Wat een tijd reeds geleden, dat deze kalme, ernstige candidaat den herdersstaf opnam.
Geboren en opgevoed in Zuid-Holland, is hij een typische vertegenwoordiger van de daar overheerschende richting.Vrijwel twee stroomingen zijn er in het kerkelijk leven van Zuid-Holland te onderscheiden, n.l. de Gereformeerde (z.g.n. Bondsrichting) en de Vrijzinnige. Ge vindt die twee stroomen vlak naast elkaar. Krimpen a.d. Lek b.v. is oer-Gereformeerd, evenals de meeste plaatsen langs Lek en IJsel, maar het vlak daar naast gelegen Lekkerkerk is ultra Vrijzinnig. De gematigde richting is in Zuid-Holland zwak vertegenwoordigd en waar ze aangetroffen wordt, heeft ze meest de Confessioneele kleur.
Van Dorp is Zuid-Hollander (bijna al zijn dienstjaren bracht hij zelfs in Zuid-Holland door) en Gereformeerd. Dat is hij altijd geweest en niemand heeft hem ooit anders gekend. Hij is een bondsman, die als zoodanig in de Hervormde Kerk groote bekendheid geniet. Jarenlang was hij wat men noemt een „Krantenman", d. w. z. er kon geen beroep worden uitgebracht door een vacante bondsgemeente, of het was Van Dorp. Wie let op de standplaatsen die hij heeft gehad, mag met recht spreken van een schoonen staat van dienst, want uitgezonderd Amsterdam, heeft hij de grootste drie gemeenten van ons vaderland, gediend. Achter elkaar Rotterdam, Utrecht, Den Haag en is overal door den kring die zich tot de bondsprediking aangetrokken gevoelde, geliefd. Er zijn bondspredikanten, die om hun prediking worden gezocht, doch wier persoon weinig sympathie weet te verwerven. Tot dezulken behoort Van Dorp niet. Hij is de pastor in den ruimsten zin des woords en iets anders heeft hij nimmer begeerd te zijn.
2 September 1906 deed hij intrede in de zeer landelijke gemeente van Zegveld. Toen ik die gemeente eerst jaren daarna bezocht, wist ik niet, dat ze zoo lieflijk was gelegen. Een ideale, rustige plaats voor een beginneling.
Toch trok hij reeds in Zegveld de aandacht. Hij was reeds daar één der uitverkoren predikanten van de Vereeniging Troffel en Zwaard te Utrecht, die elken winter zeker voor een beurt werd uitgenoodigd. Hij met Jongebreur, van Grieken, Beekenkamp, Benes, waren daar elk jaar te hooren. Reeds toen kwam hij op het drietal te Utrecht voor, in de vacature Gewin, met den reeds overleden ds. Van Ingen en ds. H. Kwint te Gorinchem, die het beroep kreeg en aannam en er nu nog staat. Wel een bewijs, hoe het hem op die eerste standplaats aan beroepen naar groote gemeenten niet ontbrak. Van Dorp was echter geen looper. Vier jaar bleef hij te Zegveld en vertrok toen naar het nabij gelegen Bodegraven. Zijn opvolger in Zegveld ds. P. Kruijt, is dezer dagen te Kesteren juist emeritus geworden.
In Bodegraven werd ds. van Dorp de opvolger van den overleden ds. Hellemans, zwager van den bekenden tegenwoordigen president-directeur der Heldring-gestichten dr. J. Lammerts van Bueren. Met de beroeping van ds. van Dorp behaalde de Gereformeerde bondsrichting daar de overwinning. Een overwining, die ze heeft weten te handhaven, want al de opvolgers van van Dorp zijn daar nog steeds bondsmannen geweest.
