JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Of heeft Feith gelijk, die van het leven een comediestuk maakt en zegt:
Het menschelijk geslacht valt toch als blaadren af.
Wij worden en vergaan; de wieg grenst aan het graf.
Hier tusschen speelt een droom, een treurspel voor het harte,
De smart wijkt voor de vreugd, de vreugd wijkt voor de smarte.
De koning klimt ten troon, de slaaf bukt voor hem neer,
De dood blaast op het spel, en — beiden zijn niet meer ?
Had Voltaire niet gelijk toen hij schreef : „onze maatschappij schijnt mij eer eene verzameling van lijken dan van menschen.
Ik wenschte dat ik nooit geboren ware ? " Of Hume, in het woord : „Ik voel mij als iemand wiens boot op rotsen en drijfzand stiet, en toch leef ik onder den dwang van opnieuw met hetzelfde lekke en wrakke vaartuig naar zee te stevenen ? " Is het Boeddhistisch spreekwoord waar : „slapen is beter dan waken; sterven is beter dan slapen ; het beste is nooit geboren te zijn? " Of zou Socrates achter het geheim van het leven geweest zijn toen hij uitriep : „neen, mijne ziel, wordt niet vernietigd, die God heeft bestemd voor een edel verblijf, om zoo Hij wil terstond tot Hem te komen ? " Moet hy met Cicero gelooven aan het voort leven der zielen ? Heeft het leven hier beneden alleen beteekenis met het oog op hetgeen er achter ligt, en zoo ja, wie is dan de Rechter die beslist?
God?
Maar wie is God en waar is Hij, en hóe is Hij, en van waar is Hij, en vóór wien is Hij God?
Is er één God of zijn er meer goden ?
Is de God der Christenen God, of die der Joden, of die der Mohamedanen, of die der Chineezen, of die der andere heidensche volkeren ?
En indien der Christenen, welke Christenen dan ? De Katholieken of de Prote stanten, en wie van deze laatste ? Want, al trekt hij zich niet veel van deze dingen aan, al heeft het menigmaal niets anders dan verbittering en spotlust by hem opgewekt, zoo weet hij toch wel hoe hopeloos verdeeld zelfs de belijdende Christenen zijn.
Heeft hij niet ergens bij. Plato gelezen : „het is zoo moeilijk den Vader van 't heelal te vinden? " .En heeft Sophocles, een van Griekenlands dichters, niet gezongen :
Als niet de goden zélf het Goddelijke ontvouwen
Doorzoek dan vrij het heelal — gij zult het niet doorgronden ?
Ach, wat een vragen en — wie geeft aan Jonker van Sterrenburgh het antwoord 't welk hem bevredigt ?
Want er is nog meer. Indien er één God is. Die alles regeert, heel het planetenstelsel, alle leven, de eeuwen door, de eeuwigheid lang ; hoe kan die God dan zoo handelen gelijk Hij doet ?
Wat is Hij dan, een despoot, een dwingeland, een cesar, een wispelturig en grillig souverein, voor alles gevoelloos als de phinx, die met ijzige kilte de eindelooze zandzee inblikt, of is Hij een Heilige, een eedere, een Ontfermer, — een Heiland (o zoete naam !) die zelfs den Vadernaam aanneemt van Zijne kinderen en Die de wereld lief heeft, déze wereld lief heeft, deze liefdelooze wereld zóó lief heeft, alsof zy het gansche heelal ware en terwille dier wereld zooals de bijbel het zegt, Zich zelven geeft in Zijnen Zoon ? Maar is dat laatste niet te dwaas om aan te nemen ?
Zoo peinst hij al maar door.
Wat is deze aarde anders dan een stipje, een speldeknop in het maatloos heelal, en wat is elk menschenkind afzonderlijk anders dan een handvol stof ?
En ter wille van zulk een nietig mensch zou dan heel het planetenstelsel zijn, desnoods gewijzigd worden ?
Hoe moet hij met het bestaan van zulk een God de aanwezigheid rijmen van zooveel onrecht en goddeloosheid en gemeenheid en lijden en gruwel ?
Heeft Schopenhauer ergens niet gezegd : „wanneer een God de wereld heeft geschapen, zou ik niet gaarne die God zijn; hare ellende zou my het hart breken."
"'t'Gansche heelal is vól strijd. Deze wereld is gedrenkt met het bloed en de tranen iharer bewoners. In het dierenrijk, en onder . de menschen niet minder, is er eene voort-I durende worsteling tusschen den zwakke en den sterke, den kleine en den groote, waarbij de mindere het altijd tegen den meerdere moet verliezen. Een worsteling om het leven, 't welk geboren wordt, om na langeren of fcorteren tijd van groei en bloei, misschien van vrucht dragen weer te verdwijnen en dan nooit weer te keeren, althans niet in den vorm en in de gestalte waarin het heen ging.
Hoe kan dat nu bestaan als er een almachtig, heilig, rechtvaardig God is ?
En dan al dat lijden, aan die worsteling om het leven gepaard. Die krankheid, die pijn, die armoede, die lichamelijke en geestelijke verwringing en verwoesting en verwildering. Dat zedelijk bederf, die dierlijke hartstocht met al hare gevolgen, die brandende lust naar datgene het welk doodt en verteert, elk, die er zich aan waagt.
Bovenal, die zwarte, koude, afschuwelijke dood ! Dat neerzinken in het stof, dat gelijk worden aan de aarde, dat „begraven" worden met al het verschrikkelijke in dat enkele woord samengevat. Vanwaar en waarom dat alles ?
Waarom moest zijn rijk en veelbelovend leven verwoest worden, doordat alles, wat hem op aarde lief was, hem ontnomen werd?
Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's