De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

17 minuten leestijd

Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus, door welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld. Galaten 6 vers 14.

uw EENIGE ROEM.
De Geest der waarheid leert ons door dit Schriftwoord, dat er voor den zondaar op zijn reis naar de eeuwigheid slechts één roemen kan zijn, waarmede hij niet beschaamd uitkomt; en dat is het roemen in het kruis van onzen Heere Jezus Christus. De apostel Paulus is hier de mond van wat er door Gods genade leeft in het hart van al het geloovige volk.
Hier dreunt de grondtoon van allen geloof s jubel, die er de eeuwen door uit de gemeente van Christus opstijgt tot den eeuwigen God en Vader, die door den Heiligen Geest uit vrije genade het hart van een door de zonde en misdaden gestorven volk opent voor de gave Zijns eeniggeboren Zoons, die eenmaal voor de zonde stierf aan het kruis en den dood overwonnen hebbende, nu bij den Vader in den hemel voor hen bidt, hunne namen dragende op Zijn Middelaarshart.
Op het kruis van den Christus Gods staart alle ziel, die zich voor het heilig oog des
Heeren met zonden bevlekt zag, wijl dat kruis alleen bedekking geven kan. In treffende overeenstemming hiermede is het en toch weer vanzelfsprekend, als de opstellers van den zoo gezegenden Catechismus hun onderwijs inzetten met de jubelende woorden over den eenigen troost, beide in leven en in sterven. Het uitgangspunt is niet anders dan een roemen in het kruis van onzen Heere Jezus Christus, als het heet, dat die eenige troost hierin bestaat : „dat ik niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die met Zijn dierbaar bloed voor al mijne zonden volkomen heeft betaald.
Zalig is het volk, dat dit geklank kent en dezen roem verstaat. Want alle andere roem is ijdel, als hij niet samenhangt en geworteld is in dezen eenigen roem. Nu is het den mensch eigen om te roemen. De menschheid is vol van roemen. Aan het roemen is geen einde. Maar hoe zou het roemen van den mensch in opzicht van zijn eeuwig lot echt kunnen zijn, sinds hij door den val onzer eerste voorouders in 't Paradijs van zijn Schepper is vervreemd en in de duisternis der zonde en den dienst des vleesches ligt verzonken ? En toch, de zondaar — en dat is juist de zonde — roemt in zich zelve en geeft zich zelf altijd de eer, ook dan, wanneer hij in God wil roemen, want hij maakt zich een god naar het goeddunken van zijn eigen hart, wien hij door de voortreffelijkheid zijner deugden gelooft te behagen, en verwerpt de kennis van den eenigen waarachtigen God, die zich in Zijn Woord heeft geopenbaard, dien niemand kan zien en leven, want Hij is te rein van oogen dan dat Hij het kwade zou kunnen aanschouwen.
En nu is de mensch geschapen om te roemen. Dat is zijn roeping als profeet; maar dan ook alleen een roemen in zijn Schepper, dien de mensch als beelddrager Gods kende. Ook in het Paradijs was alle roem in het schepsel, dus ook in zich zelf, uitgesloten, want de mensch is door zijn Schepper geformeerd ; ook toen gold het, dat het alles ontvangen goed was ; en de deugd van al de deugden, die de beelddrager Gods bezat, was, dat hij enkel en alleen in zijn God zou roemen, wiens deugden de mensch over de gansche schepping zag verspreid.
Maar Adam heeft zich zelf en al zijn nakomelingen van die gave beroofd en de mensch is nu zoo verdorven van verstand en hart, dat hij meent rijk en verrijkt te zijn en aan geen ding gebrek te hebben, en hij weet niet, dat hij is ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt.
