De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

WARE VRIJHEID TOT HEILRIJKE DIENSTBAARHEID

16 minuten leestijd

Waarde Lezers.
De Heere deed en doet al Zijne werken tot een heerlijk doel. Dit is in en bij alles, opdat de Drieëenige God in alles verheerlijkt zal worden. Daartoe arbeidt Hij ook in en aan; al Zijn volk. Zij moeten ook vruchten voortbrengen, niet alleen hunner bekeering waardig, maar bovenal ook tot heerlijkheid Gods. Dit doet ons het Woord des Heeren duidelijk zien. Het is gebleken bij de discipelen van Christus, het is vooral uitgekomen bij dat „uitverkoren Vat", Paulus, die door den Heere bijzonder is gesteld om vrucht te dragen tot Zijne heerlijkheid.
Daarom kan Paulus ook o.m. de Kerk des Heeren opwekken, dat zij daartoe zich nu ook gesteld zouden weten, dat zij vruchten dragen zouden tot eere des Heeren.
En dit is voorzeker ook de levende begeerte, die al het volk des Heeren in zich mag omdragen.
De apostel onderricht hen daarvan in verschillende zijner brieven, vooral ook in het tekstwoord, dat wij willen nagaan.
„Maar nu van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven.
Romeinen 6 vers 22.
In dit woord vinden wij sprake Ie van Vrijheid, 2e van dienstbaarheid, 3e van heerlijkheid.
De apostel spreekt hier tot de geloovige Romeinen allereerst van vrijheid.
Vrijheid ! Welk een heerlijk woord is dat voor hen, die de beteekenis daarvan mochten leeren verstaan! Dit geldt op velerlei gebied. Wat heeft 't b.v. een waarde voor iemand, die lang zijn vrijheid heeft gemist. Welk een oogenblik moet dat zijn voor een gevangene, wanneer hem de deuren van zijn kerker worden geopend en hij ongehinderd naar buiten kan gaan om zijn vrijheid te hernemen.
Doch, om maar dadelijk op ons doel af te gaan, dat heeft vooral zijn waarde op geestelijk terrein. Welk een heerlijkheid is daarin gelegen voor den gebondene, die door geestelijke boeien en banden der zonde gebonden was. Welk een zalig, wijdverruimend oogenblik, als zulk een mag gaan uit de gevangenis, waarin hij of zij zich had gezien. Zóó immers wordt toch het leven in de zonde, in den natuurstaat, door het ontdekkend licht des Heiligen Geestes gekend.
Daarvan hadden ook deze geloovige Romeinen, aan wie Paulus schrijft, iets leeren kennen. En evenzoo leeren allen het, die tot des Heeren volk mogen worden gerekend.
En daar is nog iets bij, dat daaraan voor­afgaat.
Zij zijn gebonden door de zonde. Ja, maar van zichzelf, in den doodsstaat der zonde nog levende, bemerkten zij er niets van en meenden, als alle menschen van nature, dat zij vrij waren en niet ge­bonden. Wanneer de Heere daar oogen voor geeft, zien zij de boeien, waarmede zij door de zonde en in de macht van Satan en door de verleiding der wereld gebonden zijn. Zij kunnen zelve maar niet los komen van hun zonde, — hoe zeer zij het ook pogen. Daarbij leeren zij ook verstaan, dat dit niet alleen maar een betreurenswaardig feit is, waardoor zij eigenlijk diep te beklagen zijn, doch dat zij daardoor tevens, ja allermeest, zoo schuldig staan daarmede voor het aangezicht van een heilig en rechtvaardig God.
Het is nog hun eigen schuld, dat zij zoo in de strikken der zonde zijn geraakt en onder de macht van Satan. Moedwillig en vrijwillig hebben zij zich daaraan overgegeven, der dienstbaarheid der zonde onderworpen. Deswege schijnt 't hun dan ooit zulk een onmogelijkheid toe, dat zij van de banden daarvan zouden worden ontslagen. Daar blijkt hun een almachtige kracht toe noodig, dat deze zouden worden verbroken. Hoe zou zulk een op vrijheid kunnen hopen !
