KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE RADIO.
We kunnen best begrijpen, dat er menschen zijn die tegen de Radio zich verklaren en die als advies doen hooren : neem geen radio in huis.
Alle nieuwe dingen hebben uitgelokt bestrijding
Toen wij nog jong predikant waren vond de fiets nog al bestrijding. En een Ledeboeriaansch vrouwtje, dat nu in den hemel deelt in de vreugde des Heeren, verklaarde zeer beslist, dat de fiets „uit den duivel" was. Haar argumentatie was ('t ging niet tegen - ons persoonlijk, want wij hebben 't nooit zoo ver gebracht, dat we op de fiets kunnen zitten) dat „een ding, dat niet eens staan kan, iets van de zwarte kunst moet zijn".
Toen wij een paar jaar geleden een paar weken op de Veluwe logeerden, zagen we mannen en vrouwen 's Zondags naar de kerk gaan op de fiets en heusch niet alleen naar de Hervormde Kerk, maar ook naar de Oud-Gereformeerde Kerk.
Wij gelooven niet, dat er nu iemand meer is, die zegt, dat de fiets uit den duivel is en iets van de zwarte kunst.
Of er met de fiets niet veel kwaad gedaan wordt ?
O, zeker ! als we daaraan denken, dat er heel veel verkeerds gedaan wordt, mee door de fiets, zoowel op door-de-weeksche dagen als op den Zondag, dan moet ons dat bedroeven. En ieder heeft voor zich zelf en voor z'n gezin wèl toe te zien.
Het gebruik van de fiets kan goed en kan verkeerd zijn. En waar zij eensdeels zoovele dingen makkelijker en mogelijk maakt ten goede, maakt zij ook anderzijds het leven veel bewegelijker en drukker en gejaagder, den weg naar het kvwade gemakkelijker makend.
Neem de boekdrukkunst. Wat een zegen — wat een vloek tegelijk.
Wat is er door de boekdrukkunst veel goeds gebracht onder jongen en ouden, over heel de wereld, op elk terrein van wetenschap, op het terrein van de kunst tot ontwikkeling, niet het minst om te verspreiden Gods Woord en christelijke lectuur.
Maar tegelijk — wat komt er in woord en beeld óók veel van de pers en onder het. volk, dat slecht is; dat zonde is en tot zonde verleidt.
Het gebruik van de boekdrukkunst kan goed zijn; is goed ; is ten zegen. Maar 't gebruik van de boekdrukkunst kan verkeerd zijn; is verkeerd ; is tot. een vloek.
Dat gaat in 't leven vast en zeker samen. Neem een ander terrein : het sexueele leven.
God heeft den mensch geschapen man en vrouw en de Christelijke Kerk heeft de verbinding van man en vrouw, het samenleven van man en vrouw, het huwelijk, altijd geacht als een goede gave Gods, den mensch tot een heerlijken en rijken zegen. Daar worden door voortplanting, onder den zegen van de wet der vruchtbaarheid, de gezinnen opgebouwd en Gods Kerk wordt daardoor vergaderd ! Daar wordt veel liefs gesmaakt en veel goeds ontvangen !
En is er niét alle eeuwen door, ook onder christenen, een neiging geweest om het huwelijk minderwaardig te achten en den ongehuwden staat te verheffen boven den van God verordineerden omgang van man en vrouw ? Lezen we er niet aanstonds van dat er een „mijding van het leven" komt, in plaats van een „wijding van het leven" ?
Was het in de dagen van Marcion (tweede helft van de 2de eeuw na Chr.) niet reeds zóó, dat geleerd werd : een geloovige geeft niets om spijze en drank en bij een geloovige bestaat geen begeerte naar het huwelijk. Een opstanding des vleesches was er dan ook niet — er bestond alleen maar een „geestelijke" mensch (pneumatisch) en de „stoffelijke" mensch (psychisch) was tot niets nut. De stoffelijke wereld werd veracht. En het ging zóó ver, dat slechts de ongehuwde, de maagd of de weduwe tot den Doop werden toegelaten. Daardoor gebeurde het — zoo lezen we bij prof. Knappert. Geschiedenis van het Christendom, bladz. 40 — dat een vrouw zich van haren man scheidde om den Doop te kunnen ontvangen. En Marcion ging zóó ver — aldus prof. Knappert — dat hij den omgang van echtelieden als het werk van zwijnen en honden bestempelde !