Ziehier de groote zonde en de ontzaglijke schuld van al wat zondaar heet, dat het in zijn ijdelen waan in alles roemt, behalve in God. Maar de Eenige en Drieëenige God geeft Zijn eer aan geen ander. Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Alle ding heeft Hij gemaakt, opdat het Hem verheerlijken zou, en den mensch, opdat hij Hem kennen en dienen en loven en prijzen zou, en Hem dé eer van al Zijne werken geven. Gods Raad zal bestaan. Hij zal Zijn eer in de gansche schepping doen blinken, in de betooning Zijner wrekende gerechtigheid over allen, die Hem niet hebben willen eeren eenerzijds, maar bovenal in de betooning Zijner barmhartigheid en genade anderzijds, en dat over een volk, dat naar Hem niet vraagde, maar dat Hij wederbaart en roept, opdat het Hem zou kennen en aanroepen als zijn God en Vader door het evangelie des kruises, van het Lam Gods, dat geslacht is om de zonden der wereld weg te nemen. Dat volk, waarover dat licht schijnt, verleert het roemen in den mensch hoe langer hoe meer, want het kruis spreekt een vernietigend oordeel over den zondaar, maar toont den boeteling tevens den rijkdom der genade Gods door het bloed van het vleeschgeworden Woord.
En zoo wordt geboren de roem in het kruis van onzen Heere Jezus Christus, die niet ijdel is, die alle andere roem doet versmelten. Door dat volk wordt Paulus verstaan en moet hij steeds dieper verstaan worden, wanneer hij zegt zich voor allen anderen roem te zullen wachten, want het moet verre van hem zijn anders te roemen dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus. Zoo zullen de gekenden wederom roemen in hun God en kunnen het niet nalaten omdat al de goedheid en de barmhartigheid des Vaders hun toevloeit door het kruis van den dierbaren Zoon. Het kruis van onzen Heere Jezus Christus is de roem van al Gods volk, want daaraan alleen hangt de erfenis in het Koninkrijk van Christus en van God. Eeuwige zaligheid en heerlijkheid voor allen die gelooven in Jezus Christus, die zichzelven heeft vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood ja den dood des kruises.
Paulus is het, die hier zoo schoon den eenigen roem vertolkt, waarvan de mond en het hart van alle geloovigen vol moet zijn, terwijl alle andere roem verre moet zijn. „Het zij verre van mij, dat ik anders zou roemen dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus", zoo schrijft hij met name aan de Galatiërs, die door dwaalleeraars verleid dreigden te worden tot een anderen roem, door o.a. de besnijdenis als een noodzakelijke voorwaarde tot de zaligheid te stellen.
Met al de kracht die in hem is, komt hij daartegen in verzet en tracht dien ijdelen roem met wortel en tak uit te snijden, opdat de ingang tot het Koninkrijk Gods door het kruis van Christus er niet door versperd worde. Hij haat allen anderen roem, omdat het den glans der genade, die van het kruis van Christus afstraalt, verdonkert en de eere Gods te kort doet. Hij noemt het een betoovering en de Galatiërs uitzinnig, wanneer het waar is, dat zij der waarheid niet meer gehoorzaam zijn, nadat Jezus Christus hun voor de oogen te voren geschilderd is geweest, onder hen gekruist zijnde. Indien iemand, dan is het de geloofsheld Paulus geweest, die vooral door zijn leven getoond heeft een diepen afkeer gehad te hebben tegen alles wat zich naast het kruis wilde plaatsen als grond der zaligheid, om daarin te roemen. Als hij het gewild had, zou hij in vele dingen hebben kunnen roemen, omdat hij in vergelijking met zijn medemenschen en tijdgenooten buitengewoon bevoorrecht was. Als een mensch zonder het kruis van Christus zou kunnen zalig worden, dan zou het met hem wel zoo zijn geweest. Hij wijst er zelf op, als hij schrijft, dat hij van goede geboorte was, afkomstig uit een niet onvermaarde stad en 't Romeinsche burgerrecht bezat; daarenboven was hij een zoon van Abraham, behoorende tot het uitverkoren volk, dat de aanneming tot kinderen had, en de Godsverschijningen, de verbonden en de beloften, de Wet en den tempeldienst; hij was een nakomeling van Benjamin, een Hebreër uit de Hebreen. Hij had het voorrecht gehad te Jeruzalem onderwezen te zijn aan de voeten van den beroemden wetgeleerde Gamaliel en hij was een Farizeër, die op de nauwgezetste wijze leefde en overtrof in ijver voor de wet velen van zijn geslacht. In deze dingen heeft hij ook eens zijn eer gesteld en de gunst en de achting verworven van de invloedrijksten zijns volks en had alle kans een groot man te worden. Maar in al die dingen wil hij niet roemen en mag hij niet roemen, en voor zoover zij hem er toe zouden kunnen verlokken er roem op te dragen, acht hij ze als schade en drek te zijn, want hij rekent zich zelf met ai die voorrechten den grootste der zondaren, omdat hij toen een vervolger en een lasteraar van den Zoon Gods, den waarachtigen Messias, was, die de zonden Zijns volks aan het kruis heeft gedragen, ook de zijne, en die opgewekt tot rechtvaardigmaking een Naam heeft ontvangen boven allen naam. Sinds die Christus ook hem verschenen is, en hem in barmhartigheid heeft aangenomen, is zijn roem op iets van wat aan hem zelf was, volkomen gebroken en verfoeid.