Het spreekt vanzelf, dat dit op het verblijf te Bodegraven in de eerste jaren merkbaar is geweest. Vooral de Confessioneelen zaten niet stil. Het is aardig hier op te merken, dat de Confessioneelen destijds in de vacature Hellemans hadden willen beroepen ds. te Winkel, thans de Haagsche collega van van Dorp, toen nog predikant te De Meern. De Confessioneelen hebben langen tijd onder aanvoering van den bekenden ouderling Turkenburg des winters lezingen gehouden. Een van de meest geziene sprekers was daar dr. A. Troelstra, toen reeds predikant in Den Haag, met wien ds. van Dorp nog eenige jaren in de Residentie heeft samengewerkt.
Bodegraven was een groote en moeilijke gemeente. Op godsdienstig gebied vol zwaren vormendienst. Des Zondags, als de kerk aangaat, is de weg naar het kerkgebouw zwart van de menschen, door de week overheerscht het geld verdienen, want de rijke kaashandelaren gaan voor een beetje niet op zijde. Verder was Bodegraven destijds een dorp, waar allerlei ongewenschte huwelijksverhoudingen aan de orde van den dag waren. De jonge Van Dorp heeft daar heel veel te stellen gehad.
Hij werkte er in denzelfden tijd, dat de bekende ds. Wisse daar Gereformeerd predikant was. Ze hadden echter heel weinig aanraking met elkander. De Vrijzinnig Luthersche dominee Steenbeek had met Wisse meer contact dan Wisse met van Dorp, een gevolg van het feit, dat de jubilaris altijd zijn eigen weg is gegaan.
Moeilijk werd de arbeid ook, toen in de oorlogsjaren Bodegraven vol Amsterdammers zat, die er gemobiliseerd waren. Uit dien oorlogstijd is mij bijgebleven de preek, welke Van Dorp hield in de eerste weken over de Klaagliederen. „Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken en wederkeeren tot den Heere", zooals men wel ziet, 'n tijdpreek, een opwekking tot boetedoening.
In Bodegraven kwamen de beroepen in menigte los. Hoe vaak heeft hij daar, als de taak hem te zwaar was geworden, kunnen vertrekken. In die dagen kon men haast geen krant opslaan of men las : Beroepen ds. van Dorp. Zelfs in het verre Hoogeveen begeerde men hem en in 1916 nog kwam hij voor op het tweetal te Wierden (Ov.) met zijn tweeden opvolger te Zegveld ds. van Voorthuyzen. Men beriep den laatste, omdat men meende bij ds. van Dorp geen kans te maken en omdat men hoopte, dat van Voorthuyzen, mede omdat zijn broer in het naburige Vriezenveen predikant was, vlugger tot aanneming bereid zou zijn. Toen van Dorp later in Wierden eens een lezing hield, sprak hij er zijn blijdschap over uit, zelfs in dien verren Twentschen Achterhoek op het tweetal te hebben gestaan.
In Bodegraven zat hij echter vastgeroest. Jarenlang, hij bleef er tot 1917, werden alle beroepen afgeslagen. Steeds sprak men er in 1914 en 1915 over, dat men te Leiden op hem loerde. Echter heeft Leiden hem nimmer beroepen, maar kwam in de vacature, waarin zijn naam genoemd werd, ds. Beekenkamp. In 1917 kwam vrij plotseling het beroep naar Rotterdam en wat niemand had verwacht, ds. van Dorp vertrok.
Hij was er niet de eenige bondsman. Ds. van Toorn werkte daar reeds. Hij was te Rotterdam zeer gezien en vond vlak bij nog den bekenden dr. de Lind van Wijngaarden te Feijenoord, dien hij in zijn studententijd, toen deze te Utrecht stond, van nabij had gekend. Later kwam ds. van Grieken als Rotterdamsch collega. Hij werkte daar ook samen met ds. van Ravesloot, die juist tevoren zijn intrede te Rotterdam had gedaan. Kalm en rustig, zooals zijn gewoonte is, heeft hij gestadig de hem toevertrouwde wijk bearbeid. Hij was in Rotterdam geliefd en had er volle kerken. Hoe hij er toe gekomen is om reeds in 1921 te vertrekken, weet niemand. O ja, daar was in de kerkeraadsvergadering wel verschil van meening en dat ds. van Ravesloot in 1922 (vlak na van Dorp) vertrok en Driebergen aannam, was daar het gevolg wel van, maar dat van Dorp vertrekken zou, had niemand verwacht. Hij zelf geeft er in zijn afscheidsrede „afscheid met het oog naar boven" (uitgegeven met zijn beeltenis in toga) ook geen verklaring van. Slechts ontkent hij nadrukkelijk, dat zijn afscheid het gevolg zou wezen van het werk te Rotterdam moede te zijn.
