RONDOM DE LEESTAFEL
UIT DE WOLK DER GETUIGEN, door prof. dr. H. Visscher. 3e herziene druk. Uitgave : La Rivière & Voorhoeve, Zwolle,
Het was en het is prof. Visscher te doen om het levend en eeuwig blijvend Woord van God. Dat wil hij ons nader brengen. En beginnende bij het begin, geeft hij ons „Schetsen uit Genesis", negen en dertig in getal. Op het titelblad staat, dat het de 2e druk is. Het is dus geen nieuw werk. Want voor ons ligt hetzelfde, boek, dat in 1905 bij Ruys te Utrecht is uitgegeven. We herinneren ons nog heel goed, dat het verscheen. Toch moeten we ook letten op die woorden „herziene druk". Want begint het boek van 1905 met Gen. 2 : 15—16 „In Eden gezet", nu begint het boek met Gen. 1 : 1 „In den beginne". En men voelt, dat deze eerste meditatie pas geschreven is in dezen crisistijd, met „de donkere schaduwen die liggen uitgebreid over 't leven der menschheid". Ook de 2e en de 3e schets „Hemel en aarde" en „Tot een levende ziel" is nieuw. De zeven laatste schetsen uit den Isten druk zijn nu weggelaten ; ze gingen tot den dood van Abraham.
Wij verheugen er ons over, dat deze korte, pakkende, geestelijke, practische bijbel-overdenkingen in nieuw gewaad weer opnieuw onder ons verschenen zijn, want het was zeer moeilijk om den eersten druk nog machtig te worden en ziet, nu zijn de mooie, stichtelijke, waarschuwende en bemoedigende overdenkingen van 's Heeren Woord en Getuigenis weer onder ieders bereik.
In taal en stijl is het zoo geheel prof. Visscher. Neem b.v. de meditatie „Een stem des bloeds" (Gen. 4 vers 10 en Hebr. 12 vers 24b). Met een citaat uit Ps. 133 wordt begonnen : „Ai ziet! hoe goed, hoe lieflijk is 't enz."
En dan volgt: „Die psalm is aangrijpend schoon, een tokkeling op de harp der liefde. Hij wordt menigvuldig gezongen en toch maar weinig in onze dagen verwezenlijkt gezien; De krachten, die saam moeten werken' tot bereiking van één hoogheilig doelen, druischen de eene tegen de andere in. Waar eenheid zijn moest, huist tweedracht; waar saambinding behoorde, is verwijdering. Die één Heere erkennen, één geloof heeten te belijden, met één doop besprenkeld zijn, staan gedeeld in verschillende kampen. Zij trekken niet op tegen den gemeenschappelijken vijand, maar gorden zich aan tot een verdelgingskrijg tegen elkander. Die onberispelijk moesten zijn voor God in de liefde, zij kruisen de zwaarden. En het bedroevendste is, dat van die zonde slechts weinig wordt gevoeld. Wie den partijstrijd aanschouwt, krijgt zoo levendig den indruk : „zij zoeken allen het hunne en niet hetgeen van Christus is." (blz. 46). Of in de Meditatie „Wederkeer" (Gen. 13 vers 4) „Voor alles wat we doen is roeping van noode. Gordt u voor de volbrenging van geene taak zonder roeping Gods. Daarmede wordt weinig gerekend. In onzen tijd wordt er veel arbeid verricht, voor allerlei standpunt geijverd. Maar of men een roeping heeft, daarover bekommeren zich de meesten bijkans nimmer. Een roeping te hebben, dat beteekent niet, of gij u zelven ergens geschikt voor acht. Immers wij zijn van nature hoogmoedig genoeg om onze eigenschappen en krachten te overschatten. Neen, de vraag is slechts deze, of de door u ingeslagen weg van God gewild is, of gij op het gebed, in Gods gemeenschap, door Hem zelven gedrongen, u hebt laten vinden tot het aanvaarden van uwe taak. Heeft God u den last opgelegd, of hebt gij dien opgenomen ? Het is niet van belang ontbloot zulke vragen wel te overwegen voor wie uittrekken naar een arbeidsveld" (blz. 130). Of wat we lezen blz. 186 in de overdenking „Om uws levens wil". „Welgelukzalig is de mensch, die geduriglijk vreest. Als de Schrift een „welgelukzalig" over den geduriglijk vreezende spreekt, dan is dat één dier wonderspreuken, waaraan Gods. Woord zoo rijk is. Daar is echter een vreeze, die een kenteeken der godzaligheid is. De beproeving des geloofs werkt vreeze. God de Heere toetst Zijn kinderen. Hij weegt reeds hier de geesten. Hij werpt hen in den smeltkroes der loutering, opdat de kostbaarheid des geloofs uitblinken zal. Wie waarlijk door den Heere gevonden is, moet dikwijls klagen, dat hij nog één der dagen door Sauls handen omkomen zal, want de zonde is zoo machtig. Zij treedt soms zoo verraderlijk op. Zij brengt tot vertwijfeling, zoodat er gevreesd wordt, of hetgeen voorafging ook een spiegelbeeld van eigen maaksel was. Dan wordt er voor Gods aangezicht gebogen en tot Hem geroepen. Dan gaat de klacht op en is er geen ruste „voordat opnieuw 't verbrijzeld harte zich verheugt en in den geest de ware rust herboren is" enz.