Het zij verre van hem, dat hij anders zou roemen dan in 't kruis van Jezus Christus.
En nu mag hij bovendien een dienaar van dien dierbaren Heiland zijn, een apostel naast de anderen; want Hij heeft hem gesteld tot een uitverkoren vat om Zijn Naam te dragen voor heidenen en koningen en de kinderen Israels. En dat is voor hem de grootste eer en in zijn dienst heeft hij niet achtergestaan bij de andere apostelen, maar hij mag zelfs, zonder dat eenige hoogmoed er hem toe drijft, echter enkel uit noodzaak om zijn plaats als apostel te verdedigen tegenover hen, die hem niet voor volwaardig wilden houden, verklaren, dat hij overvloediger gearbeid heeft voor den Naam en de zaak van Christus en er meer voor geleden heeft dan zij allen. Maar hierin roemt hij niet. En hij laat er zich evenmin op voorstaan, wanneer hij 't, zichzelf bedoelende, heeft over iemand, een mensch in Christus (of het geschied is in het lichaam, weet hij niet, of buiten het lichaam, weet hij niet. God weet het) dat de zoodanige opgetrokken is geweest tot in den derden hemel, dat hij opgetrokken is geweest in het Paradijs en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mensch niet geoorloofd is te spreken, O ja, dit zijn zeer heerlijke bevindingen en krachtige bewijzen van zijn kindschap en apostelschap, en hij zou zeer ondankbaar geweest zijn, als hij deze dingen niet op hoogen prijs had gesteld. Hij mag ze als waardevolle voorrechten achten, die hij nimmer zal hebben vergeten, maar in deze dingen te roemen is verre van hem. Zij zijn hem niet de oorzaak van de hope der zaligheid, die in hem is en zij zouden hem nimmer ten deel zijn gevallen en zij zouden hem ook niet kunnen baten, als de verheerlijkte Christus zich zelf niet aan hem geschonken had, die Christus, dien hij vervolgd heeft, en als Zijn Geest hem niet bekwaamd had de verlossing door het kruis te onderscheiden en door een oprecht geloof persoonlijk toe te eigenen. Hij weet, dat Jezus Christus het handschrift zijner zonde en schuld aan het kruis heeft gehecht. En nu heeft hij vervolgens nog menig blijk daarvan mogen ontvangen, uitnemende openbaringen en gedurige ondersteuningen en uitreddingen bij de moeiten en teleurstellingen en gevaren in den arbeid van het evangelie onder de volken en bovenal de rijke vruchten op dien arbeid. Maar ook zonder deze blijken was hem het geloof in het kruis van Christus, dat den Jood een ergernis is en den Griek een dwaasheid, den eenigen en genoegzamen troost in leven en in sterven. En zonder dit kruis zouden al deze heerlijke dingen hem uit de hand zijn gevallen en zou hij verloren hebben moeten gaan met al degenen, die gezondigd hebben. Vandaar dat hij zich door de uitnemendheid der openbaringen niet verheft en wanneer de zonde, die ook. hem nog aankleeft — want hij is immers een ellendig mensch — hem er al toe zou hebben kunnen brengen, is de Heere Zelf hem hierin op een voor het vleesch onaangename wijze tegengekomen, gelijk hij geschreven heeft „opdat ik mij daarop niet zoude verheffen, is mij gegeven een scherpe doorn in het vleesch, n.l. een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zoude, opdat ik mij niet zoude verheffen".