Natuurlijk is zulk een onnatuurlijk doordraven altijd verkeerd. Laten we toch „gewoon" doen, ten opzichte van de dingen. Toen wij jong predikant waren, zei iemand, die tot de „onkerkelijken" behoorde, bij ons eerste huisbezoek tot ons, dat we onzen gouden ring — de trouwring, van heel gewone gedaante zijnde — moesten afleggen, want dat zooiets niet „het merkteeken van Gods kinderen" is, maar „een merkteeken van de wereld"! Bekend is ook, dat men in zekere kringen nog al gekant is tegen een dominé met baard en snor — een waar dienstknecht des Heeren draagt zulke ijdelheden niet. Maar toen b.v. ds. Pauwe in den onkerkelijken weg overging, met baard en snor getooid, zei iemand in Delft tot ons, dat deze dominé een gekende des Heeren was en de teekenen van het Nazireërschap droeg, als bewijs van de zalving des Geestes
Waarom kunnen we niet „gewoon" over de dingen praten ? Als heele „gewone" christenen. Dan kunnen we elkaar ook verstaan, als de een een ring draagt en de ander niet, als de een z'n baard laat groeien en de ander zich scheert; als de een gehuwd is en de ander bij den ongehuwden staat blijft, de een fietst en de ander niet, enz.
De algemeene lijn, naar het Woord, is, dat we de gaven Gods gebruiken zullen als christen.
Voorzichtig. Tot ons nut, tot ons genot. tot ons gemak. En wat de Heere geeft tot
verrijking van het leven, zullen we uit Zijn hand ontvangen en gebruiken als christen.
Dat geldt van onze stoelen, van ons orgel, van onze piano, van onze fiets, van ons boek, van onze radio, van onze auto, enz.
Voor ons zelf zullen we moeten toezien hoe we ons orgel, onze piano gebruiken. En omdat de Heere daarin zoo'n rijke wereld van klanken heeft ontsloten, kan het orgel en de piano, de viool, de fluit enz. gebruikt worden tot zulke heerlijke dingen. Koninginneverjaardag waren we 's avonds in de Groote Kerk te Rotterdam om een orgelconcert te beluisteren. Duizenden waren toen in de kerk.
En het was ontroerend schoon !
Wat heeft God Zijn schepping rijk voorzien van vele heerlijke dingen.
En zoo komen de boeken tot ons, met een schat van wijsheid.
Zoo komt de radio nu ook.
We zullen zeker moeten toezien ! Het leven is toch al zoo druk. Het leven is zoo vol ook van allerlei dat verkeerd en dat slecht is. Maar we zullen de gaven Gods moeten gebruiken met een eerlijke consciëntie en met een dankbaar hart.
Het trof ons, dat in den kring van de Chr. Gereformeerde Kerk weer bij vernieuwing over de radio en het gebruik daarvan in onze kringen, is gesproken. Ook in den kring van den Chr. Gereformeerden Jongelingsbond. Het bondsbestuur benoemde een commissie, bestaande uit de heeren ds. A. M. Berkhoff te Sneek en J. H. Zeldenrijk te Haarlem, om ter zake een rapport uit te brengen. Aan dat rapport is het volgende ontleend :
„Dat wij niet tegen de radio als zoodanig kunnen zijn, aangezien daarin als in een schoone gave Gods in Zijn schepping geen verkeerds wordt gevonden. Dat er nochtans een groot gevaar in de radio ligt door het misbruik, dat de wereld maakt ook van deze gave Gods. Dat wij met groote waakzaamheid vervuld zullen zijn, vooral met het oog op ons opkomende geslacht, dat de wereld hierdoor niet in onze gezinnen binnenkome. Dat echter door dit misbruik *an de radio het gebruik niet behoeft te worden nagelaten. Dat wij zelfs mede zullen arbeiden, dat er van dit zoovelen bereikende middel een zegenrijke invloed moge uitgaan".
Dat vinden we nu eens een bezadigd, verstandig, wijs advies. Waarbij de dingen heel gewoon genomen worden, zooals ze werkelijk zijn, om dan als christen tusschen deze dingen door onzen weg te kiezen!
Wij houden geen redevoering „voor eigen parochie". Maar we zouden zeggen : waar de radio er is, laten we de radio ook gebruiken.
En dan weten we, dat velen reeds van de radio genoten hebben door preeken, toespraken, ziekenuurtjes, vertel-middagen, cursusavonden enz!, enz.
|Velen die „in de verstrooiing" wonen, hebben nu de Evangelieboodschap door de lucht.