Doch wat zulk een onmogelijk toescheen, wordt waar gemaakt! En dat waar door ? Wel, doordien de Sterkere komt, Die den Sterke overweldigt om hem zijn prooi te ontrooven. Daar wordt zulk een gevangene vrijgemaakt! Maar hoe kan dat ? Moet dan niet geheel de schuld der zonde aan den rechtvaardigen Rechter worden voldaan ? Voorzeker ! Maar dit is nu het wonderlijke in deze zaak, dat eerst aan zulk een gebondene moet worden opgeklaard dat deze losprijs reeds lange is betaald geworden. Christus heeft dit gedaan, wijl Hij Zijn lichaam heeft laten verbreden en Zijn bloed heeft laten vloeien, wijl Hij zich voor hen in den dood heeft laten verbrijzelen. Zoo zijn zij „door den Zoon vrijgemaakt", verlost tot den prijs, niet van zilver of goud, maar van Zijn dierbaar hartebloed.
Dit hadden deze geloovige Romeinen leeren verstaan, toen Christus onder hen was gepredikt geworden en zij dit door 't geloof hadden leeren omhelzen.
Daarop wijst Paulus hen in zijn Romelnerbrief en vooral ook in dit zesde hoofdstuk.
Maar dat werd en wordt ook door allen verstaan, die door ditzelfde levende geloof op Christus en Zijn zoen-en kruisverdienste mogen leeren zien.
O, dan is er geen andere prijs toereikend en ook geen andere meer noodig, maar deze volkomen genoegzaam.
Zij, die dit mogen leeren verstaan, dat Christus zichzelven heeft gegeven en laten verbrijzelen, ook voor hen persoonlijk tot vergeving hunner zonden, worden, zoodra zij door het geloof dit mogen kennen, van hunne zonden vrijgemaakt.
Zij worden bevrijd van de schuld, van de straf hunner zonde. Zóó groot kon hun schuld niet wezen, of zij is voor den Heere weggedaan, Hij werpt haar achter Zijn rug, in de zee van eeuwige vergetelheid. Als een hemelhooge berg mocht deze schuld hunner zonde voor hen oprijzen, deze is dan als in één oogenblik geslecht.
Welk een scheiding maakte hunne ongerechtigheid tusschen den Heere en hen, — een eeuwig onoverbrugbare klove voor de gewaarwording hunner ziel, — en in één oogenblik gedempt door de gerechtigheid van Christus.
Daar komt thans een vlak veld tusschen hen en den Heere, een effen baan, waardoor Hij in Zijn gunst en liefde tot hen overkomt.
O, welk een zalige, heerlijk-verrassende ervaring is dat! Evenals eenmaal de Israëlieten in de woestijn, gebeten door de vurige slangen, ten doode wankelende, opzien moesten naar de opgerichte koperen slang, zoo moesten ook zij slechts opzien naar Hem, die Zichzelven aan het kruis heeft laten nagelen en in dien blik lag hun leven, hun eeuwig behoud.
Dit is het nu wat hun de vrijheid doet uitroepen, de dag der wrake Gods over al de vijanden, die hen gevangen hielden, — het jaar van het welbehagen des Heeren, dat hen in eeuwige vrijheid stelt.
Vrij gemaakt, van de zonde, haar schuld, haar straf, haar doemwaardigheid, vrijgemaakt voor eeuwig! Welk een vrijheid is dat ? ! Het is niet uit te spreken, wat dan wel wordt gevoeld, doorleefd en genoten !
De blijdschap is uitermate groot!
O, in welk een ruime sfeer der vrijheid mogen zij dan ademen ! Welk een wonder van verlossing maakt dat voor hen uit ! Hoe onschatbaar blijkt dat voorrecht, dat hun te beurt mocht vallen ! Daarvan moeten zij tot iedereen gewagen, als om hen blijde deelgenoot te maken van de vreugde, die hunne ziel vervult. En hoe gevoelen zij zich met heel de liefde van hun hart aangetrokken tot Hem, Die hen wilde vrijmaken, de Zoon des Vaders, Die in onbegrepen liefde zich zóó diep tot hen wilde neerbuigen ! Wat zullen zij Hem nu toebrengen. Die hen zóó uitnemend heeft liefgehad ? Zij zullen Hem verheerlijken, door Hem nu te dienen, zij willen Zijn dienstknechten en dienstmaagden zijn !