Zoo moest het dan blijven met den apostel : „het zij verre van mij, dat ik anders zou roemen dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus".
Vorige week namen wij in onze persrubriek een artikel uit „Het Vaderland" over ds. Van Dorp over. Plan was het portret van Z.Eerw., dat ons was toegezegd, er bij te plaatsen. Door ons; onbekende omstandigheden bereikte ons het cliché echter pas na het verzenden van ons vorig nummer.
Nu het toch in ons bezit is, meenen we er onzen lezers een genoegen mee te doen het nog te plaatsen.
Een ieder kind van God zij dan ook waakzaam om nimmer af te wijken van dezen regel en bidde om de genade des Heiligen Geestes om alle zucht tot roemen te overwinnen, waardoor de verlossing door het kruis in de schaduw zou komen te staan. O ja, het zijn bijzondere voorrechten, als een kind des Heeren ondervonden heeft dat God een hoorder der gebeden is en in het leven gedurig mag ervaren, dat niet beschaamd wordt die op Hem betrouwt. De Heere verheerlijkt zich er door.
Het is zaligheid en een hoogst begeerlijke genade, als de ziel op kennelijke wijze de gemeenschap des Heeren mag smaken of een teekefi ten goede mag ontvangen in bange zielsworsteling. De Heere is een belooner dergenen, die Hem zoelsen. Maar dat het hart er dan verre vandaan zij hierop zich te gaan verheffen. Men spreke er alleen van op een wijze, dat God er door verheerlijkt worde en de zaligheid van den naaste er door bevorderd worde en geve nimmer voet aan de misleidende en verderfelijke dwaling, dat alleen zalig kan worden die in gelijke mate van dergelijke ervaringen kan getuigen. Men vergete niet, dat er op dit gebied veel onechts en zelfbedrog kan bestaan en dat zelfs een wondergeloof op zich zelf nog geen waar zaligmakend geloof is. En tevens heeft een ieder kind van God in verband met het hoogmoedige ik, er zich voor te hoeden zich niet op deze dingen te gaan verheffen boven zijn medebroeders en zusters, opdat hij daardoor bijzonder de aandacht op zich zou vestigen en door de menschen verheerlijkt zou worden. Dat niemand ooit vergete, dat Jezus Christus alleen doordat Hij Zijn leven voor Zijn schapen heeft gesteld, ze in de veilige schaapskooi kan brengen. Roemende alleen in het kruis van onzen Heere Jezus Christus, verkeert Gods kind in de juiste geloofsgestalte, want hiermede gaat gepaard een ootmoedig hart, een diep besef van eigen onwaardigheid en hooge waardeering van den grooten Borg en een haten van alles wat Hem onteert. Er is niets heilzamers voor het christelijk leven dan alleen te roemen in het kruis van onzen Heere Jezus Christus. Dit roemen is niet ijdel. Het is de voorwaarde van een godzaligen wandel, hetwelk blijkt uit wat Paulus op zijn eenig roemen in het kruis van Christus laat volgen, n.l. „door welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld".