Alleen maar — en nu denken we aan een ander wijs advies — laten we „voorzichtig" wandelen in deze.
We denken aan hetgeen Bisschop Ravasz over de radio-preeken onlangs schreef — (ontleend aan „De Standaard", 27-8-'31) :
In de „Reformacio", Hong. Gereform. maandblad voor de inwendige zending, laat bisschop Ravasz zich aldus uit over de godsdienstoefeningen per radio uitgezonden : „De godsdienstoefening, per radio uitgezonden, mag slechts worden gebruikt als een huiselijke godsdienstoefening, waaraan grooten en kleinen deelnemen. Laat men zich hierbij gedragen, alsof men zich in de kerk bevond, want in de kamer of de zaal, waar de radio staat, bevindt men zich ook in een onzichtbare kerk. Evenwel diene men te bedenken, dat de radio als middel voor de huiselijke godsdienstoefening niet den kerkdienst vervangt, maar juist het verlangen wakker roept om ook ter kerk te gaan. De ware geloovige kan niet leven zonder gemeenschap. Maar de radio is een machtig middel in Gods hand om het aantal hoorders des Woords met honderden en duizenden te vermeerderen".
Dat is een verstandig woord.
Laat de radiopreek ons toch nooit afhouden van het opgaan naar Gods huis — als we daartoe in staat zijn. Want dan wordt de radio-preek ons tot zonde !!
En die een radio-preek beluisteren — en het zijn er honderden en duizenden door héél het land en vér over de grenzen — moeten steeds bedenken dat het heilige heilig moet worden gehouden.
Waarbij de Heere in Zijn groote goedheid nog wil getuigen van menigerlei genade en velerlei zegen.
Want de Heere heeft geen lust in den dood des zondaars, maar wil genade voor genade bewijzen.
DE GODSDIENSTLOOZE SCHOOL.
Men mag niet zeggen, dat het Socialisme — zooals wij dat kennen hier en zooals het zich aan ons volk opdringt — een maatschappelijke kwestie is, zonder meer. En dat ook de Christen wel Socialist kan zijn, om mee te strijden voor maatschappij-verbeteringen, voor verandering van sociale misstanden enz.
Zóó moet een Christen zich niet stellen tegenover het Socialisme. Want zeker, dat wil 't hebben over het maatschappijleven, over den arbeid, arbeidsverhoudingen, over allerlei rakende het leven van ons en de onzen — maar het Socialisme doet dat van uit een bepaald beginsel werkend, waarbij op z'n best genomen van den godsdienst gezegd wordt: dat is een persoonlijke liefhebberij en private aangelegenheid ; dat moet ieder voor zich zelf maar weten — om dan intusschen zonder den godsdienst tal van anti-godsdienstige, antichristelijke beginselen te verkondigen en tot anti-Schriftuurlijke handelingen aan te zetten.
|Maatschappelijke belangen wil het Socialisme behartigen — maar intusschen is het tegen den Bijbel, tegen de Kerk, tegen het huis van Oranje, tegen de ordeningen en rechten en inzettingen des Heeren, predikende den klassenstrijd, roepende : Geen God en geen meester !
Het 7de gebod vindt geen genade en het huwelijksleven wordt ondermijnd, de vrije liefde wordt gepredikt, ongehuwde moeders worden verheerlijkt, enz. Het 5de gebod, het gebod van het gezag, van de verhouding van ouders en kinderen, wordt onderst boven geloopen. De mensch zal eigen heer en meester zijn. Eigen lust is wet. Eigen wil is meester — voor klein en groot. En alles wat de Christenheid, wat de Kerk ten opzichte van deze dingen leert, is overlevering, overblijfsel uit de oude doos, verzinsel van priesters. Waarbij niet onduidelijk geleerd wordt, dat voor een nieuwe maatschappij-vorming die ouderwetsche „Christelijke" beginselen moeten worden opgeruimd. Die Christelijke moraal is onzedelijk. Die Christelijke begrippen zijn afschuwelijk. Die Christelijke inzettingen zijn niets dan belemmeringen voor den vooruitgang, voor den nieuw-bouw, voor de ontwikkeling van een gezond volksleven.' En daarom is de innerlijke begeerte van het Socialisme, dat al het oude zoo spoedig mogelijk verdwijne en het nieuwe van de moderne wetenschap zegeviere over heel de linie.
Dood aan den godsdienst — althans den godsdienst van den Bijbel. Dood aan de Kerk — althans de Kerk met den Bijbel.