Maar dat is immers ook het doel, waartoe Hij hen kwam vrijmaken. Hij maakte ben niet vrij, opdat zij nu als bandeloos zouden zijn. Zij zijn uit de harde slavernij der zonde verlost, van een harden heer bevrijd, doch niet, opdat gij nu die vrijheid naar eigen willekeur zouden kunnen gebruiken.
Neen, dat leert de Heere hun wel anders en dat blijkt ook wel anders uit dit woord, dat Paulus den geloovigen Romeinen toevoegt. Hij schrijft toch.: Maar nu van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uw vrucht tot heiligmaking.
Menigeen heeft van de vrijheid een voorstelling alsof dit bandeloosheid zou beteekenen. Vooral ook in onzen tijd wordt het zoo door zeer velen gezien en voorgesteld. Men wil in onze dagen vrij zijn, zichzelf leven, vrij zijn van de machten, over ons gesteld, vrij zelfs van God.
Maar dit alles beteekent bandeloosheid en daardoor allerlei verwarring. En de vruchten daarvan zijn bitter, in velerlei ellende en jammer.
Doch ook in het geestelijke is de ware vrijheid geen bandeloosheid en tuchteloosheid. Vrijgemaakt van de zonde, is er bij de vrijgemaakten niet maar een lust om voortaan in bandeloosheid te leven. Integendeel, nu ontstaat de begeerte om niet enkel van de schuld en straf der zonde bevrijd te wezen, maar evenzoo ook van de smet en de verdorvenheid der zonde.
Daarvan onderwijst de apostel in dit 6e hoofdstuk den geloovigen Romeinen. Hij wekt hen op, wijl zij „nu Gode levende zijn in Christus Jezus", dat dan de zonde niet heersche in hun sterfelijk lichaam, dat zij zichzelven en hunne leden Gode dienstbaar zouden stellen. Zijn zij vrijgemaakt van de wet en gebracht onder de genade, zoo zijn zij vrijgemaakt van de zonde en daardoor dienstknechten gemaakt der gerechtigheid.
O, zeker, dat is geen dienen om loon, maar een dienen uit liefde, tot heerlijkheid Gods.
Zijn zij nu waarlijk daarin dienstbaar, dan kan het hun smarten aan hun hart, dat zij nog zoo dikwijls met het oude juk der dienstbaarheid worden bevangen. Daar klaagt dan zelfs een Paulus nog onder, dat als hij „het goede wil doen, het kwade hem bijligt".
Neen, dan staat het waarlijk niet goed met een in en door Christus vrijgemaakte, wanneer hij er vrede mee kan hebben als de oude overheerschers weer zoo trachten hun oude, verloren rechten te laten gelden. Want, helaas, dat gebeurt ook nog wel.
Het is zulk een heerlijk en waar kenmerk van een, die van de zonde werd vrijgemaakt, dat hij nu ook gaarne daarvan bevrijd wil blijven. Van de straf en de doemwaardigheid der zonde bevrijd te worden is een begeerte, die zelfs nog wel door een onveranderd, natuurlijk mensch kan gekoesterd worden, — het is wellicht een vrome wensch van vele godsdienstige menschen. Maar de ware, levende begeerte van allen, die waarlijk den Heere toebehooren en vreezen, is om indien het mogelijk ware van de zonde zelve bevrijd te wezen. Zij verkrijgen de vrijmaking in Christus niet als een oorzaak om in een anderen zin dan voorheen „naar 't vleesch te leven". Daarom leeren zij vragen naar wat „de goede en welbehagelijke en volmaakte wille Gods zij". Daarom zijn zij telkens weer al zoo in den strijd tusschen vleesch en Geest gewikkeld. Daarom kunnen zij nog zoo menigmaal in droefheid hun weg vervolgen, terwijl zij tot blijdschap geroepen zijn.
„Zonder heiligmaking zal niemand den Heere zien", is het parool in hun strijd. Daarom zoeken zij anderzijds „hun zaligheid te werken met vreeze en beven", hoewel zij weten, „dat het God is. Die in hen werkt, beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen". Daarom „benaarstigen zij zich om hun roeping en verkiezing vast te maken, opdat zij nimmermeer zouden struikelen". Daarom zoeken zij „vast te staan in den Heere en in de sterkte Zijner macht".