Dat is dus de vrucht en de uitwerking van het alleen roemen in het kruis, dat de wereld nu voor hem gekruisigd is en hij voor de wereld. Zoo moet het zijn. Zoo blijkt het evangelie des kruises een kracht tot zaligheid te zijn een iegelijk die gelooft. Voor allen die uit de duisternis in het wonderbaar licht des kruises zijn overgezet, is de wereld in beginsel gekruisigd. Roemende in het kruis, verliest de wereld met al haar begeerlijkheden, menschenverheerlijking, ijdele eer en valschen vrede, haar betooverenden invloed. Dan moet die wereld der zonde als veroordeeld, vervloekt en verfoeid, sterven. Dan moet die wereld aan het kruis in ons en buiten ons. Dan wordt de dienst des vleesches afgezworen en begint de worsteling tusschen Geest en vleesch, want de Naam des Heeren moet eeuwig eer ontvangen. Zoo was het met Paulus gegaan. Dat kruis heeft hem gemaakt tot een held in de zelfverloochening en de wereldverzaking, want het heeft hem allen smaad en gevaar des doods van hare zijde met blijdschap doen dragen. Zonder dat kruis zou hij bezweken zijn voor haar smaadheden, geeselslagen, gevangenissen, maar ook voor de verleidingen, waarmede de wereld tot hem kwam. Met allerlei verzoekingen kwam zij tot hem, zelfs in de gemeenten, die hij had gesticht. Wanneer hij minder geroemd had in het kruis en den vromen mensch meer had behaagd, zou hij aangename rust gehad hebben naar het vleesch. Als hij gewild had, zou hij roem en eer hebben kunnen oogsten. Hij had slechts een weinig toe te geven aan den zin der wereld. Maar den Heere Jezus Christus kan hij niet missen voor al de schatten van de geheele wereld. Hij wil niets anders weten dan Jezus Christus en die gekruist en hij hijgt naar den triomf van het kruis over die wereld. Zij is hem gekruisigd.
Maar ook omgekeerd is hij nu der wereld gekruisigd. Dat heeft hij ondervonden. Omdat hij in het kruis alleen roemt, wil de wereld ook zijn dood, haat zij hem ten doode toe. Hij heeft de wereld verworpen, maar de wereld heeft ook hem op haar beurt verworpen.
Het is begonnen bij zijn volk en maagschap. Als een bedorven lid wordt hij van zijn volk afgesneden. Eerst geacht om zijn ijver voor de wet, maar terstond veracht om zijn ijver voor het kruis. Hij moet sterven en woedend schreeuwt men het uit : „Weg van de aarde met zulk een ! want het is niet behoorlijk dat hij leve !" En de belooning van de wereld der heidenen, uitgezonderd degenen, wier hart door God geopend werd, was niet anders dan hooghartige onverschilligheid en grievende spot en ten slotte gevangenis en het zwaard. Zoo gaat het echter in het wezen der zaak met alle echte Christenen. Die zoo roemt in het kruis als Paulus, waarbij alle andere roem is uitgesloten, zal tegenstand en vijandschap ondervinden van de zijde van het ongeloof, want de wereld geeft zich niet gewonnen aan haar grootsten vijand, den gekruisten Christus. Zij blijft Hem smaden en vervolgen in al de Zijnen. Maar zalig zijt gij, mijn lezer, indien zij u smaden en vervolgen en liegende alle kwaad tegen u spreken om Zijnentwil. En zalig zijt gij, als die wereld met haar goddelooze genietingen u gekruisigd is om de wille van het kruis van onzen Heere Jezus Christus. Uw loon zal groot zijn in den hemel, als gij in diepe afhankelijkheid van den Heere alleen roemende in het kruis van Christus, den smallen weg, die ten leven leidt, bewandelt. De kracht daartoe is een biddend opzien tot den gekruisten Heiland. En zoo zult gij eenmaal mogen^ instemmen met de engelen rondom den troon en de dieren en de ouderlingen, zeggende : Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging. En alle schepsel dat in den hemel is en op de aarde en die in de zee zijn en alles wat daarin is, zegt: Hem die op den troon zit en het Lam, zij de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. (Openb. 5). Maar eeuwig buiten zullen zijn de honden en de toovenaars en de hoereerders en de doodslagers en de afgodendienaars en een iegelijk die de leugen liefheeft en doet (Openb. 22) ; dus die de waarheid van het kruis hebben gehaat, omdat zij daarin niet hebben willen roemen.
De Heere geve, dat onze éénige roem zij : het kruis van onzen Heere Jezus Christus. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 september 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 september 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's