En zoo heeft men ook den dood gezworen aan de School met den Bijbel, aan het Christelijk Onderwijs.
Dat is vooroordeel, dat is overlevering, dat is leugen en dwaasheid wat men daar aan de kinderen des volks vertelt. Bakerpraatjes. En alles wat daar geleerd wordt - ook „vreest God, eert den Koning" — staat een nieuwe maatschappij-vorming leelijk in den weg.
Daarom is het eigenlijk ideaal van het Socialisme, dat er alleen Overheids-scholen zullen zijn, met verplichting aan alle ouders om hun kinderen naar de Overheids-school te sturen — en dan op die Openbare Scholen in stad en dorp godsdienstloos-onderwijs.
Vanstaatswege godsdienst-loosonderwijs verplicht voor alle kinderen van ons volk.
Dat hebben we geen oogenblik uit het oog te verliezen, dat dat het ideaal is van het opdringend Socialisme.
Om dan zelf den slag te kunnen slaan en zonder tegenweer van ons, aan het opkomend geslacht de anti-christelijke beginselen over heel de linie van het leven te kunnen ingieten.
Zij het Christelijk Onderwijs in stad en dorp, in Noord en Zuid, als een tegengif !
DE ZUIDELIJKE PROVINCIES N.-BRABANT EN LIMBURG. 1)
We lazen een paar „Brieven" over Limburg en Noord-Brabant van de hand van ds. J. de Vries, Geref. pred. te Tilburg. Omdat we van oordeel zijn, dat deze zuidelijke provincies veelal „onbekend land" zijn voor verreweg de meeste Nederlanders, waardoor soms de meest verkeerde voorstellingen geboren worden, is het misschien goed een en ander uit die „Brieven" aan te stippen. Vooral omdat het blijkt dat zich daar geheel andere toestanden en verhoudingen gaan vormen.
Wat Limburg betreft — de mentaliteit (geestes-gesteldheid, manier-van-denken) van het Limburgsche volk, verklaart zich voor een zeer groot deel (natuurlijk niet in alles) uit de geografische (aardrijkskundige) positie van het land. Vooral het Zuidelijk gedeelte is zoo'n smalle strook gronds, tusschen Duitschland en België ingedrongen, en de veelvuldige aanraking met de bewoners van die beide landen heeft grooten invloed gehad op de geestesgesteldheid van de Limburgsche bevolking, wat tot op heden nog dagelijks te merken is. Daarbij komt dan nog, dat in het bijzonder de stad Maastricht vrij sterk georiënteerd is op Luik en zoo op Frankrijk. De aardrijkskundige ligging van Limburg heeft dus een eigen stempel gezet op de bevolking.
Maar de staatkundige geschiedenis is ook niet zonder groote beteekenis.
Wat de mentaliteit (geestes-gesteldheid, manier-van-denken en leven) betreft, is Limburg Roomsch en Holland Protestantsch. Een Roomsche inslag van het leven in Limburg, een Protestantsch cachet op het Hollandsche leven.
In Limburg is het Protestantisme in het verleden (zegge : de twee laatste eeuwen) niet van zoo groote beteekenis geweest, en het is nog niet heel sterk vertegenwoordigd. En dat werkt mee, dat de Limburgers zeggen: „Limburg voor de Limburgers". Dat is : Limburg moet Roomsch blijven.
Zoo wordt het ook aan de Limburgers telkens voorgehouden, dat Limburg niet „verhollandiseerd" mag worden, dat Limburg, dat Roomsch is, ook Roomsch moet blijven en niet „verprotestantiseerd". En men leert dan, dat het Calvinisme, het Protestantisme, de éénheid der Nederlanders in Vlaanderen, Brabant, Limburg en de rest — toch al zoo verbroken heeft en toch al zooveel ellende en schade heeft aangebracht, dat er nu voor gewaakt moet worden, dat Limburg niet ont-Roomscht wordt.
Men meent, dat in Limburg en in het Zuiden een Hollandsch-Protestantsch gevaar dreigt. „Wij staan" — zoo schrijft men — „regelrecht tegenover de tendenz van verprotestantiseering van de mijnstreek, tegenover de door sommigen bepleite verhollandiseering van deze gewesten".
Het vraagstuk „Zuid—Noord" leeft onder de Limburgers. Daarom is ook opgericht de Limburgsche Liga, een organisatie, die, staande op Nederlandsch standpunt, wil werken voor de cultureele ontwikkeling van Limburg en wel in de eerste plaats ten behoeve van de Limburgers.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 september 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 september 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's