Daarop wijst Paulus in dit tekstwoord : „Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uw vrucht tot heiligmaking". Het is waar, zelf jaagt hij er ook naar, of hij het ook grijpen mocht, daar hij de volmaaktheid bij zich niet vindt. Zelf voelt hij altijd een andere wet in zijne leden, die strijd voert tegen de wet zijns gemoeds. De oude mensch strijdt immer tegen den nieuwe, die door de wedergeboorte in hem is ontstaan. Hij kan 't niet nalaten dit anderen voor te houden en zoude wel willen, dat anderen daarin zijn navolgers waren.
Hiervoor, opdat zij zouden leeren verstaan dat deze vrucht, die bij hen gezien moet worden, nu ook door hen zoude verkregen worden, zooals hij die ook zelve verkrijgen mocht.
Wat hem voorgesteld is, kan hij zelf ook niet bereiken, maar nu wordt hem die vrucht geschonken, in hem gewerkt en dat uit de volheid van Christus en den rijkdom van Zijne aangebrachte Borggerechtigheid.
Het is niet zijn bedoeling, dat zij thans vruchten zouden voortbrengen uit zichzelf, zoodat zij door Christus gerechtvaardigd zouden worden en uit zichzelf zouden worden geheiligd, maar opdat zij alles uit Hem verkrijgen en zóó ervaren zouden : „Uwe vrucht is uit Mij gevonden".
Ziet, dan weet de apostel het, dat zijn levensbeginsel altijd te vinden is in de levensvolheid van Christus, Die hem ook ten deze toeroept: Mijne genade is u genoeg, en Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht. Dan leert hij "leven uit Hem, zoodat hij ook anderen kan onderwijzen : Gelijk gij dan Christus Jezus den Heere hebt aangenomen, wandelt alzóó in Hem.
Evenwel, zoo bezien bevat zijn woord niet enkel onderwijzing tot opscherping, tot aansporing, tot verwakkering, maar mag het ook worden aangemerkt als een woord van rijke belofte en van heerlijke hope.
Zoo bezien, letten wij er ten slotte op, dat dit tekstwoord ook spreekt van heerlijkheid.
Dat toch is het einde en de verwachting van allen, die door Christus van de zonde werden vrijgemaakt, waarvan de apostel ten laatste schrijft: en het einde het eeuwige leven.
Wilt gij weten, waarom dit zulk een heerlijkheid voor hen uitmaakt, waar naar zij zoo heilbegeerig uitzien ? Omdat die heerlijkheid voor hen zal inhouden eeuwige vrijheid.
O, eenmaal volkomen vrij te wezen van alles wat hen hier nog zoo menigmaal ten onder houdt, doet hen veelszins verlangend zuchten.
Dit was 't, waarom Paulus o.m. wenschte „ontbonden te wezen en met Christus te zijn".
Niet, omdat hij de lasten van zijn taak en van zijn leven moede was. Wel neen, want dan mocht hij immers zien tot welk een zegen hij werd gesteld, om zondaren tot Christus te mogen brengen en hen te winnen tot hun eeuwig heil.
Doch, hier nog zoo gedurig bemoeilijkt te worden door de zonde, die nog in hem woonde, dat deed hem naar die heerlijkheid der eeuwige vrijheid uitzien. Daar mocht hij op zien, als op den prijs die in de loopbaan hem voorgesteld werd. Daartoe liep hij, daartoe streed hij, niet als op het onzekere. Daartoe „jaagde hij, als naar het wit van den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus". Hiertoe wekte hij al zijn „heilige broeders" op, dat ook zij „waardiglijk het Evangelie van Christus mochten wandelen", „de vrijheid niet gebruikende als een dekmantel voor het vleesch". Hierom drong hij hen aan om door den Geest van Christus te leven en die vruchten des Geestes voort te mogen brengen, die tot heerlijkheid des Heeren strekken en die hen zelve tot versterking dienen, daar zij dan uit de vruchten „des eeuwigen levens verzekerd" mogen wezen.