Waar deze „Schetsen uit Genesis" een zoo helder licht laten schijnen over de gebeurtenissen der Heilige Geschiedenis en zooveel geestelijke onderwijzing bevatten, bevelen we gaarne dit zoo mooi en royaal uitgegeven boek hartelijk aan.
MENIGERLEI GENADE, wekelijksche predikatiën onder redactie van dr. K. Dijk en dr. B. Wielenga e.a. Uitgave J. H. Kok te Kampen. Deze preeken, bewerkt door predikanten van de Geref. Kerken, worden ons geregeld toegezonden en wij maken van de laatste zending, die wij juist ontvingen, gaarne melding. Alles ziet er keurig verzorgd, royaal en netjes uit; zoodat het altijd al dadelijk een lust voor de oogen is om deze preeken-serie te zien. Maar, hoewel de afwerking en uitvoering van het werk zeker van groote waarde is, de eigenlijke beteekenis van deze preeken zit in den inhoud. De preeken nu door ons ontvangen zijn van ds. J. Lugtigheid van Uithuizermeeden over „de vrucht der kastijding" Hebr. 12 vers 7—11 ; van ds. J. W. Siertsema over „de levende hoop" 1 Petr. 1 vers 3—5 ; van ds. E. C. van der Laan van Workum over „een loflied op de liefde Gods" 1 Joh. 4 vers 7—10 ; van dr. K. Dijk van Den Haag : „Bij U", Ps. 73 vers 23, 24 ; van ds. P. Bos van Groningen over : „Het wèl en het wee" Jes. 3 vers 10, 11 ; van ds. W. van 't Sant van Den Haag over „Gezegend boven de vrouwen" Richteren 5 vers 24; van ds. W. E. Gerritsma van Aalten over „Gods weg met Zijn volk". Psalm 77 vers 14 ; van ds. W. Bouwman van Leiden over „Geeft eere den Heere" (Oranjepreek) Jer. 13 vers 16a; van ds. J. H. Sillevis Smitt van Semarang over „de reiniging der tien melaatschen", Luc. 17 vers 11—19 ; van ds. J. S. Post over , .De boom des levens", Openb. 2 vers 7b. Deze preekenbundel verschijnt in 52 nummers en kost ƒ 8.— per jaar. De 21ste jaargang bewijst, dat hier werk geleverd wordt waarvoor plaats is en dat gewaardeerd wordt door velen.
INSTITUTIE of onderwijzing in den Christelijken godsdienst van Johannes Calvijn. Uit het Latijn vertaald door dr. A. Sizoo. 2e deel Uitg. : N.V. W. D. Meinema, Delft
Bij de verschijning van het eerste deel hebben we er onze groote biijdschap over uitgesproken dat van dit klassiek Doek van den grooten hervormer een nieuwe vertaling m zoo schitterende uitgave ons nu bezorgd wordt door den knappen vertaler dr. Sizoo en den Kranigen Uitgever Meinema. En nu ligt er voor ons het kloeke tweede deel, waarna nu het derde deel als slot nog volgen moet. Heel vlug en vlot gaat deze uitgave. Dat stemt al zoo prettig. Maar vooral verheugt ons, dat nu in zoo'n aantrekkelijk kleed, in zoo'n handig formaat, een zoo mooie uitgave van dit grondleggend studieboek van Calvijn bezorgd wordt, dat nu des te gemakkelijker in veler handen komen kan. 't Is wel geen „boek voor iedereen". Maar onze menschen moeten toch ook weer niet zóó gering van zich zelf denken, dat ze dit boek niet zouden koopen, om er eens rustig in te lezen. Wat zou dat een rijken zegen voor hoofd en hart kunnen afwerpen. Als men de wintermaanden daaraan eens wilde gaan besteden, om dit boek eens te gaan bestudeeren. Op 't platteland vooral, waar men nog de rustige (? ) winteravonden heeft, zou men goed doen de Institutie eens ter hand te nemen. En natuurlijk ook onze stadsmenschen zullen er voordeel van hebben, als ze eens een avondje thuis bleven om te lezen ; en dan wel, om te lezen wat Calvijn in dit beroemde boek geschreven heeft. Want men praat wel over Calvijn en over Calvinisme, over Gereformeerd enz. — maar wat Calvijn geschreven heeft, kan ons nog wel iets leren.