In Utrecht werd hij de opvolger van ds. Bieshaar, die naar den Haag was beroepen. De Geertewijk, dezelfde waarin vroeger dr. de Lind van Wijngaarden werkte (hij was diens derde opvolger) was aan zijn zorgen toevertrouwd.
Utrecht is, zooals de term luidt, „een leeraarlievende gemeente". De bondspredikers trekken daar zulke volle kerken, dat er niet bij te komen is. Van Dorp heeft daarin ruim zijn deel gehad. Stampvolle kerken, zoowel des avonds als des morgens. De predikanten te Utrecht hebben heel vaak twee beurten op Zondag. Het eigenaardige van van Dorp was, dat hij steeds de grootste afstanden liep. Hij woonde in het Wilhelminakwartier en liep steeds den grooten afstand naar Vredeskerk (Merwedekanaal) en Oranjekerk (vlak bij Zuilen). Utrecht heeft hem echter reeds in 1925 aan den Haag moeten afstaan. Hij werd ook daar weer de opvolger van ds. Bieshaar, die tot Zendingsdirector was benoemd.
Waarom ging hij Utrecht uit ? Hij had het er toch zeer goed ? Hij zelf geeft geen antwoord op die vraag, maar toen 'n Hagenaar ds. Bieshaar eens vroeg wat dezen bewoog Utrecht te verlaten, terwijl hij er zulke volle kerken had en op de handen werd gedragen, antwoordde deze : „Juist daarom". Utrecht is voor een „in trek zijnden" predikant een zeer gevaarlijke gemeente. Wellicht heeft ds. van Dorp ook het meer nuchter den Haag ten slotte beter gevonden.
Hij vond in den Haag direct bekenden. Ik denk hier het meest aan ds. van Ravesloot, die even voor hem uit Driebergen was overgekomen ; een alleraardigst voorbeeld hoe predikanten van elkander afscheid nemende, soms weer heel dicht bij elkaar komen.
Over zijn Haagschen tijd te schrijven. zou niet heel welvoeglijk zijn. Slechts kan de gemeente dankbaar constateeren, dat van Dorp haar trouw bleef ondanks het zoo aanlokkelijk beroep dat in die jaren tusschen 1925 en 1931 Utrecht weer op hem uitbracht. Hij bleef, hoewel zijn positie als bondséénling in het Haagsche Ministerie wellicht niet zoo aanlokkelijk schijnt als die te Utrecht, waar het bondselement dikker vertegenwoordigd is.
Van Dorp is al die jaren zichzelf gebleven. Hij weet zelf heel goed, dat hij in alles wat afwijkt van de collega's. Zei hy niet, afscheid nemende te Rotterdam : „Velen uwer zullen mij wel eens te „steil" en te ouderwetsch hebben gevonden ? "
In heel veel kan men van van Dorp verschillen, maar niemand, hoeveel van hem verschillend, zal kunnen zeggen, dat wat hij bracht, niet geboren was uit overtuiging. Was hij voor anderen streng, hij is het voor zichzelf niet minder. Het „Hosanna" der menigte heeft hij nooit gezocht noch begeerd. Hij kent slechts één hartstocht : trouw te zijn aan zijn predikantsroeping naar de opvatting, die hij daarvan heeft. Welnu, daaraan is hij trouw gebleven en niemand zal het betwisten, dat hij een waardig representant is van de richting, welke hij in den Haag vertegenwoordigt.
K. S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's