En nu zal dit ook voor al Gods kinderen de heerlijkheid van het eeuwige leven uitmaken, dat zij vrij zullen zijn van de zonde in al hare gevolgen. Dit maakte hun matelooze ellende uit, dat zij in de zonde waren gevallen, waardoor zij gescheiden van God leefden. Zij hebben daarover leeren weenen en zuchten, klagen en jammerend uitroepen : „O, wee nu onzer, dat wij zóó gezondigd hebben". Zij leerden de zonde haten en vlieden, zij worstelden om aan haar tyrannieke macht te ontkomen. Zij leerden hun schuld voor den Heere erkennen en Zijn recht billijken. Zij gevoelden hun totale verlorenheid in en door de zonde en zagen naar verlossing uit, hoewel hun deze gansch onmogelijk scheen. En waar hun dat nu in en door Christus om Zijn zoen-en kruisverdiensten, Zijn verworven gerechtigheid, ten deel mocht vallen, zij zoo door Hem werden vrijgemaakt, — hoe zou het thans ook anders kunnen dan dat zij nu ook begeeren voor altijd van haar bevrijd te wezen ?
Zou dat, wat hun een last is geworden, hun nu weer een lust kunnen of ook mogen zijn ?
Helaas, nog veel te vaak vallen en struikelen zij daarin weder, maar daarin weer leven, weer geheel opgaan, neen, dat kunnen, dat mogen zij toch niet.
|Vallen en struikelen zij nog gedurig, zoo moeten zij steeds weer met schuld belijden in ootmoed voor den Heere verschijnen. Zij moeten telkens hun „wegen onderzoeken en doorzoeken en wederkeeren tot den Heere".
Wel mogen zij gedurig weer die groote en rijke genade Gods ondervinden, dat „Hij menigvuldiglijk vergeeft". Dat wekt steeds weer nieuwe begeerte, heilig verlangen om uit en voor Hem te leven en te wandelen in waarheid en oprechtheid.
Wijl zij intusschen gewaar worden welk een stukwerk het hier blijft, dat „de allerheiligsten in dit leven maar een klein beginsel (begin, aanvang) hebben van deze ware gehoorzaamheid", daar is bij wijle hun begeerte zoo sterk om uit dit lichaam der zonde uit te wonen en bij den Heere in te wonen.
Hiertoe worden zij niet zelden in diepe beproevings-en drukwegen geleid om dit aardsche leven af te sterven, daar 't hier niet anders is dan „een gestadige dood", wijl het vleesch met al zijn begeerlijkheden gekruisigd moet worden. Welk een pijnlijke slagen zijn hun daartoe soms noodig !
Neen, de Heere spaart hun vleesch niet, als het moet! En, — wonderlijk genoeg — toch krijgen zij daar dan vrede mede. Als zij er maar oog voor mogen hebben, dat de Heere hen „kastijdt tot hun nut, opdat zij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden".
Ja, dan wordt het hun zelfs wel eens een voorrecht, dat de Heer e hen daardoor op de hun passende plaats wil brengen, aan Zijne voeten in ware verootmoediging, waar het hun goed en zalig te verkeeren is.
't Is hun dan een wonder, dat Hij niet ophoudt met hen, — wat zij erkennen te verdienen —, maar immer voortgaat i n en aan hen te arbeiden, tot hun eeuwig heil.
Want die weg der heiligmaking, der vernieuwing des levens, houdt hier beneden nooit op. Onze tekst zegt daarvan, dat het einde is, het eeuwige leven. Dit is het doel en tegelijk ook met den ingang in dat eeuwig leven is het einde van den weg der heiligmaking bereikt. Dan is het doel des Heeren met hen volkomen bereikt. Dan ontvangen zij de kroon der overwinning, de volle genieting van het eeuwige leven in storelooze zaligheid. En dat niet als een loon uit verdienste, maar uit enkel genade, de vrucht van het volbrachte werk van Christus, dat Hij voor hen heeft verworven en in hen door Zijn Heiligen Geest heeft gewrocht.
Waarde Lezers, kent gij iets van dien weg en van dat leven, waarin „ware vrijheid tot heilrijke dienstbaarheid" wordt ervaren ?
Zonder dat, in meerdere of mindere mate, in waarheid gezocht en gekend, is het einde de eeuwige dood, de eeuwige rampzaligheid,
„En zoovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelven zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods".

Groot-Ammers.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's