Wij bevelen dit boek dan ook gaarne hartelijk aan.
Wat wordt in 'dit tweede deel mooi geschreven over de genade in Christus en de Vruchten die daaruit voortkomen voor de geloovigen, de werkingen ' die daaruit volgen bij degenen, die God vreezen. Diep geestelijk en teer schrijft Calvijn en duidelijk weet hij stuk voor stuk uiteen te zetten. In het Derde Boek (waarmede dit 2de Deel begint) wordt gesproken over „de dingen, die van Christus gezegd zijn, tot ons voordeel gedijen, door de verborgene werking des Geestes"; over „natuur en eigenschappen des geloofs" ; vervolgens „dat wij door het geloof worden wedergeboren ; waarin gehandeld wordt over de boetvaardigheid (Poenitentia)". Dan wordt gehandeld over „dwalingen der Sophisten of Scholastieken aangaande de boetvaardigheid" (biechten en voldoeningen ; aflaten en vagevuur).
In hoofdstuk VI van het 3de boek gaat het „over het leven van den Christen", dus het doel der wedergeboorte, zijnde een Christelijk leven. Calvijn zegt daar b.v. van: Ons leven moet Christus vertoonen. Hij ons hoofd in den hemel, wij tempelen Gods door den Heiligen Geest, met bestemming tot hemelsche onverderfelijkheid. 't Evangelie is niet een leer om over dezelve met de tong te strelen, maar om naar dezelve te leven ; het wordt ook niet alleen gevat met het verstand en het geheugen, gelijk andere leeringen van de Sophisten, maar wordt dan eerst aangenomen, wanneer het de gansche ziel bezit en zijn zetel vindt in de meest innerlijke genegenheid, des harten. De leer moet in ons hart worden overgestort en in onzen wandel overgaan en mitsdien ons in hare gestalte veranderen. Wij moeten volstrekt niet verwerpen die tot deze Evangelische volmaaktheid nog niet gekomen zijn. Dan zouden allen buitengesloten worden. De volmaaktheid is een wit, dat vrij ons voor oogen moeten stellen, wanneer wij ons streven moeten richten. Niemand wanhope bij kleine kracht en schier onmerkbare vordering. Slechts worde met oprechte eenvoudigheid het doelwit in 't oog gehouden, en zij er een gestadig pogen om beter te worden dan wij zijn, totdat wij bij ons sterven de volkomenheid
In een volgend hoofdstuk handelt Calvijn dan over „de korter inhoud van het Christelijk leven ; de verloochening van ons zelven". Calvijn geeft een schildering van ons hoogmoedig, eigenlievend bestaan, en zegt, dat dit venijn uit ons binnenste moet worden uitgeroeid. Daarop is de leer der Schrift gericht. Calvijn zegt: „Gij zult nimmer tot de ware zachtmoedigheid geraken, dan wanneer gij een gemoed zult hebben, dat doortrokken is met verootmoediging van u zelven en vereering van den naaste". Velen gaan „met trotsch gelaat en overmoedige taal, met minachting van anderen", zegt Calvijn.
In hoofdstuk 11, 12, 13 enz. handelt Calvijn dan over de rechtvaardigmaking des geloofs. In hoofdstuk 19 Over de Christelijke vrijheid ; in hoofdstuk 20 Over het gebed, dat de voornaamste oefening des geloofs is; in hoofdstuk 21 enz. Over de eeuwige Verkiezing, en in hoofdstuk 25 Over de laatste opstanding.
Hiermee eindigt dit 2de Deel van de Institutie. Met verlangen zien we uit naar het 3de of laatste Deel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's